stukjes jacq

29 oktober 2007

jacq heeft dus toestemming

'En ik ben weer onder de zestig kilo HOERA! HOERA!', zei ik.
'Ik ben 57,6', zei vriendin 1, die altijd tot op de gram weet hoeveel ze weegt en, erger nog, na elke plas op de weegschaal gaat staan. Mooi is dat eigenlijk, dat ik een weblog heb, waarop ik geheime dingen over vriendin 1 kan vertellen, terwijl vriendin 1 zelf dus geen weblog heeft waarop ze geheime dingen over mij kan vertellen.

Vorige week werd ik ineens heel bang.

'Zeg, hoe doe je dat, zo een weblog beginnen', zei vriendin 1 totally vanuit het niets.
'Oh, dat is heeeel erg ingewikkeld', zei ik.
'Hoezo', zei vriendin 1.
'Nou je moet eerst toestemming hebben en zo', zei ik.
'Van wie', zei vriendin 1.
'De koningin', zei ik.
'Jee', zei vriendin 1.
'En een uittreksel uit het bevol...', zei ik.
'Pfff!!!', zei vriendin 1.
'Nou, ik ga even plassen', zei vriendin 1.

Dus daar kwam ik mooi van af.

23 oktober 2007

jacq is een junkie

Like i said, lieve mensen, ik bevond mij in mijn auto, op een industrieterrein, op de parkeerplaats van de McDonalds, precies tegenover de plaatselijke gevangenis. Ben ik nu op mijn dieptepunt aanbeland, dacht ik, terwijl ik een hap van mijn hamburger nam. Ja, dacht ik. En dat was een heel geruststellende gedachte, omdat je nu eenmaal vanuit een dieptepunt alleen nog maar omhoog kunt. (Tenzij je bijv. een paar weken later bij jezelf moet erkennen: neen, dat van een paar weken terug was toch nog niet het dieptepunt, het kon nog veeeel erger! Maar enfin, wie dan leefde, wie dan zorgde.)

Ik kauwde op mijn junkfood en ik staarde naar de gevangenis. Maar ik staarde met meer belangstelling dan ik ooit naar een gevangenis had gestaard. Dat komt omdat ik, hopelijk kortstondig, maar hevig verslaafd ben geraakt aan Prison Break.

Dat is die serie waarin een man in de dodencel zit, en dat zijn broertje dan zorgt dat hij in dezelfde gevangenis terechtkomt, niet zeauzeer voor de gezelligheid, maar dus om zijn broer in de dodencel te bevrijden, met hulp van het gangenstelsel van de prison, dat hij op zijn hele lichaam heeft laten tatoeren! Dit gegeven vind ik afwisselend fascinerend en te stupide voor woorden; je kunt immers ook gewoon een briefje in je zak stoppen met een gangenstelsel erup, maar je moet je natuurlijk wel realiseren dat het mannen zijn, en die zitten best ingewikkeld in elkaar.

Enfin, ik meende in aflevering 1 dat de daadwerkelijke prison break elk moment kon gaan plaatsvinden, of dan wellicht dus in aflevering 2, of dan in elk geval zekerrs te weten in aflevering 3. Ik ben nu bij aflevering 17 aanbeland en ze zitten er gvd nog steeds! En die arme dodencelbroer is al een keer bijna op de stoel geelektrocuteerd ook! Jongens, jongens, kom op nou, hoe moeilijk kan het zijn om uit een freakin' gevangenis te ontsnappen?! Nou, best moeilijk denk ik eigenlijk, hihi!

Ik staarde naar de gevangenis en dacht aan de gevangenen en of zij ook Prison Break zouden mogen kijken in de gevangenis. En zo nee, waarom dan niet. Was men bang dat de gevangenen op ideeen zouden komen, en de ochtend daarna groepsgewijs peinzend naar de schroefjes van hun wc zouden gaan staren? En als het wel mocht, was Prison Break dan een soortement van verzetje voor de gevangenen? Of juist een ongemakkelijke confrontatie met de eigen lamlendige staat van hanggevangene, die niets met zijn handen deed, behalve dan het met de duim zappen naar Prison Break? Waar de gevangenisdokters knap en gewillig zijn. En vrouwelijk, verdomme. Het leven is zo oneerlijk als je niet in een serie speelt.

