het mekkeren van jacq
De laatste keer dat ik tafeltenniste was toen ik dertien was. Op een regenachtige dinsdagavond togen mijn vriendinnetje L. - die luttele weken later een soortement van aartsvijandin zou worden want zo gaan die dingen tussen meisjes in de puberteit - en ik naar het wijkcentrum. Het wijkcentrum kende ik normaal gesproken alleen van de stoere mannen die er de hele dag aan de bar zaten en die in retrospectief dus gewoon vette losers waren zonder baan of enige andere vorm van dagbesteding.
Die avond zaten ze er weer. Of nog. Of al. Hoe dan ook, ze zaten er, op hun eigen stoere wijze vastgeplakt aan hun barkruk. Giechelend liepen mijn vriendinnetje L. en ik langs de mannen. Daar hadden wij eigenlijk niet echt de stoere mannen aan de bar voor nodig. Wij giechelden constant, de hele dag. In zekere zin klonken wij als lammeren die klaaglijk mekkerden, maar als iemand dat toen gezegd had, waren wij er vast ongelovig om gaan giechelen.
In de klas was het het ergst. Wij hadden niks nodig. Een jongen die zijn neus ophaalde. Een propje dat laf naast ons neerviel. Een snor op Jerney Kaagman in mijn agenda. En de leraar hoefde maar een piepgeluid met zijn schoenzool te maken of wij barstten uit in een benauwde schaterlach, die niet wilde stoppen en dus ook niet als de leraar heel boos werd. Pas bij de conrector, bij wie we ons soms moesten melden, werden we bleek en stil. (De conrector was iemand die jouw hele toekomst kats kapot kon maken, tenminste dat ervoeren wij destijds heel sterk.) Maar zo gauw we buiten zijn deur stonden, kwam er te veel lucht in onze wangen en vielen wij slap en onmachtig van deze of gene trap.
In de meeste gevallen was het onszelf geheel onduidelijk waarom wij lachten. Verbijsterd ondergingen wij de lach. Wij waren eraan overgeleverd en moesten wachten tot we veertien zouden worden, en langzaam depressief.
[wordt vervolgd, o.i.d]