stukjes jacq

30 maart 2008

het geld van jacq

Eerst had ik een vrouw. Haar heb ik gedumpt. Het ging om geld. Ging zo. Dan gaf ik haar geld. Dan vroeg ik haar om Het te doen. Dan ging ze uitleggen hoe ik Het ook zelf kon doen. Dan begon ik er zelf aan. Dan dacht ik halverwege: hee, wacht eens even. Dan belde ik haar. Dan zei ik dat zij Het zelf maar moest doen ivm het geld dat ze daarvoor van mij had gekregen. Dan deed ze morrend datgene wat ze sowieso al had moeten doen.

Helder verhaal jacq.
Dumpen die bitch!

Dus toen belde ik een man, aangezien ik nu wel eens een man wilde. 'Voor hoeveel doe jij het', zei ik. 'Ik doe het voor de helft', zei de man. In zijn stem zat een vrolijke toon, zeg je dat zo. In mijn hoofd dacht ik: dit is een blije man. Een man van wie het niet bepaald likely was dat hij ooit een morrende attitude zou aannemen jegens mij. 'Ik kom er nu aan', zei ik. Dus ik kwam er nu aan. Ging zo van: hallo, ik ben die en die / hallo, ik ben die en die. De man lachte naar mij. Zijn haar zat slordig maar dat heb ik zelf ook wel eens. Ik schraapte mijn keel. 'Ik ben een ingewikkeld geval natuurlijk', zei ik. Zo leid ik mezelf altijd graag in bij de mensen, kunnen zij het mooi ontkennen. 'Ja, inderdaad', zei de man. Ik keek beteuterd maar ik herpakte mij. Ik keerde een tas met papieren op zijn bureau om en ik wenste hem succes. 'Maak je maar geen zorgen jacq', zei de man. Ik moest er haast van huilen. Maak je maar geen zorgen. Waarom zijn er niet veel meer mensen die dat tegen mij zeggen. Ik had hem haast een kus gegeven. Maar ik stak mijn hand uit, want ik ben natuurlijk ook malle pietje niet en er zijn sociale codes waar vrijwel iedereen zich aan houdt omdat het anders te verwarrend wordt.

14 maart 2008

update in vier bedrijven /3

4.
De realiteit. Versie 2.

Nou, nee, mijn moeder is helemáál niet meer in coma.
Dat zegt de neuroloog in het verpleeghuis.
Ze is wakker. Dit is wat ze is als ze wakker is, zegt de neuroloog. En dan iets over een accu die soms opflakkert maar het in het algemeen dus donders slecht doet.

Ik vind het ineens verbijsterend geloofwaardig, maar ik wil het eigenlijk niet geloven. Wie in coma is, kan in theorie nog wakker worden, zich in de ogen wrijven en zeggen: 'Hallo, wat is er allemaal gebeurd, wat doe ik hierzo.' Ik ken mijn soaps, ik was jaren verslaafd aan As The World Turns waarin volgens onderzoek zo'n 65 procent van de personages wel eens in coma heeft gelegen. Die deden het later allemaal weer prima, en konden ook heel goed hun tekst onthouden.

'Verwacht u dat het beter wordt', vraagt mijn vader.
'Je weet maar nooit, maar ik verwacht van niet', zegt de neuroloog.
'Dat zou wel jammer zijn', zegt mijn vader.
'Dat is inderdaad heel erg jammer', zegt de neuroloog.

Toch doet hij nog iets. De neuroloog schrijft een recept uit. Dopamine. Denk Oliver Sacks. Denk het boek/de film Awakenings. God, wat heb ik dat verhaal vroeger verslonden. En nu, mijn moeder. Het motto: we verwachten er niks van, maar je weet maar nooit.

'Maar het was echt een fijne man', zegt mijn vader, die fijne mensen heel belangrijk vindt en zich op dat moment nog even niet afvraagt hoe hij dit nieuwe gegeven nu weer uitlegt aan alle bellende familieleden en vrienden. Dat komt ook hierdoor: mijn moeder gaf de neuroloog een brede glimlach toen hij afscheid nam. Iedereen was er kapot van omdat het zo prachtig was. Ik ben er ook even kapot van. Totdat ik bedenk: tegen mij heeft ze nog nooit zo geglimlacht. Tegen mijn vader ook niet. Wij hebben geen idee of ze weet wie wij zijn.
Ik snap er geen ruk van.

'Zal ik een hondje nemen', zegt mijn vader later.
'Waarom niet', zeg ik.
'Ik wil gewoon dat er iets is als je thuiskomt waar je tegen kunt praten', zegt mijn vader.
'Ik zou het gewoon doen', zeg ik en ik google op hondjes. Google biedt altijd houvast voor wie zoekende is.

