stukjes jacq

27 februari 2007

jacq kan niet goed met kou

[Deze hadden jullie nog van mij te goed, van waaaay back before de down under sitation.]

Elke keer als er een verwarmingsmonteur langskomt voor een onschuldige jaarlijkse controle, dan gaat een paar dagen daarna mijn kachel kapot. Is dat toeval? Is dat noodlot? Is dat omdat de verwarmingsmonteurs waarmee ik te maken heb, slechts de ééndaagse workshop 'Klussen met verwarmingsinstallaties' hebben gevolgd, en daarna direct op stage mochten? Of is het allemaal kwade opzet, zoals de meeste dingen in het leven?

Hoe dan ook: ik zat er maar mooi mee. Ik ben een warm persoon en ik kan niet goed met kou. Ik hing daarom direct aan de telefoon. En nadat ik zeven keren was doorverbonden, kwam de verlossing: ze zouden iemand sturen. En ze stuurden inderdaad iemand, want op een goed moment hoorde ik dwars door het dunne ijslaagje dat zich op mijn oren had gevormd, de deurbel. Eerst zag ik niemand. Ik keek de straat in. Een windvlaag trok mij over de knieeen. 'Hallooo', zei een iel stemmetje beneden mij. Ik keek naar beneden. Vlak voor mij stond een overduidelijk Vietnamees mannetje, met een overduidelijk verwarmingsmonteurskoffertje in zijn hand. 'U had een verwarmingsprobleem?', zei het mannetje. In zijn stem klonk een klein beetje hoop dat het verwarmingsprobleem zichzelf inmiddels had opgelost. 'Inderdaad heb ik een verwarmingsprobleem', zei ik. 'Komt u vooral binnen.'

Teleurgesteld maar gelaten betrad de verwarmingsmonteur mijn huis. Ik wees hem de weg naar de ketel. De verwarmingsmonteur tuurde omhoog, en vroeg om een laddertje. Ik bracht hem het laddertje. Daarna opende ik mijn mond om de monteur het verhaal van de kapotte kachel te vertellen. Ik draai in principe mijn hand niet om voor een sappig verhaal, en verheugde mij op de wedervragen van de monteur, waarop ik vervolgens weer zou kunnen reageren met terzake doende details aangaande de situatie ter plaatse. 'Op een avond...', begon ik. En toen besefte ik dat er helemaal geen sappig verhaal in mijn kapotte verwarming zat. 'Nou ja, hij deed het ineens niet meer', zei ik mat.

'Aha', zei de verwarmingsmonteur beleefd. Hij legde zijn oor tegen de verwarmingsketel, alsof die hem zijn probleem zelf zou toefluisteren. Toen trok hij zijn hoofd terug, en kneep één oog dicht. Ik op mijn beurt staarde naar de verwarmingsmonteur. En van alle gedachten die ik op dat moment had kunnen denken, dacht ik deze: zouden Vietnamese mensen thuis nu elke dag Vietnamese loempia's eten? En word je daar niet zat van op een gegeven moment? Nu ben je een racist, zei ik tegen mezelf, en ik sloop geschokt weg.

Direct daarop zei de verwarmingsketel boem. En daarna sloeg de verwarming aan. Ik rende terug naar de ketel. 'Is opgelost', zei de verwarmingsmonteur. Hij klom van het laddertje, en pakte zijn verwarmingsmonteurstas. 'Maar', zei ik. 'Jaja, is allemaal opgelost', zei de verwarmingsmonteur met een trots die zo verschrikkelijk misplaatst was dat het eigenlijk ook weer heel lief was. En ik wou iets scherps zeggen, omdat ik daar in principe mijn hand niet voor omdraai. Maar toen dacht ik aan de ééndaagse workshop. En daarna aan de loempia's. En ik dacht: hou nou maar eens een keertje gewoon je mond, jacq. Dus dat deed ik.

