het neerdwarrelen van jacq
"Héél even over mijn haar", zei ik tegen kapster T. die knipte zoals ze praatte: veel. Heel veel. Ze hoorde me niet. Een waterval van woorden kletterde uit haar mond, terwijl een waterval van blonde haren naast mij op de grond neerdwarrelde.
Ik had er een tijdlang via de spiegel naar gestaard omdat het zo'n mooi gezicht was, totdat ik had beseft dat het mijn eigen haar betrof. Waarmee ik straks weer verder moest leven, terwijl kapster T. al lang weer haar waterval zou laten kletteren bij de volgende klant. En de volgende. En alle klanten daarna. En tijdens het avondeten tegen haar nieuwe vriend want haar man had haar verlaten, of nou ja verlaten, hij had haar bedrogen met een Franse vrouw en toen had zij gezegd als je dat nog eens doet en hij had het nog eens gedaan en nog eens en toen nóg een keer en en toen was hij nooit meer teruggekomen. En ook als kapster T. en haar nieuwe vriend na het avondeten tv keken, ook dan zou de waterval van kapster T. gewoon doorgaan, en in bed zou hij haar proberen te strelen want waarom ben je dan eigenlijk als man en vrouw bij elkaar, ja precies, maar ze zou hem op armlengte van zich af houden omdat haar mond niet stil kon staan, en zelfs als de nieuwe vriend van kapster T. allang zou slapen (of zou doen alsof), zelf dan zou haar mond niet stilstaan - tot het moment dat zelfs bij kapster T. het licht zou uitgaan, zij zich op haar rechterzij zou draaien en in één klap in het soort extreem diepe slaap zou donderen dat dat slag mensen nu eenmaal nodig heeft.
Terwijl ik in diezelfde nacht met wijdopen ogen in het donker zou liggen staren en tevergeefs zou proberen het haar bij mijn schouder te vinden.
"Zeg, héél even over mijn haar", zei ik tegen kapster T.
"Maar dat kun je natuurlijk nooit of nauwelijks want gisteren nee dat lieg ik", zei kapster T. terwijl ze achter me kwam staan en het overgebleven haar opschudde alsof het een pan kruimige aardappels was die net was afgegoten. We keken samen in de spiegel. Ik deed mijn ogen dicht. Het was knalzwart van binnen. Ik deed mijn ogen open. Kapster T. bewoog haar mond nog steeds en ik had haar op zich wel een klap kunnen geven maar ik werd gehinderd door het besef dat er in het leven van kapster T. waarschijnlijk maar twee mogelijkheden waren: doorpraten of ter plekke dood neervallen. En als de zaken er bij de ander zo voor staan, wie ben jij dan om zo iemand een klap te geven. Dus ik deed van binnenuit mijn oren dicht en zo kreeg ik het met enige moeite voor elkaar de volgende gedachte te formuleren die dan vooral over mijn eigen leven ging: kop op moppie, het groeit wel weer aan.
Ik had er een tijdlang via de spiegel naar gestaard omdat het zo'n mooi gezicht was, totdat ik had beseft dat het mijn eigen haar betrof. Waarmee ik straks weer verder moest leven, terwijl kapster T. al lang weer haar waterval zou laten kletteren bij de volgende klant. En de volgende. En alle klanten daarna. En tijdens het avondeten tegen haar nieuwe vriend want haar man had haar verlaten, of nou ja verlaten, hij had haar bedrogen met een Franse vrouw en toen had zij gezegd als je dat nog eens doet en hij had het nog eens gedaan en nog eens en toen nóg een keer en en toen was hij nooit meer teruggekomen. En ook als kapster T. en haar nieuwe vriend na het avondeten tv keken, ook dan zou de waterval van kapster T. gewoon doorgaan, en in bed zou hij haar proberen te strelen want waarom ben je dan eigenlijk als man en vrouw bij elkaar, ja precies, maar ze zou hem op armlengte van zich af houden omdat haar mond niet stil kon staan, en zelfs als de nieuwe vriend van kapster T. allang zou slapen (of zou doen alsof), zelf dan zou haar mond niet stilstaan - tot het moment dat zelfs bij kapster T. het licht zou uitgaan, zij zich op haar rechterzij zou draaien en in één klap in het soort extreem diepe slaap zou donderen dat dat slag mensen nu eenmaal nodig heeft.
Terwijl ik in diezelfde nacht met wijdopen ogen in het donker zou liggen staren en tevergeefs zou proberen het haar bij mijn schouder te vinden.
"Zeg, héél even over mijn haar", zei ik tegen kapster T.
"Maar dat kun je natuurlijk nooit of nauwelijks want gisteren nee dat lieg ik", zei kapster T. terwijl ze achter me kwam staan en het overgebleven haar opschudde alsof het een pan kruimige aardappels was die net was afgegoten. We keken samen in de spiegel. Ik deed mijn ogen dicht. Het was knalzwart van binnen. Ik deed mijn ogen open. Kapster T. bewoog haar mond nog steeds en ik had haar op zich wel een klap kunnen geven maar ik werd gehinderd door het besef dat er in het leven van kapster T. waarschijnlijk maar twee mogelijkheden waren: doorpraten of ter plekke dood neervallen. En als de zaken er bij de ander zo voor staan, wie ben jij dan om zo iemand een klap te geven. Dus ik deed van binnenuit mijn oren dicht en zo kreeg ik het met enige moeite voor elkaar de volgende gedachte te formuleren die dan vooral over mijn eigen leven ging: kop op moppie, het groeit wel weer aan.