'En je kunt hem altijd naar mij brengen', zeg ik, terwijl ik in gedachten vast mijn excuses aanbied aan Boris V., die vanaf dat moment zijn dagen bovenop een kast zal slijten, en mij zo nu en dan op mijn hoofd zal spugen.

'Je moeder wou nooit een hond he', zegt mijn vader.
'Grijp je kans, ze kan nu toch niet protesteren', zeg ik.
Wij giechelen.

'Wat een toestand', zegt mijn vader.
'Zeg dat wel', zeg ik.

13 maart 2008

update in vier bedrijven /2

3.
De realiteit. Versie 1.

'Nou ja goed, uw moeder is naar mijn idee in een coma vigil', zegt de neurochirurg die graag termen gebruikt die de mensen tegenover hem niet kennen.

De neurochirurg is de man die afgelopen mei mijn in kritieke toestand verkerende moeder een dag later dan afgesproken opereerde, omdat er "een paar spulletjes" niet aanwezig waren. De dingen die daarop volgden hangen nog steeds tussen ons in. De boze ic-artsen die hoofdschuddend hun afkeuring lieten merken over de neurochirurg. Mijn vader die iets riep en wegliep van de ic voordat hij ergere dingen ging zeggen. Ik die schor kraste dat ik dit gelazer niet aan mijn moeders bed wilde. Mijn moeder, die daar raar en opgezwollen lag. Mijn moeders bed waaraan alleen maar dingen bliepten en piepten.
Hij weet het nog, wij weten het nog. Het is te merken aan ons geglimlach naar elkaar, als apen die hun tanden ontbloten om te laten zien dat ze het goed met elkaar voor hebben.

'Een coma vigil betekent een wakend coma', zeg ik tegen mijn vader. Ik heb me het afgelopen jaar helemaal de tyfus gegoogled.
'Een wakend coma, hmm', zegt mijn vader, die zich ondertussen zichtbaar afvraagt hoe hij dít in godsnaam weer uitlegt aan alle bellende familieleden en vrienden. Ik hoor het hem al zeggen tegen G., die hem het bloed onder de nagels telefoneert.
'F. zit in een wakend coma'
'Een wákend coma?!?!'
'Nou ja dat ze wakker is, maar ook weer niet.'
'Maar dat kán toch helemaal niet?!'
'Nou...'
'Heb je dat niet gezegd tegen de dokter, van: dat kán dus helemaal niet?!'
'Nou, kijk...'
'Ja dat moet je dus echt de volgende keer wel zeggen, hè!!!'


Mijn vader zucht. Ik ga rechtop zitten. 'In een coma vigil staren mensen wat voor zich uit', zeg ik tegen de neurochirurg. 'Als ik tegen mijn moeder zeg: kijk mij eens aan, dan kijkt ze me aan. En als ik zeg: kijk eens naar papa, dan kijkt ze naar pap... naar mijn vader.'
'En als je zegt: oh jee, het wordt al donker, dan kijkt ze naar buiten', zegt mijn vader.
Ik zie hem enthousiast worden.
'Klopt', zeg ik om te laten weten dat het klopt.
'Oh, en toen die keer dat ik haar het horloge had omgedaan!', zegt mijn vader.
'Dat is inderdaad een mooi verhaal', zeg ik tegen de neurochirurg. 'Toen zei ik voor de grap: F., hoe laat is het, en toen tilde ze haar arm op en keek op haar horloge!', zegt mijn vader.

We vallen stil. Maar onze ogen schieten heen en weer. Snel, meer voorbeelden! Meer voorbeelden!

'Toen met die nagel!', roep ik.
'Oh ja!', juicht mijn vader.
'Dat M. en ik tegen mekaar zeiden: wat heeft ze toch een rare ringvingernagel', zegt mijn vader.
'En wat deed ze toen', zeg ik als was ik een talkshowhost.
'Brengt ze zo haar hand voor haar gezicht, tuurt ze naar die nagel!', roept mijn vader.
'Weirde stuff hoor', zeg ik om aan te geven dat zelfs coole personen dit een aparte toestand vinden.

Triomfantelijk kijken wij de neurochirurg aan. Wij vinden zelf ook wel dat het bereslecht met mijn moeder gaat, maar wij willen de eer van mijn moeder wel hoog houden. Zeker tegenover deze man.