25 februari 2007

jacq keeps a straight face

[eerder: dit.]

Hoe het ook zij: de kat die ik kreeg thuisbezorgd, was zo ongeveer de helft van de voltallige Boris V. En hij gaf bovendien geen enkel teken van herkenning, zelfs niet in de zin van oh foook de bitch is alive, ik haat haar. De zwarte kat liep lichtvoetig door mijn woonkamer en snoof bij alles wat hij tegenkwam. Een angstige gedachte kwam in me op.

Ik dacht aan vervangkonijnen, vervangkanaries en vervangcavia's. Kon het zijn, dacht ik. Kon het zijn dat de echte Boris V. in mijn vakantie was doodg verdwenen, en dat ik hier te maken had met een vervang-Boris V.?!

In mijn hoofd sloegen verschillende personen ontzet de hand voor hun mond. Maar in het echt bleef ik persoonlijk dus zitten zoals ik zat. Niks laten merken jacq. Doe luchtig, doe luchtig. Keep a straight face. Nonchalant sloeg ik mijn benen over elkaar totdat ze in een knoop zaten.

'Zozo, zei ik.
'Weet je trouwens wel zeker dat dit Boris V. is', zei ik.
'Hahaha!', zei de man met de zware stem.
'Hahahaha!', zei ik.
'Hahaha! Hahahaha!', zei de man met de zware stem.
'HAHAHAHA!!', zei ik wanhopig.

De zwarte kat sprong lichtvoetig op de bank. Zijn staart wees omhoog. Zijn ogen waren op slechts een halve meter van mij. Ik keek de zwarte kat in de ogen. Ik zocht naar dingen die ik nog kende van Boris V. De zwarte kat keek terug en in zijn ogen was van alles, maar niet iets waarvan ik dacht: oh dat ken ik nog. Ik knipperde het eerst. De zwarte kat wendde zich af.

'Wel, ik ga maar es', zei de man met de zware stem.
'Ja, nog bedankt en zo', zei ik aarzelend.

Daarna waren we alleen, de zwarte kat en ik. Ik deed eerst alsof ik dingen moest opruimen. Alleen viel er dus niks op te ruimen. Behalve dan de chaos in mijn hoofd. Ik ging zitten met mijn handen op mijn knieen. En ik voelde me onzeker, want ik weet nooit of knieen nou met twee's is of met drie. Dan check ik het weer, en dan weet ik het. En de volgende keer weet ik het weer niet. Ik keek naar mijn handen.

'Wat zullen we nu dan eens gaan doen', zei ik.
Mijn stem klonk schriller dan ik had bedacht.

De zwarte kat had op zijn rug gelegen maar sprong nu op.
Lichtvoetig liep hij naar de keuken.
Daar snoof hij aan de etensbak van Boris V.
Toen liet hij zich op zijn kont zakken.
Hij sloot zijn ogen.
Hij opende zijn ogen.

En in zijn ogen was de tragische blik van iemand die nooit eten krijgt maar die er zelf liever niet om vraagt omdat hij weet dat tragische blikken gewoon veel beter werken dan zeikerig gemiauw.

'Oh my god, Boris V., lieverdje van me!', riep ik, terwijl ik het keukenkastje opentrok

En Boris V. maakte een wazige glimlach.
Maar het kon ook het begin van een gaap zijn.

20 februari 2007

de helft van boris v.

Het is echt te genant, maar ik herkende Boris V. dus niet toen ik hem voor het eerst sinds down under terugzag. Misschien kwam het omdat ik de man met de zware stem had gezegd dat Boris V. op dieet moest ...