Nergens zag ik uitkijkposten, met lichtbundels die over luchtplaatsen zwierden. Misschien was dit een gevangenis voor gevangenen die het wel best vonden allemaal. Of hadden de gevangenen in deze gevangenis zoiets van: ja, zeker uitbreken en dan zo over de ringweg proberen te ontkomen. Hoe onromantisch is dat?! Zo zie je maar weer dat ook gevangenen best wel verpest zijn door de tv.

Je tijd uitzitten, en er het beste maar van maken, dat is het devies, dacht ik, toen ik mijn laatste stukje hamburger doorslikte.

22 oktober 2007

het dieptepunt van jacq

Ik bevond mij in mijn auto, op een industrieterrein, op de parkeerplaats van de McDonalds, precies tegenover de plaatselijke gevangenis.

Ben ik nu op mijn dieptepunt aanbeland, dacht ik, terwijl ik een hap van mijn hamburger nam. Ja, dacht ik. En dat was een heel geruststellende gedachte, omdat je nu eenmaal vanuit een dieptepunt alleen nog maar omhoog kunt.

(Tenzij je bijv. een paar weken later bij jezelf moet erkennen: neen, dat van een paar weken terug was toch nog niet het dieptepunt, het kon nog veeeel erger! Maar enfin, wie dan leefde, wie dan zorgde.)

15 oktober 2007

de pols van jacq

We zouden er een ouderwets gezellig avondje van maken en dus kregen we bijna direct ruzie.

Dat we trouwens niet direct, stante pede, du moment ruzie kregen, kwam door het vijfjarige kind van de overbuurvrouw, dat toen ik het portier opengooide begon te jengelen: 'Waar ga je naartoehoe????!!!'. Dit voorval schiep een tijdelijke band tussen vriendin 1 en mij en aldus een korte vertraging van de ruzie.

'Wat een irritant kutkind is dat zeg', zei ik.
'Iik vind het ook fucking onbeleefd', zei vriendin 1.
'Ik bedoel: vijf jáár! Dan kun je toch onderhand gewoon normaal doen!', riep ik.
'En wat heeft zij daarmee te maken waar ik naartoe ga!?!?!', riep vriendin 1.
'Moet je gewoon zeggen gaat je niks aan rotkind!', riep ik.
'Volgens mij moet ze het trouwens vragen van haar moeder', zei vriendin 1.
'Ja, haha, dat dacht ik ook direct!', riep ik.

Ik reed de straat uit.

'Duuus', zei vriendin 1.
'Ja, duuuus', zei ik.
'Jij nog wat te melden', zei vriendin 1 afgemeten.
'Niet bepaald', zei ik koeltjes.
'En jij', vroeg ik.
'Nee hoor. Nee', zei vriendin 1 beleefd.
'Fijn hoor, heel fijn', zei ik.

Dat was de aanloop. Een kwartier later riepen we verhit dingen tegen elkaar, die ik nu ook niet meer kan verklaren omdat ze min of meer uit de lucht kwamen vallen.

'Jij bent een hypochonder met je kuch kuch oh dokter heb ik longkanker!', riep ik.
'Jij niet zeker, met dat je elk moment dood kan neervallen!', riep vriendin 1.
'Ik! Blijf! Daar heel nuchter onder!', riep ik gekwetst.

Daarna voelde ik aan mijn pols en nam mijn hartslag op.
Vriendin 1 deed hetzelfde met haar eigen pols.
Onze hartslagen waren niet okidoki.
'Ik zeg nu een tijdje niets tegen jou', zei ik.
'Ik hou ook even mijn mond' zei vriendin 1.
Het werd heel rustig, ook in onze polsen.

Uiteindelijk reed ik vriendin 1 naar huis, zongen we achtstemmig Fire van The Pointer Sisters, met vele special effects, vroegen ons nog maar weer eens verbijsterd af waarom we niet al jaaajren geleden ontdekt waren door een platenbaas, en namen zeer, zeer ingenomen met onszelf en elkaar afscheid.

