de kont van de hond
'Zullen we anders een klein stukje gaan wa...', zei ik.
En toen stond de hond al bij de voordeur, met zijn riem in zijn mond.
'Ja, hoo, wacht even', zei ik.
De staart van de hond stokte.
Want dat is altijd lullig zeggen he, tegen zo een hond. Maar zelf ben ik het niet gewend om plannen ook direct uit te voeren. Of om ze uberhaupt uit te voeren. Het idee van een plan, en dan bijvoorbeeld in de verte - dat is fijn. En daarna komt er meestal van alles tussen.
'Oh... hond', zei ik.
De hond zei niets terug. Maar hij keek alsof hij zeggen wilde: 'Ik geloof voor de volle tweehonderd procent in jou, jacq' . En met die blik mixte hij voor de zekerheid nog een andere blik: die waarin hij acteerde dat hij as we spoke vele, vele liters plas aan het ophouden was, hetgeen hem ontzettend, maar dan ook ontzettend veel pijn deed. Ik kan slecht tegen pijn bij anderen, en zeker pijn door het ophouden van plas!! Ooit zat ik in een streekbus en ik moest zo nodig dat ik uiteindelijk op het chauffeurstoilet in Balkbrug mocht. Volgens mij was ik het gesprek van de dag. Oke, Balkbrug. Maar dan nog.
Ik sprong van de bank, ik greep mijn pet, ik zette mijn zonnebril op, ik schuifelde op de tast door de gang, en ik zette mijn zonnebril weer af.
'Hebben we de sleutel', zei ik.
De hond keek me intelligent aan op een domme manier.
'Jep, we hebben de sleutel', zei ik.
'Hebben we de sleutel', zei ik.
De hond keek verlegen langs me heen, zoals je wel vaker doet bij mensen die niet sporen.
'Jep, we hebben de sleutel', zei ik.
'Jep! We. Hebben. De. Sleutel.', zei ik en ik hield hem voor de hond omhoog.
(Ik ben echt heel slecht met sleutels, vandaar dat ik dit soort dingen moet doen. Maar dat wist de hond natuurlijk niet.)
'Waarheen ga je met de hond', had ik van tevoren gevraagd.
'Je loopt het tuinpad af en dan ga je links', hadden ze gezegd.
'Niet rechts dus?', had ik gezegd.
'Nee, alleen links, dat doen we altijd', hadden ze gezegd.
De hond trok aan de lijn.
We liepen het tuinpad af.
Ik dacht: hier dadelijk dus naar links.
Maar de hond sloeg zonder aarzelen rechtsaf.
'Ehm... nee', zei ik.
Maar de hond bleef rechts.
'We gaan hier toch links', zei ik.
De hond rolde met zijn ogen.
Ik raakte verward.
'We gaan hier toch links', zei ik.
De hond knipperde geduldig met zijn ogen.
Dat was om aan te geven dat zijn geduld een beetje opraakte.
'Kom op hond', zei ik.
En ik gaf een links rukje aan de riem.
Maar de hond bleef staan.
En zijn blik was zuiver rechts.
'Vooruit dan maar', zei ik.
En wij gingen rechts.
En in mij was verwarring.
En ik zocht de sleutel.
Want bij verwarring is het fijn om je sleutel vast te houden.
En ik rende achter de kont van de hond.
En soms draaide de hond zich naar mij om.
En alles aan hem glimlachte.