Dat komt: ik was vlak voor mijn tripje met Boris V. bij de dierenarts geweest in verband met een (1) vlo. 'Zullen we hem anders ook nog even wegen', zei de dierenarts. 'Och, dat is goed', zei ik. Boris V. zelf zette zich een klein beetje schrap, maar dat was meer voor de vorm. Toen woog de dierenarts Boris V. Het woord oei viel. En daarna viel het woord zwaarlijvig. Het viel met een enorme plof op de vloer en verbijsterd raapte ik het op. Koel en hooghartig had ik Boris V. verdedigd. Mijn argumenten waren zuiver. Mijn woorden goed gekozen. De dierenarts had op het eind gehuild en haar excuses aangeboden.

Maar later was ik thuisgekomen. En langzaam (maar zeker) was een besef in mij gevaren. Dat ik altijd had gedacht dat Boris V. twee keer per dag wat brokjes in zijn bakje kreeg. Maar dat het in werkelijkheid zo was dat ik, elke keer als Boris V. op een zielige manier naast zijn bakje had gezeten, geschrokken nieuw voer in zijn richting had geworpen. Zalig zijn de vergeetachtigen van geest, moet Boris V. hebben gedacht, terwijl hij zijn zwaarlijvige lichaam uur na uur naar zijn voederbak had gesleept.
... en dat de man met de zware stem dat dieetgebeuren heel, heel serieus had genomen allemaal. Of misschien kwam het omdat Boris V. net zo iemand is als ikzelf: thuis schranzen, en bij een ander jezelf heel beschaafd inhouden zodat iedereen bewonderend denkt: wat een zelfbeheersing heeft die vrouw kat. Of omdat hij gewoon geen hap door zijn keel kon krijgen vanwege het missen van moi, zijn moeder. Ik denk het laatste, ik ben echt een schat van een moeder namelijk.

Hoe het ook zij: de kat die ik kreeg thuisbezorgd, was zo ongeveer de helft van de voltallige Boris V. En hij gaf bovendien geen enkel teken van herkenning, zelfs niet in de zin van oh foook de bitch is alive, ik haat haar. De zwarte kat liep lichtvoetig door mijn woonkamer en snoof bij alles wat hij tegenkwam.

Een angstige gedachte kwam in me op.

[wordt vervolgd, lator!]

18 februari 2007

de thuiskomst van jacq

Dat mijn vliegtuig een dag later gewoon bleek te kunnen vliegen, dat voelde nogal vreemd. Ik had me iets te veel ingeleefd in het volgende worst case scenario en was er inmiddels helemaal uit. Ik zou nooit, nooit meer thuiskomen, en mijn leven in een Maleisisch vijfsterrenhotel moeten slijten. Gratis. Maar enfin, die vlieger ging dus niet op.

Dus toen was ik ineens weer thuis. In een leeg huis, zonder Boris V., die nog bij de man met de zware stem was en waarvan het maar de vraag was of hij ooit, ooit weer bij mij zou terugkomen. Die laatste gedachte sloeg niet echt ergens op, maar hij slaat wel mooi terug op de eerste alinea van dit stukje. En bovendien was ik zo driedubbel gejetlagd dat ik niet helder meer kon denken. De laatste gedachte die ik dacht was: het is maar het beste om direct mee te gaan in het dag- en nachtritme van het land waarin je bent.

En ik tikte wijsneuzerig met mijn wijsvinger tegen mijn neus.
En ik keek op de klok.
Het was twaalf uur 's middags.

Een mooie tijd om er eens in te duiken, dacht ik.
Dus ik dook erin.

11 februari 2007

het tijdsbesef van jacq

In de enorme lounge van het hotel stond een enorm bord met 'Passengers flight 810'. Onwillekeurig streek ik mijn haren achter mijn oor, omdat het ineens voelde alsof ik in een film zat. Kleine buigende Maleisische mannen wezen mij de weg naar de eetzaal. Ik knikte minzaam, want dat is volgens mij een ander woord voor tsssk doei. Ik wilde alleen maar in bad, onder de douche, nog eens in bad, even afdouchen en dan gaan slapen, slapen en nog meer slapen. Maar toen dacht ik: hee gratis eten, en ik bedacht me.