11 oktober 2007

de avonturen van zuster jacq /4

'Waar moet u naartoe', zei ik.
Een arm kwam omhoog en wapperde naar de deur links.
'U moet door die deur?', zei ik overbodig.
'Mmmm', zei de man en dat vatte ik op als een volmondig ja. Ik zocht in mijn tas naar het ding. 'Een moment', zei ik en ik wisselde van hand. Mijn geknakte linkerwijsvinger is voor een deel gevoelloos. Tastzin is heel belangrijk bij het zoeken naar het ding. 'Nog een moment', zei ik. 'Mmm', zei de man, en dat vatte ik op als doe maar rustig aan. 'Nog een moment', zei ik, om de man op de hoogte te houden. En toen ik dat nog drie keer had gezegd, voelde ik het ding, trok het uit mijn tas en hield het voor een ander ding.

De deur vloog open en ik moest de de rolstoel een flinke schop achteruit geven om te voorkomen dat de man een oplawaai zou krijgen.
'Hahaha', riep ik nerveus terwijl ik een sprintje trok naar de willoos achteruit rijdende man.
'Het is helemaal niet grappig', zei ik.
'Waar moet u zijn', zei ik.
De man zei niks.
'Oke', zei ik en ik begon te duwen.

In de lange gang waren alleen kamers aan de linkerkant. Er ontspon zich een levendig gesprek waarin ik bij elke volgende deur zei 'Moet u hier zijn', en waarin de man dan telkens niks zei, hetgeen ik gevoelsmatig opvatte als nee. Toen de gang bijna voorbij was, begon ik me af te vragen of ik wel daar goed mee zat, gevoelsmatig gezien. Ik begon een beetje in mezelf te praten, want dat doe ik vaak bij twijfelsituaties.
'Er zijn haast geen kamers meer over', zei ik.
'Straks is dit de verkeerde gang', zei ik.
'Er zijn haast geen kamers meer over', zei ik.
'Straks is dit de verkeerde gang', zei ik.
De man hield wijselijk zijn mond.

Toen brak de allerlaatste deuropening aan.
'Zeg me dat u hier moet zijn', zei ik wanhopig.
'Jah', zei de man.
Dus dat was mooi.
Ik reed hem naar binnen.
De man wapperde in de richting van de televisie.
'Moet ik de tv aanzetten', zei ik.
'Jah', zei de man.
De televisie sprong aan. Lingo.
'Heeft u nog voorkeur', zei ik.

Ikzelf heb altijd voorkeur. Ik zou helemaal gek worden om te worden veroordeeld tot een televisiezender waarnaar ik niet wil kijken. Vroeger, ja ok vroeger toen deden we dat, want je had geen keuze. Maar nu, oh nee. Ik heb altijd voorkeur.

'Neh', zei de man die er direct al helemaal in verdiept was.
'Echt niet', zei ik ongelovig.
'Neheeh', zei de man.

En toen stak hij het puntje van zijn tong uit zijn mond en zijn ene voet uit. De man bleek ineens buitengewoon gemakkelijk met een rolstoel om te kunnen gaan: met de tenen van zijn pantoffel draaide hij de rolstoel zo dat hij precies goed zat voor de televisie. Stukje naar achter, stukje naar links, stukje terug. Ontspannen zakte hij achterover.

'Nou, dan ga ik maar', zei ik.
De man keek niet op of om.
Rolstoelduwer zijn, dat is een heel ondankbaar beroep, dacht ik.
Wantrouwend keek ik over mijn schouder.
Ik meende dat ik de man 'Hihi' hoorde zeggen.
Maar dat kan ook zijn om iets wat op de tv was.
Want dingen gaan niet altijd over mij natuurlijk.
(Wel vaak.)

08 oktober 2007

de avonturen van zuster jacq /3

Toen was er de man in de rolstoel die help zei.