'Hoe kan dat dan!', zegt mijn vader.
'Hmm... ja', zegt de neurochirurg met het scheve lachje dat hij misschien wel reserveert voor momenten dat hij zich erg verveelt. Dan volgt een monoloog die nergens vandaan komt en nergens naartoe gaat. Het is een draaikolk, maar eentje waarin hij zichzelf zeer comfortabel voelt. Ten slotte zwijgt hij, maar met een rimpel van tegenzin op zijn voorhoofd.

'Maar hoe kán dat dan!', herhaalt mijn vader en zijn stem wordt hoog.
'Het is misschien toeval', zegt de neurochirurg.

'Nou, die man hoef ik dus ook niet meer te zien', zegt mijn vader als we de deur uit zijn.


4.
De realiteit. Versie 2.

Nou, nee, mijn moeder is helemáál niet meer in coma.
Dat zegt de neuroloog in het verpleeghuis.

[Morgen verder]

12 maart 2008

update in vier bedrijven /1

1.
Het schoot ineens door me heen hoe compleet logisch het zou zijn: als ik ons oude telefoonnummer van vroeger zou draaien, dat ik dan mijn moeder van vroeger aan de telefoon zou kunnen krijgen. Die dingen zijn niet mogelijk, maar dat zeiden ze vroeger van vliegen ook.


2.
Elke week droom ik wel een paar keer van mijn moeder. Altijd is ze wakker. Ze praat nog wat moeilijk, iets langzamer dan ze zelf zou willen. Maar ze staat, en ze loopt, en ze is maar een klein beetje verward over wat er allemaal gebeurd is. Een keer vond ik haar in een overvolle winkel, waar het huilen haar nader stond dan het lachen. De muziek stond ook veel te hard voor iemand die maanden in een coma had gelegen. Mijn hart brak. In alle dromen doe ik alsof het allemaal heel gewoon is, vooral om mijn moeder niet ongerust te maken. En in alle dromen stap ik even uit de scene en sla mijn handen voor mijn gezicht. 'Ik kan het niet geloven', zeg ik. 'Ik kan het niet geloven.'

3.
De realiteit. Versie 1.

'Nou ja goed, uw moeder is naar mijn idee in een coma vigil', zegt de neurochirurg die graag termen gebruikt die de mensen tegenover hem niet kennen.

[morgen verder]

09 maart 2008

het mekkeren van jacq /2

Allright, het tafeltennissen.

Ik weet niet eens meer hoe we op het idee waren gekomen om te gaan tafeltennissen, mijn vriendinnetje L. en ik. Normaal gesproken brachten wij onze avonden heel anders door. Dan fietsen wij via een van te voren vastgestelde route langs De Extreem Knappe Oudere Jongens die we nooit van onze levensdagen zouden durven aanspreken omdat we dan direct dood zouden neervallen. Omdat je toch íets moest, communiceerden wij als het ware via onze fiets met de Extreem Knappe Oudere Jongens. Heen en weer trapten wij door de straten in kwestie. Met maar één groot verlangen: een glimp van Hem te ontwaren. Mocht er overigens onverhoopt in de verte een Extreem Knappe Jongen buiten staan te stoepranden met zijn kleine zusje, dan remden we zo hard dat het slipte en sjeesden keihard de andere kant op. Daarna vielen we ademloos in een of andere berm, poetsten onze beslagen brillenglazen, en bespraken wat er nu weer allemaal gebeurd was. We bezagen het incident van de ene kant en van de andere kant, en kwamen tot de conclusie dat hij waarschijnlijk niet had omgekeken omdat hij er te verlegen voor was. Niets zweept de hartslag van een pubermeisje zo op als het idee dat de jongen van je dromen een gecompliceerd gevoelsleven heeft. En een klein zusje.

Ik denk dat het regende die avond en dat wij hadden besloten dat fietsen geen optie was, briltechnisch gezien. Ja, laten we besluiten dat het regende. Hoe dan ook, op enig moment op die regenachtige dinsdagavond bevonden L. en ik ons aan weerszijden van een tafeltennistafel in het wijkcentrum. Naast de tafel stonden twee puisterige puberjongens van onze eigen leeftijd waarvoor wij begrijpelijkerwijs een onmetelijke minachting voelden.

'Hebben jullie wel eens eerder getafeltennisd', vroeg een van de puisterige jongens.
Ik kon het me niet herinneren.
Ik keek L. aan.
L. keek terug naar mij.
'Zeg jij het?', zei L. tegen mij.
'Nee, zeg jij het maar', zei ik tegen L.
'Wij zijn eigenlijk tafeltennniskampioenen', zei L.
Ik viel plat voorover op de tafeltennistafel.
Ik herstelde mij.
Ik duwde mijn bril omhoog.
'Oh, is dat echt', zei de andere puisterige jongen.
'Ja hoor dat is echt, jeetje', zei L. verontwaardigd
'Waarom zouden we liegen jeetje zeg', zei ik verontwaardigd.
'Nee oké, oké, was gewoon een vraag', zei de andere puisterige jongen.