Op mijn hotelkamer was het ijzig koud. Nergens zat een knopje om de airco uit te zetten. Ik deed het raam open en stak een hand naar buiten. Klamme hitte viel op mijn hand. Wat was beter: ijzige koude of klamme hitte? Half om half, besloot ik, en ik bleef een tijdlang zo staan, mijn arm in de hitte en de rest van mij in de kou.

Ik gaapte. Onder mijn klamme hand kwam de dag op gang in Kuala Lumpur. Scooters laveerden tussen auto's, die traag rondjes draaiden op rotondes. Uit versterkers klonken oproepen voor een gebed. Voor het eerst in al die tijd dat ik aan het andere eind van de wereld was, besefte ik dat ik aan het andere eind van de wereld was. Ik werd er niet koud of warm van, behalve dan dat ik het koud en warm tegelijk had. Ik gaapte nog eens. Al mijn besef van tijd was verdwenen. Maar hoe laat is het nu echt, dacht ik. Oh shut uuuuup, kreunden mijn hersenen, en zij zetten zich schrap tegen mijn schedel. Maar ik gaf ze een duw, en morrend begonnen ze met rekenen. Eerst tussen Australie en Maleisie en toen nog een keer tussen Maleisie en Nederland.

En samen kwamen mijn hersenen en ik tot een conclusie.
In het echt was het nu nog maar middernacht.
Een mooie tijd om er eens in te duiken.
Dus ik trok mijn hand terug.
En ik dook erin.

05 februari 2007

de vertraging van jacq

Absolutely nothing on the hand. Ik had een perfecte aansluiting in Kuala Lumpur. Slechts anderhalf uur zat er tussen mijn aankomst daar en het vertrek naar Amsterdam. Alles ging goed. Gate vinden ging goed. Boarden ging goed. Zitten ging goed. Alleen het opstijgen, dat ging dus niet goed.

De gezagvoerder had zich al een paar keer via de intercom gemeld, op die gezellig-superieure toon die gezagvoerders nu eenmaal hebben. Eerst met geklets over de aanstaande vlucht. Toen over iets pietepeuterigs met een bagageluik dat niet dicht wilde. Maar dat zou met twintig minuten zijn opgelost. Nou oké, dertig minuten. Oké, een uur.

Ik kreeg iets lacherigs over me, maar ik was te moe om dat concept verder uit te werken. Bovendien keken de mensen om mij heen zorgelijk, of uitgesproken slaperig. 'Ja maar ik baal hier dus vreselijk van', zei een balende vrouw die eruit zag of ze haar leven toch al balend doorbracht. 'Ja, dat begrijp ik mevrouw, en wij balen er allemaal van', zei de stewardess sussend, omdat haar dat nu eenmaal is geleerd tijdens de stewardessencursus. 'Ik moet gewoon naar huis!!!', riep de balende vrouw. 'Dat snap ik, en wij willen natuurlijk allemaal graag naar huis', zei de stewardess vriendelijk, terwijl ze een pistool tegen de slaap van de balende vrouw zette en de trekker overhaalde. Want een stewardess is ook maar een mens.

Mijn Vlaamse buurman was gaan rondlopen doorheen het vliegtuig. Bij een van de nooduitgangen kwam ik hem tegen. In de deuropening waaide een klamme Maleisische wind. Mannen in uniform stonden te roken. Ik meende dat ik de gezagsvoerder herkende, hoewel ik natuurlijk alleen nog maar zijn stem had gehoord. Maar het leek me wel weer typisch pilotengedrag om tijdens een crisis casual tegen een nooddeur een sigaretje te gaan staan roken. En toen de man ook nog eens 'Hou toch je kop!' riep tegen een zeurende passagier, was ik er helemaal over uit. Eigenlijk moet ik nu een stukje gaan lonken, dacht ik. Een piloot is voorwaar geen slechte catch. Veel van huis, hippe pilotenbril. Maar ik was te moe om dat concept verder uit te werken.

