de avonturen van zuster jacq /3
Toen was er de man in de rolstoel die help zei.
Het is een soort van wet dat mensen in rolstoelen altijd geparkeerd staan met het gezicht naar een muur, als om de situatie nog eens extra schrijnend te maken. Ik zag alleen een linkerarm, en een stukje van het haar van de man. 'Help', zei de man, toen hij mij aan hoorde komen klikklakken. Meestal loop ik op mijn tenen in het verpleeghuis. Het ziet er vast niet uit, maar het klinkt minder frivool - en dus minder alsof ik wel een leven heb en zij niet. Wie klikklakt, kan rekenen op hoofden die vanuit kamertjes omhoog gaan, en dan weer langzaam naar beneden zakken. Ik kan dat slecht hebben. Maar nu was ik van mijn moeder op weg naar mijn leven dat ik heb, en ik zat er al een beetje in. Ik vergat op mijn tenen te lopen.
'Help', zei de man nog eens, op de toon van iemand naar wie toch nooit wordt geluisterd. Het klonk als een reflex, een onwillekeurige reactie op het horen van een ander levend wezen, en zonder enige hoop op een antwoord.
Ik snakte naar mijn eigen leven dat er karig van af komt deze maanden. Maar ik had nog geen goede daden gedaan die dag - en ik geloof in het doen van goede daden, net als Jezus C. dus eigenlijk. Ik boog me naar de man toe, die zelf voorovergebogen bleef zitten.
'Moet ik u ergens mee helpen', zei ik.
'Help', zei de man.
Ik rolde met mijn ogen (maar dat kon hij toch niet zien wegens voorovergebogen you know).
'Waar moet u naartoe', zei ik.
Een arm kwam omhoog en wapperde naar de deur links.
'U moet door die deur?', vroeg ik overbodig.
'Mmmm', zei de man en dat vatte ik op als een volmondig ja. Ik zocht in mijn tas naar het ding.
[Ik vertel jullie iets over het ding. Met het ding gaan alle deuren voor je open, tenminste als het ding er die dag zelf ook zin in heeft. Soms hoor je een klik in de deur en daarna gebeurt er niets. De dag erna vliegt elke deur je haast tegen het gezicht aan, als je niet wegspringt. Het ding is onberekenbaar, en lijkt in die zin wel wat op een vrouw. Verder zit het ding in mijn rechtervoorvakje, en ik kan het nooit vinden. Ik heb erover gedacht om het ding aan mijn grote sleutelbos te hangen, maar iets in mij komt daartegen in opstand, voornamelijk omdat ik het ding en dus het verpleeghuis dan de hele dag tegenkom in mijn eigen leven. Ik wil het ding alleen tegenkomen als ik mijn eigen leven uitstap en het andere leven in stap. Natuurlijk werkt dat niet; ik kom het ding de hele dag tegen als ik voor iets anders in mijn rechtervoorvakje moet zijn. En als ik het ding nodig heb, is het ding onvindbaar. Woedend word ik daarvan, van het voelen met mijn vingers in het rechtervoorvakje en dan niks vinden. Ik krijg dan zin om te gaan schreeuwen, mijn tas om te draaien en alles wat erin zit er keihard uit te schudden en kapot te trappen. Iets weerhoudt mij, ik denk gewoon fatsoen of zo. Plus er zit ook best een duur doosje oogschaduw in.]