jacq en de depressieve hond /2
[Even naar beneden scrollen voor deel 1, of hier klikken.]
"En toen??", zei ik.
"Nou, dat zal ik je vertellen", zei N.
Op een morgen was N. beneden gekomen.
De hond, dezelfde die haar de afgelopen maand elke ochtend had begroet door op lethargische wijze langs haar heen te kijken, had bij de deur gestaan en zijn staart had gekwispeld.
"Euhm hallo?", had N. aarzelend gezegd.
En de hond had dan wel niet direct hallo teruggezegd want dat was misschien nog een klein beetje te veel gevraagd na een depressie van een maand maar hij had de kop schuin gehouden op de manier waarop alleen honden dat kunnen zonder debiel over te komen. Daarna had hij zich uitgerekt, zodat zijn teennagels over de vloer krasten. En daarna had hij nog een keer de kop schuin gehouden en daarmee wilde hij zeggen: "Nou, ik wil niemand opjagen maar wat staat er vandaag eigenlijk allemaal precies op het programma?!"
"Ongelofelijk!", zei ik schor, want geef mij één hond en één staart en ze kunnen mij opvegen.
"Ik denk dat die nacht tot een inzicht was gekomen", zei N.
"Welk inzicht dan", zei ik.
"Ja, dat weet ik ook niet, wacht ik heb een foto van hem", zei N.
En terwijl N. haar tas omkeerde, dacht ik aan de hond en de nacht en aan wat de hond ertoe had gebracht het licht te gaan zien.
Ik stel me voor dat de hond in die betreffende nacht had gehoord hoe het langzaam maar zeker stil werd in het huis. Dat hij vanaf de bank waar hij niet op mocht maar hij had begrepen dat dat alleen gold voor overdag om zich heen had gekeken naar de contouren van de spullen die in het huis stonden. Dat hij in een flard van intelligentie die honden heel soms overvalt had beseft dat diezelfde spullen er gisteren ook stonden, en de dag ervoor ook en de dag daar weer voor eigenlijk ook - dus dat de kans best groot was dat ze er ook morgenochtend weer zouden staan.
Dat de onrust die hem daardoor overviel, aanleiding was zich van de bank te laten glijden, naar het raam te lopen en de kop tussen de gordijnen te steken. Dat de maan die nacht helder had geschenen. Dat er net op dat moment een buurhond werd uitgelaten die normaal nooit zo laat werd uitgelaten maar er was een feestje geweest en de buurhond had zijn plas lang moeten ophouden. Dat de buurhond hem dankzij het schijnsel van de maan had ontwaard zoals hij daar stond, met de kop tussen de gordijnen. Dat de buurhond hem recht had aangekeken en hij de buurhond en dat zijn oren zich gespitst hadden en dat dat buiten hem om was gegaan (want het was niet alsof hij zin had gehad om zijn oren te spitsen). Dat hij de buurhond na had gekeken en dat er een huppel in de pas van de buurhond had gezeten die de hond op de een of andere manier had getroffen, terwijl (maar dat is niet belangrijk) de huppel in de pas van de buurhond puur gelegen lag in de overvolle blaas van diezelfde buurhond die pas bij precies de perfecte struik zou overgaan tot het doen van een bijzonder mooie en lange plas (maar ook dit doet er niet toe).
Ik stel me voor dat er, om het af te maken, een fruitvliegje traag aan was komen vliegen dat vanuit een onduidelijke maar typisch fruitvliegeske cirkelredenatie een daling had ingezet en op de neus van de hond was geland, zodat het ondraaglijk was gaan kriebelen en de hond zijns ondanks in de lach was geschoten.
Maar het kon natuurlijk ook zijn dat deze specifieke hond gewoon totaal niet in staat was een depressie langer dan 29 dagen vol te houden.
N. liet mij een foto zien van een glimlachende hond.
Ik wist niet dat het bestond.
"Ongelofelijk!", zei ik.
