stukjes jacq

29 september 2006

de drie zonnebrillen van jacq

Als ik het zo een beetje zit te reconstrueren dan denk ik: het begon er allemaal mee dat mijn fietstassen werden gestolen. Klaarlichte dag slash brutale roof slash waar gaat het naartoe met deze wereld. Kortom: ik helemaal extatisch dolbij, want fietstassen mogen dan onbeschrijflijk handig zijn, je wordt er ook onbeschrijflijk uncool van. Zelfs als je drie zonnebrillen opzet, dan compenseert dat nog de fietstassen niet. Het waren trouwens best coole fietstassen, maar zelfs dat compenseerde de fietstassen niet. Ik weet dat omdat ik ten tijde van de fietstassen nauwelijks meer door knappe kerels van de fiets werd gesleurd. Het was echt opvallend, de ene dag word je nog vier, vijf keer van je fiets gesleurd, en de dag erna is er ineens het grote ontsleuren. Wat een klotentijd was dat.

Enfin, het begon er dus allemaal mee dat mijn fietstassen werden gestolen. Daarna ging mijn licht stuk. En nu is mijn rechterhandrem ook zomaar ineens kapot. Je knijpt erin maar er knijpt niks terug. Klopt niet. Het is net of mijn fiets het elke dag een beetje meer opgeeft met zichzelf. Want dan is er ook nog het stuur van de fiets. Ik heb het idee dat het stuur los zit. Dat komt doordat ooit een fietsenmaker naar mijn fietsstuur keek, met de tong klakte en zei:

'Nou nee.'
'Nou nee wat', vroeg ik.
'Nou nee mevrouw', zei de fietsenmaker beschaamd.

Daarvan was ik toen zo van mijn stuk dat ik niet verder heb gevraagd. Maar sindsdien heb ik geen enkel vertrouwen meer in mijn fietsstuur. Oh ja, ik stuur er nog wel mee, maar het liefst zo min mogelijk. Ik kies mijn routes zo rechtuit mogelijk. Vrienden met veel bochten tussen hen en mij, daar kom ik nog maar weinig meer. En elke keer als ik niet anders kan dan links- of rechtsaf slaan, dan sluit ik mijn ogen, in een soort van angstige berusting. Die toch heel angstig is. Maar ook met een zekere berusting erin. Maar best wel eng dus. Ik zie het ervan komen dat ik in het zicht van Kantoor ineens met een los stuur in mijn handen zit en dan in een soort van vertraging een onbeschrijflijk uncoole doodssmak maak, waarover nog lang, heel lang wordt gepraat op momenten dat er op Kantoor niks te doen is oftewel de godganse dag.

'Haha, weet je nog van toen jacq may she rip van de fiets kletterde.'
'Oh ja hahaha, zelden zo gelachen may she rip!'

Ik gun het ze gewoon niet.

27 september 2006

jacq en het thema v/d dag

Het was zo een dag waarop ik vooral veel, heel veel tandeloze mensen tegenkwam, die er slecht uitzagen. Nu zullen jullie zeggen: maar jacq, iemand die tandeloos is, die ziet er toch so wie so al slecht uit, juist vanwege zijn tandeloosheid! Dan zeg ik ja, klopt. Maar hallo, niet altijd. Ik heb op mijn vele reizen door oke de provincie ook wel eens tandeloze mensen ontmoet die er verder heel gezond uitzagen, en waarvan het leek of ze een gewoon, gevuld leven leidden. Er viel alleen verder natuurlijk geen verstaanbaar gesprek mee te voeren, dus het checken van die vooronderstelling was geen optie. Eind goed, al goed. Ik haat het om mijn vooronderstellingen te moeten checken. Ik hou van mijn vooronderstellingen met heel mijn hart en ik heb graag dat ze overeind blijven.

Enfin, het was dus zo een dag waarop ik vooral veel, heel veel tandeloze mensen tegenkwam. Die er slecht uitzagen. Ik realiseerde me dat pas achteraf, toen ik die avond in mijn bed lag. Soms lig ik 's avonds in mijn bed en dan overdenk ik de dingen van de dag die achter me ligt. Dat is in de meeste gevallen een goede manier om de dag te besluiten. Tenzij je echt een kutleven hebt en niet tot positief denken in staat. Dan is het maar beter om niet terug te denken aan wat geweest is, maar juist vooruit te kijken naar de dag van morgen, die ongetwijfeld weer net zo kloten zal zijn, evenals de rest van je leven. En daarna kom je trouwens in de hel, omdat God dus ook zoiets heeft van sjongejonge zeg, wat een loser, hup in het vuur ermee!