De jongens deden een stapje achteruit.
Ik liet het balletje op de tafeltennistafel vallen.
Het stuiterde een paar keer omhoog.
L. keek benauwd.
Ik greep het balletje met mijn rechterhand en blies ertegen.
Ik liet het balletje weer op de tafeltennistafel vallen.
Het stuiterde een paar keer omhoog.
L. keek benauwd.
'Hee kijk daar staat je vader', wees L.
Ik draaide me naar de deur.
De ene en de andere jongen draaiden zich ook naar de deur.
De deur was dicht.
'Hij loopt net weer weg', zei L.
'Oh mijn vader zoekt mij', zei ik.
'Dan moeten we dus nu weg', zei L.
'Ja ik had met me vader afgesproken', zei ik.
L. en ik begonnen te rennen.
'Haar vader is heel streng!', riep L. achterom naar de ene en de andere jongen.
'Oké, tot later', riep de ene jongen.
'Wij zijn hier straks ook nog', riep de andere jongen.

L. en ik renden totdat we niet verder konden. Slap van het lachen hingen we over een bankje in de kleedkamer. 'Ik doe het in mijn broek', zei ik. 'Ik ook', zei L. Toen ging de deur open en kwam er een man in een sportbroekje binnen. Dus toen vielen we een soort van flauw, maar dat is logisch.

De volgende avond regende het weer.
Toch gingen we fietsen, omdat je nu eenmaal wel aan een relatie moet werken om hem te laten slagen. (Als vrouw weet je zulke dingen al op jonge leeftijd.)

07 maart 2008

wat jacq zoal meemaakt

Oh man, ik heb geen idee meer waar het heen ging met die hele fokking tafeltennis, komt nog wel.

Voor ondertussen:

* 'Dus toen draaide ik zijn nek om en toen was hij dood' (meisje op plein voor Kantoor)
* 'Het is altijd fijn als iemand zijn schouders om je heen slaat' (het kappersmeisje)
* 'Als je dit publiceert maak ik je helemaal kapot' (man op Kantoor)
* 'Nou, fokking eet smakelijk dan' (vriendin 1)
* 'Ik ben een beetje misselijk' (Boris V.)

04 maart 2008

het mekkeren van jacq

De laatste keer dat ik tafeltenniste was toen ik dertien was. Op een regenachtige dinsdagavond togen mijn vriendinnetje L. - die luttele weken later een soortement van aartsvijandin zou worden want zo gaan die dingen tussen meisjes in de puberteit - en ik naar het wijkcentrum. Het wijkcentrum kende ik normaal gesproken alleen van de stoere mannen die er de hele dag aan de bar zaten en die in retrospectief dus gewoon vette losers waren zonder baan of enige andere vorm van dagbesteding.

Die avond zaten ze er weer. Of nog. Of al. Hoe dan ook, ze zaten er, op hun eigen stoere wijze vastgeplakt aan hun barkruk. Giechelend liepen mijn vriendinnetje L. en ik langs de mannen. Daar hadden wij eigenlijk niet echt de stoere mannen aan de bar voor nodig. Wij giechelden constant, de hele dag. In zekere zin klonken wij als lammeren die klaaglijk mekkerden, maar als iemand dat toen gezegd had, waren wij er vast ongelovig om gaan giechelen.

In de klas was het het ergst. Wij hadden niks nodig. Een jongen die zijn neus ophaalde. Een propje dat laf naast ons neerviel. Een snor op Jerney Kaagman in mijn agenda. En de leraar hoefde maar een piepgeluid met zijn schoenzool te maken of wij barstten uit in een benauwde schaterlach, die niet wilde stoppen en dus ook niet als de leraar heel boos werd. Pas bij de conrector, bij wie we ons soms moesten melden, werden we bleek en stil. (De conrector was iemand die jouw hele toekomst kats kapot kon maken, tenminste dat ervoeren wij destijds heel sterk.) Maar zo gauw we buiten zijn deur stonden, kwam er te veel lucht in onze wangen en vielen wij slap en onmachtig van deze of gene trap.

In de meeste gevallen was het onszelf geheel onduidelijk waarom wij lachten. Verbijsterd ondergingen wij de lach. Wij waren eraan overgeleverd en moesten wachten tot we veertien zouden worden, en langzaam depressief.

[wordt vervolgd, o.i.d]