"Afijn, heel leuk dus, een hond", zei N.
"En toen??", zei ik.
"Nou, dat zal ik je vertellen", zei N.
Op een morgen was N. beneden gekomen.
De hond, dezelfde die haar de afgelopen maand elke ochtend had begroet door op lethargische wijze langs haar heen te kijken, had bij de deur gestaan en zijn staart had gekwispeld.
"Euhm hallo?", had N. aarzelend gezegd.
En de hond had dan wel niet direct hallo teruggezegd want dat was misschien nog een klein beetje te veel gevraagd na een depressie van een maand maar hij had de kop schuin gehouden op de manier waarop alleen honden dat kunnen zonder debiel over te komen. Daarna had hij zich uitgerekt, zodat zijn teennagels over de vloer krasten. En daarna had hij nog een keer de kop schuin gehouden en daarmee wilde hij zeggen: "Nou, ik wil niemand opjagen maar wat staat er vandaag eigenlijk allemaal precies op het programma?!"
"Ongelofelijk!", zei ik schor, want geef mij één hond en één staart en ze kunnen mij opvegen.
"Ik denk dat die nacht tot een inzicht was gekomen", zei N.
"Welk inzicht dan", zei ik.
"Ja, dat weet ik ook niet, wacht ik heb een foto van hem", zei N.
En terwijl N. haar tas omkeerde, dacht ik aan de hond en de nacht en aan wat de hond ertoe had gebracht het licht te gaan zien.
Ik stel me voor dat de hond in die betreffende nacht had gehoord hoe het langzaam maar zeker stil werd in het huis. Dat hij vanaf de bank waar hij niet op mocht maar hij had begrepen dat dat alleen gold voor overdag om zich heen had gekeken naar de contouren van de spullen die in het huis stonden. Dat hij in een flard van intelligentie die honden heel soms overvalt had beseft dat diezelfde spullen er gisteren ook stonden, en de dag ervoor ook en de dag daar weer voor eigenlijk ook - dus dat de kans best groot was dat ze er ook morgenochtend weer zouden staan.
Dat de onrust die hem daardoor overviel, aanleiding was zich van de bank te laten glijden, naar het raam te lopen en de kop tussen de gordijnen te steken. Dat de maan die nacht helder had geschenen. Dat er net op dat moment een buurhond werd uitgelaten die normaal nooit zo laat werd uitgelaten maar er was een feestje geweest en de buurhond had zijn plas lang moeten ophouden. Dat de buurhond hem dankzij het schijnsel van de maan had ontwaard zoals hij daar stond, met de kop tussen de gordijnen. Dat de buurhond hem recht had aangekeken en hij de buurhond en dat zijn oren zich gespitst hadden en dat dat buiten hem om was gegaan (want het was niet alsof hij zin had gehad om zijn oren te spitsen). Dat hij de buurhond na had gekeken en dat er een huppel in de pas van de buurhond had gezeten die de hond op de een of andere manier had getroffen, terwijl (maar dat is niet belangrijk) de huppel in de pas van de buurhond puur gelegen lag in de overvolle blaas van diezelfde buurhond die pas bij precies de perfecte struik zou overgaan tot het doen van een bijzonder mooie en lange plas (maar ook dit doet er niet toe).
Ik stel me voor dat er, om het af te maken, een fruitvliegje traag aan was komen vliegen dat vanuit een onduidelijke maar typisch fruitvliegeske cirkelredenatie een daling had ingezet en op de neus van de hond was geland, zodat het ondraaglijk was gaan kriebelen en de hond zijns ondanks in de lach was geschoten.
Maar het kon natuurlijk ook zijn dat deze specifieke hond gewoon totaal niet in staat was een depressie langer dan 29 dagen vol te houden.
N. liet mij een foto zien van een glimlachende hond.
Ik wist niet dat het bestond.
"Ongelofelijk!", zei ik.
"Afijn, heel leuk dus, een hond", zei N.