Enfin2, ik dacht terug aan de dag die achter me lag en een stoet van tandeloze mensen trok aan mij voorbij. Even was ik verbaasd, maar daarna niet meer. Als je er wat langer bij stilstaat, dan hebben veel dagen een thema. Je moet er alleen even op komen. Andere dagthema's van de afgelopen weken zijn: mannen die niet weten dat er een snotje uit hun neus hangt, televisieprogramma's met een schaap erin en mensen die 'Chapeau!' zeggen. Oke, ik dacht: misschien herkennen jullie hier iets van, en daarom schreef ik het op.

24 september 2006

jacq is boos op boer jochum

Ik wil het even hebben over boer Jochum. Boer Jochum is zo verlegen dat ik haast niet naar hem kan kijken. En als er iemand naar hém kijkt, dan kijkt boer Jochum liever naar het plafond. Wordt hij gedwongen iets te zeggen, dan trilt zijn linkerwang. Boer Jochum stelt geen vragen, omdat hij dan een antwoord gaat krijgen en ondertussen naar de persoon zal moeten kijken die hem een antwoord geeft. Ondertussen woedt in zijn hoofd een strijd: ren ik nu heel hard weg naar de verste biologische boerderij die ik maar kan vinden, of kies ik ervoor om dood in elkaar te zakken. Het is een lastige keuze, waar hij tot nu toe zelf nog niet helemaal uit is. Boer Jochum doet er alles aan om aan intermenselijk contact te ontsnappen. Zeker als hij zelf tot zijn grote schrik een van die mensen is. Boer Jochum is net zo verlegen als wijzelf allemaal diep in ons hart. Maar het is een grove schande dat hij er zo openlijk voor uitkomt. Daar zijn maatschappelijke afspraken over, en wat dacht je wat: die gelden dus óók voor boer Jochum (en alle andere biologische boeren)!!!

Nou dus: vorige week kreeg ik nog neigingen om boer Jochum net zolang stevig te knuffelen totdat hij zo relaxed was als een koe die zijn schaapjes op het droge heeft. Maar deze week sloop er wat irritatie in. Wat zeg ik: deze week had ik het ineens helemaal gehad met boer Jochum! Ik vind dat boer Jochum moet ophouden met zijn zenuwen. Ik wil gewoon dat boer Jochum deze week nog naar de dokter gaat en om rustgevende middelen vraagt. Of door de filmploeg gedwongen wordt om voorafgaand aan elke uitzending een jointje te roken. Vanaf volgende week is het chillen met boer Jochum, of anders zal ik zelf wel eens even naar die friese boerderij afreizen oké oké als ik de weg kan vinden dan.

18 september 2006

de hersenen van jacq

De enige andere keer dat ik eenzelfde soort pijn had gehad, was toen ik tijdens het achteruitjoggen door mijn enkel was gegaan. Toen was ik ook neergezegen, zij het niet op een bestuurdersstoel. Mijn oren hadden gesuisd. 'Je ziet helemaal wit', zei mijn intelligentere, vooruitjoggende vriendin, die terug was komen joggen. 'Amai, geef mij een momentje', had ik plechtig gezegd. En daarna viel ik flauw. Nou oke, niet helemaal maar het had net zo goed wel gekund.

Ik zag mezelf in de achteruitkijkspiegel. Ik zag spierwit. De pijn was nog niet eens op zijn hoogtepunt. Een jankende electrische gitaar ging via mijn telefoonbot naar mijn hersenen. Mijn hersenen hadden het er even over met elkaar en zeiden toen: hmm ... ja, dit is pijn, en wel van een ongekend niveau. 'Ooowooow ...', zei ik zachtjes. 'Oooooow oow ow ...'

