stukjes jacq

09 maart 2008

het mekkeren van jacq /2

Allright, het tafeltennissen.

Ik weet niet eens meer hoe we op het idee waren gekomen om te gaan tafeltennissen, mijn vriendinnetje L. en ik. Normaal gesproken brachten wij onze avonden heel anders door. Dan fietsen wij via een van te voren vastgestelde route langs De Extreem Knappe Oudere Jongens die we nooit van onze levensdagen zouden durven aanspreken omdat we dan direct dood zouden neervallen. Omdat je toch íets moest, communiceerden wij als het ware via onze fiets met de Extreem Knappe Oudere Jongens. Heen en weer trapten wij door de straten in kwestie. Met maar één groot verlangen: een glimp van Hem te ontwaren. Mocht er overigens onverhoopt in de verte een Extreem Knappe Jongen buiten staan te stoepranden met zijn kleine zusje, dan remden we zo hard dat het slipte en sjeesden keihard de andere kant op. Daarna vielen we ademloos in een of andere berm, poetsten onze beslagen brillenglazen, en bespraken wat er nu weer allemaal gebeurd was. We bezagen het incident van de ene kant en van de andere kant, en kwamen tot de conclusie dat hij waarschijnlijk niet had omgekeken omdat hij er te verlegen voor was. Niets zweept de hartslag van een pubermeisje zo op als het idee dat de jongen van je dromen een gecompliceerd gevoelsleven heeft. En een klein zusje.

Ik denk dat het regende die avond en dat wij hadden besloten dat fietsen geen optie was, briltechnisch gezien. Ja, laten we besluiten dat het regende. Hoe dan ook, op enig moment op die regenachtige dinsdagavond bevonden L. en ik ons aan weerszijden van een tafeltennistafel in het wijkcentrum. Naast de tafel stonden twee puisterige puberjongens van onze eigen leeftijd waarvoor wij begrijpelijkerwijs een onmetelijke minachting voelden.

'Hebben jullie wel eens eerder getafeltennisd', vroeg een van de puisterige jongens.
Ik kon het me niet herinneren.
Ik keek L. aan.
L. keek terug naar mij.
'Zeg jij het?', zei L. tegen mij.
'Nee, zeg jij het maar', zei ik tegen L.
'Wij zijn eigenlijk tafeltennniskampioenen', zei L.
Ik viel plat voorover op de tafeltennistafel.
Ik herstelde mij.
Ik duwde mijn bril omhoog.
'Oh, is dat echt', zei de andere puisterige jongen.
'Ja hoor dat is echt, jeetje', zei L. verontwaardigd
'Waarom zouden we liegen jeetje zeg', zei ik verontwaardigd.
'Nee oké, oké, was gewoon een vraag', zei de andere puisterige jongen.

De jongens deden een stapje achteruit.
Ik liet het balletje op de tafeltennistafel vallen.
Het stuiterde een paar keer omhoog.
L. keek benauwd.
Ik greep het balletje met mijn rechterhand en blies ertegen.
Ik liet het balletje weer op de tafeltennistafel vallen.
Het stuiterde een paar keer omhoog.
L. keek benauwd.
'Hee kijk daar staat je vader', wees L.
Ik draaide me naar de deur.
De ene en de andere jongen draaiden zich ook naar de deur.
De deur was dicht.
'Hij loopt net weer weg', zei L.
'Oh mijn vader zoekt mij', zei ik.
'Dan moeten we dus nu weg', zei L.
'Ja ik had met me vader afgesproken', zei ik.
L. en ik begonnen te rennen.
'Haar vader is heel streng!', riep L. achterom naar de ene en de andere jongen.
'Oké, tot later', riep de ene jongen.
'Wij zijn hier straks ook nog', riep de andere jongen.

L. en ik renden totdat we niet verder konden. Slap van het lachen hingen we over een bankje in de kleedkamer. 'Ik doe het in mijn broek', zei ik. 'Ik ook', zei L. Toen ging de deur open en kwam er een man in een sportbroekje binnen. Dus toen vielen we een soort van flauw, maar dat is logisch.

De volgende avond regende het weer.
Toch gingen we fietsen, omdat je nu eenmaal wel aan een relatie moet werken om hem te laten slagen. (Als vrouw weet je zulke dingen al op jonge leeftijd.)