Het is een soort van wet dat mensen in rolstoelen altijd geparkeerd staan met het gezicht naar een muur, als om de situatie nog eens extra schrijnend te maken. Ik zag alleen een linkerarm, en een stukje van het haar van de man. 'Help', zei de man, toen hij mij aan hoorde komen klikklakken. Meestal loop ik op mijn tenen in het verpleeghuis. Het ziet er vast niet uit, maar het klinkt minder frivool - en dus minder alsof ik wel een leven heb en zij niet. Wie klikklakt, kan rekenen op hoofden die vanuit kamertjes omhoog gaan, en dan weer langzaam naar beneden zakken. Ik kan dat slecht hebben. Maar nu was ik van mijn moeder op weg naar mijn leven dat ik heb, en ik zat er al een beetje in. Ik vergat op mijn tenen te lopen.

'Help', zei de man nog eens, op de toon van iemand naar wie toch nooit wordt geluisterd. Het klonk als een reflex, een onwillekeurige reactie op het horen van een ander levend wezen, en zonder enige hoop op een antwoord.

Ik snakte naar mijn eigen leven dat er karig van af komt deze maanden. Maar ik had nog geen goede daden gedaan die dag - en ik geloof in het doen van goede daden, net als Jezus C. dus eigenlijk. Ik boog me naar de man toe, die zelf voorovergebogen bleef zitten.

'Moet ik u ergens mee helpen', zei ik.
'Help', zei de man.
Ik rolde met mijn ogen (maar dat kon hij toch niet zien wegens voorovergebogen you know).
'Waar moet u naartoe', zei ik.
Een arm kwam omhoog en wapperde naar de deur links.
'U moet door die deur?', vroeg ik overbodig.
'Mmmm', zei de man en dat vatte ik op als een volmondig ja. Ik zocht in mijn tas naar het ding.

[Ik vertel jullie iets over het ding. Met het ding gaan alle deuren voor je open, tenminste als het ding er die dag zelf ook zin in heeft. Soms hoor je een klik in de deur en daarna gebeurt er niets. De dag erna vliegt elke deur je haast tegen het gezicht aan, als je niet wegspringt. Het ding is onberekenbaar, en lijkt in die zin wel wat op een vrouw. Verder zit het ding in mijn rechtervoorvakje, en ik kan het nooit vinden. Ik heb erover gedacht om het ding aan mijn grote sleutelbos te hangen, maar iets in mij komt daartegen in opstand, voornamelijk omdat ik het ding en dus het verpleeghuis dan de hele dag tegenkom in mijn eigen leven. Ik wil het ding alleen tegenkomen als ik mijn eigen leven uitstap en het andere leven in stap. Natuurlijk werkt dat niet; ik kom het ding de hele dag tegen als ik voor iets anders in mijn rechtervoorvakje moet zijn. En als ik het ding nodig heb, is het ding onvindbaar. Woedend word ik daarvan, van het voelen met mijn vingers in het rechtervoorvakje en dan niks vinden. Ik krijg dan zin om te gaan schreeuwen, mijn tas om te draaien en alles wat erin zit er keihard uit te schudden en kapot te trappen. Iets weerhoudt mij, ik denk gewoon fatsoen of zo. Plus er zit ook best een duur doosje oogschaduw in.]

04 oktober 2007

de avonturen van zuster jacq /2

'Moet ik u even helpen', zei ik.
'Ja dat lijkt me wel', riep de vrouw.
'Ik ben anders geen verpleegster hoor!', riep ik, direct chagrijnig.
[...]
'Oh...', zei de vrouw bedrukt.
'Maar ik wil u wel even helpen', zei ik vergevingsgezind, want ik vergeef dus heel snel.

Ik wurmde me langs de rolstoel heen naar buiten en pakte de handvatten. Ik duwde. De drempel was hoog. In mijn hoofd popte een passend filmpje up, van hoe ik steeds harder zou duwen, totdat de rolstoel eindelijk de drempel nam, en wel met zo een vaart dat de vrouw zo hups kats voorover uit de stoel zou donderen. (Ooit heb ik zo midden op de spoorbaan een peuter uit zijn wandelwagen gelanceerd. Hij brulde, zoals peuters kunnen brullen. Maar mijn gene deed meer pijn dan het gat in zijn knie, tenminste als ik het vanuit mezelf bekijk.) Ik maak niet graag lawaai, en dat er dan mensen op af komen. Maar de vrouw, zij moest. Ik sloot mijn ogen, ik kneep mijn lippen op elkaar, en ik duwde.