'Zelfs de gezagvoerder heeft het nu opgegeven', zei ik met een knikje naar het uniform. 'Amai, neen, dat is op zeker een stjoew-wart!', zei mijn Vlaamse buurman. 'Amai, natuurlijk!', zei ik beschaamd en ik dacht: dat zijn voorwaar geen verkeerde jasjes die de stewards tegenwoordig aan mogen, zeg! Met glimmende knopen en alles. En blijkbaar hoeven ze ook niet naar de stewardessenopleiding voor hoe je omgaat met lastige passagiers. Of misschien was de betreffende steward er eentje van een latere lichting waarbij het er vooral om ging je competenties te eh verzamelen en dan maar te zien waar het vliegtuig strandde.

'Goedenavond mensen', zei de gezagvoerder door de intercom.
Zijn stem klonk serieus, maar dat kon een trucje zijn.
'Deze vlucht wordt gecancelled', zei de gezagvoerder.
Oh, er komt gewoon een nieuwe vlucht, dacht ik.
Nothing on the hand.
'En de volgende vlucht... ', zei de gezagvoerder.
'Is over 25 uur.'

Nee, dacht ik.
Nee hoor.
Nee.

En in mij voelde ik heel sterk dat dit het moment was waarop ik in paniek zou kunnen raken. En daarna dan in stukjes uit elkaar zou vallen.

(Maar ik was eerlijk gezegd te moe om dat concept verder uit te werken.)

03 februari 2007

jacq zegt: nou doei

Ja, natuurlijk, eerst waren er nog dingen met kangoeroes, aboriginals en blauwe zeeen. En een keer greep ik in mijn boezem en vond ik twee spinnen die later teken bleken, maar ik maakte er geen hysterische toestand van, want er was verder niemand in de buurt. En daarna waren er nog meer blauwe zeeen. En er was dus de hond die een loopje met mij nam, zoals zijn bazen zeiden met de vertedering in hun stem die ik zelf ook altijd heb als ik het over Boris V. heb

Maar Boris V. was er niet. Die lag op het bed van de man met de zware stem. En volgens de filmpjes die ik opgestuurd kreeg, liet hij zich op zijn buik aaien en gooide 's nachts dingen van het aanrecht. 'Och, dat is per ongeluk', zei ik vertederd door de telefoon, omdat ik weet dat Boris V. van nature niet omgooierig is. Ik dacht aan zijn oren en hoe je ze kunt omvouwen. Ik snoof. 'Wat is er', zei de man met de zware stem. 'Pfff, niks', zei ik.

En toen was het tijd voor de terugreis. 'Nou, doei', zei ik tegen de hond. De hond tilde zijn hoofd op van zijn voorpoten. 'Nou doei', zei de hond met zijn ogen. Daarna zuchtte hij, maar ik weet niet zeker of dat om mij was.

'Wat is nou het ergste dat me kan overkomen', vroeg ik op weg naar het vliegveld. Ik vind het fijn om doemscenario's te bedenken, omdat je daarmee voorbereid bent op erge dingen en ze direct een klein beetje afkoopt. 'Dat je in Kuala Lumpur je aansluiting mist en daar moet blijven', zei mijn broertje. 'Maar dat is tot nu toe nog met niemand gebeurd, hoor', zei mijn broertje. 'Oh men, dat zou echt kut zijn', zei ik, en ik bereidde me voor. Ik wist al precies hoe dat zou gaan. Eerst zou ik nog voelen: oh, nu raak ik in paniek. En daarna zou ik langzaam uit elkaar vallen, in stukjes waar niemand wat mee kon. 'Maar dat is tot nu toe dus nog nooit gebeurd he', zei mijn broertje.

Nee, dat was tot dan toe inderdaad nog nooit gebeurd.