stukjes jacq

14 maart 2008

update in vier bedrijven /3

4.
De realiteit. Versie 2.

Nou, nee, mijn moeder is helemáál niet meer in coma.
Dat zegt de neuroloog in het verpleeghuis.
Ze is wakker. Dit is wat ze is als ze wakker is, zegt de neuroloog. En dan iets over een accu die soms opflakkert maar het in het algemeen dus donders slecht doet.

Ik vind het ineens verbijsterend geloofwaardig, maar ik wil het eigenlijk niet geloven. Wie in coma is, kan in theorie nog wakker worden, zich in de ogen wrijven en zeggen: 'Hallo, wat is er allemaal gebeurd, wat doe ik hierzo.' Ik ken mijn soaps, ik was jaren verslaafd aan As The World Turns waarin volgens onderzoek zo'n 65 procent van de personages wel eens in coma heeft gelegen. Die deden het later allemaal weer prima, en konden ook heel goed hun tekst onthouden.

'Verwacht u dat het beter wordt', vraagt mijn vader.
'Je weet maar nooit, maar ik verwacht van niet', zegt de neuroloog.
'Dat zou wel jammer zijn', zegt mijn vader.
'Dat is inderdaad heel erg jammer', zegt de neuroloog.

Toch doet hij nog iets. De neuroloog schrijft een recept uit. Dopamine. Denk Oliver Sacks. Denk het boek/de film Awakenings. God, wat heb ik dat verhaal vroeger verslonden. En nu, mijn moeder. Het motto: we verwachten er niks van, maar je weet maar nooit.

'Maar het was echt een fijne man', zegt mijn vader, die fijne mensen heel belangrijk vindt en zich op dat moment nog even niet afvraagt hoe hij dit nieuwe gegeven nu weer uitlegt aan alle bellende familieleden en vrienden. Dat komt ook hierdoor: mijn moeder gaf de neuroloog een brede glimlach toen hij afscheid nam. Iedereen was er kapot van omdat het zo prachtig was. Ik ben er ook even kapot van. Totdat ik bedenk: tegen mij heeft ze nog nooit zo geglimlacht. Tegen mijn vader ook niet. Wij hebben geen idee of ze weet wie wij zijn.
Ik snap er geen ruk van.

'Zal ik een hondje nemen', zegt mijn vader later.
'Waarom niet', zeg ik.
'Ik wil gewoon dat er iets is als je thuiskomt waar je tegen kunt praten', zegt mijn vader.
'Ik zou het gewoon doen', zeg ik en ik google op hondjes. Google biedt altijd houvast voor wie zoekende is.

'En je kunt hem altijd naar mij brengen', zeg ik, terwijl ik in gedachten vast mijn excuses aanbied aan Boris V., die vanaf dat moment zijn dagen bovenop een kast zal slijten, en mij zo nu en dan op mijn hoofd zal spugen.

'Je moeder wou nooit een hond he', zegt mijn vader.
'Grijp je kans, ze kan nu toch niet protesteren', zeg ik.
Wij giechelen.

'Wat een toestand', zegt mijn vader.
'Zeg dat wel', zeg ik.