Toen was de vrouw ineens binnen, en de film was niet waar gebeurd.
'Hehe', zei ik.
'Dankuwel', zei de vrouw.
'Graag gedaan hoor!', riep ik.
'Sorry hoor dat ik dat zei', zei de vrouw.
'Oh nee dat geeft niet!', riep ik.
'Nou ja, toch sorry', zei de vrouw.
'Geeft niet', zei ik.
'Sorry, ik wist niet dat u geen...', zei de vrouw.
'Dat geeft niet, dat kon u ook niet aan me zien toch', zei ik.
'Nee', zei de vrouw.
'Niemand draagt hier witte jassen', zei ik.
'Nee', zei de vrouw.
'Maar toch sorry', zei de vrouw.
'Nu moet ik gaan', zei ik.
'Sorry', zei de vrouw.
'Dag hoor', zei ik.
'Dag', zei de vrouw.
Ik liep al door.
Zij reed al weg.
'En nog sorry', zei de vrouw.
'JAAAAAAAA HAAAAAAA!!!', riep ik.
'Sorry', zei de vrouw.

02 oktober 2007

de avonturen van zuster jacq

Ze denken altijd dat ik een zuster ben. Geen enkele zuster draagt er wit, dus ik zou ook net zo goed een zuster kunnen zijn.

Maar al zouden de zusters er wel wit dragen, dan nog zouden ze het denken. Ik weet dat omdat het me altijd gebeurt. Op vele plaatsen denken mensen dat ik er hoor, en dat ik meer weet dan zij. In winkels denken mensen ook altijd dat ik een verkoopster ben. Het moet iets te maken hebben met hoe ik in de ruimte ben. Ik maak te veel oogcontact. Waar andere mensen winkelen en alleen met zichzelf zijn, sta ik te lang stil tussen de kledingrekken, en ik staar. (Of ik rangschik hangertjes, en inderdaad, dan vraag je er natuurlijk ook om.)

Ik heb het ook in bibliotheken. Ik heb het zeker op NS-stations. En ik zou het beslist kunnen hebben op vliegvelden, ware het niet dat ik dan zelf net iets te druk ben met rennen. Het is nog net niet zo dat mensen in bushokjes denken dat ik de buschauffeur ben, maar dat komt waarschijnlijk omdat buschauffeurs ook eigenlijk nooit in bushokjes staan. Hebben alle buschauffeurs zelf auto's die hen naar de bus brengen? Als ik eenmaal in een bus had gereden, zou ik nooit meer in een gewone auto durven. Ooit kende ik een buschauffeur die minachtend snoof bij elke personenwagen, omdat hij wist dat hij hem gemakkelijk zou kunnen verpletteren als hij niet op zijn rem zou gaan staan. Als je eenmaal groot leeft, slaat het kleine nergens meer op denk ik.

'Allemachtig', zei de vrouw die met haar rolstoel half op de drempel van het balkon vast zat. 'Eindelijk, waarom duurde het zo lang voordat je kwam!', riep de vrouw. Ze draaide onmachtig aan een wiel en gromde. Ik keek om me heen. Er was niemand anders. 'Moet ik u even helpen', zei ik. 'Ja dat lijkt me wel', riep de vrouw. 'Ik ben anders geen verpleegster hoor!', riep ik, direct chagrijnig.

Ik ben denk ik niet in de wieg gelegd voor zuster, flitste het door me heen. Mijn hele dag zou een aaneenschakeling zijn van gekwetst deuren dichtslaan. Kleedt u zich dan zelf maar aan mevrouw X! Oh, nou dan wassen we u toch lekker niet, meneer Y! Vreselijk zeg, wat een leven voor die oudjes.