[Ik haat elektrische gitaren. Ooit, toen ik zeventien was, luisterde ik op een kamertje in Groningen naar een jongen die er net mee aan het oefenen was geslagen. Ik zat op zijn eenpersoonsbed, met een voet onder mijn billen getrokken. Hij stond voor zijn bed, met de lippen opeengeklemd, terwijl hij het kastje bij zijn voet wat harder zette. Ik keek ernstig en probeerde met mijn voet mee te tikken in het ritme dat ik er niet in kon ontdekken. Hij plukte aan snaren, en de ene snaar was nog erger dan de andere. Ik wilde alleen maar bij elke pluk gaan gillen dat het moest ophouden en wel NU! NU! NU! Als hij opkeek, glimlachte ik. 'Poeh', zei ik op een moment dat hij even stilviel. Je kunt poeh zeggen op een manier van the end. De jongen had zijn gitaar tegen de muur gezet en was naast mij op het bed gaan zitten. Zelfverzekerd had hij zich naar mij gebogen. Het was nog in de tijd dat gitaristen alle meisjes konden krijgen.]

Okido, even terug naar het telefoonbot.
Nou ja, dat zakte dus langzaam af. Maar later kreeg ik er echt een bult op en een blauwe plek, dus niets in dit verhaal is gelogen.

15 september 2006

jacq vloekt een smoor

Ik trok het autoportier open en ik stootte keihard mijn telefoonbot. Oke, als iemand kan uitleggen waarom het je telefoonbot is, be my friggin' guest want friggin' is het woord van de week jah! Het is niet alsof er een snoer aan zit, het is niet alsof er een simkaart in kan, en het is ook niet alsof je ermee kan communiceren met vrienden en familie. Ook lijkt je telefoonbot helemaal niet op een telefoon, hoewel je het misschien eerst uit je arm zou moeten halen om te zien of dat echt niet zo is. Maar zo van buitenaf denk ik: neen.

Ik smoorde een vloek. Of ik vloekte een smoor, want op dat moment wist ik dus gewoon echt niet wat ik deed. Ik wist maar een ding: dit betreft het soort pijn die alleen maar erger wordt. Het daadwerkelijk stoten van het telefoonbot was pijnlijk geweest, maar het was peanuts vergeleken met wat nog ging volgen. Ik kon alleen maar lijdzaam wachten op de pijn. In de verte kon ik hem aan voelen komen, als een soort van ringtone (aHA!!!!!!) die steeds harder wordt. Oh, daar kwam hij al. Ik zeeg neer op de bestuurdersstoel. Ik slikte. Mijn oren suisden.

[De enige andere keer dat ik eenzelfde soort pijn had gehad, was toen ik tijdens het achteruitjoggen door mijn enkel was gegaan. Maar daarover later meer. Ik moet even een stukje werken.]

13 september 2006

de kaalheid van boris v.

Boris V. krijgt het in zijn eentje voor elkaar het huis te vervuilen, puur door passief ontharen. Soms heb ik zin om hem kaal te scheren. Kale katten bestaan, dus het is niet alsof het zijn dood zou betekenen. Hoogstens krijgt hij het wat sneller koud, en dan mag hij onder mijn dekbed omdat er toch geen haren meer in het spel zijn. Ik heb al een paar keer met het scheerschuim in de handen gestaan. Maar dan denk ik weer aan al die littekens op mijn benen, en dan denk ik: misschien op een andere dag, als ik wat stabieler ben.

Tot die dag is er alleen het kammen van Boris V. dat tijdelijk uitkomst brengt. Boris V. is gelukkig dol op het kammetje. 'Weet je wat, zal ik het kammetje pakken', zeg ik dan. En dan doet Boris V. een oog open. Dan loop ik naar de la, en dan doet Boris V. zijn andere oog ook open. Nou, inderdaad, dat is echt wel een teken hoor! Dan haal ik het kammetje eruit, dan tik ik erop met mijn nagel, en dan kwijlt Boris V. de bank al onder van voorpret, bij wijze van spreken dan. Boris V. kwijlt nooit. Kwijlende katten komen altijd een beetje mongoloide over. Ik kom wel eens bij dat soort katten op bezoek en dan blijf ik gewoon heel aardig maar ondertussen ben je ontzettend dankbaar dat je later weer naar je eigen huis kan naar je eigen normale kat. Dus dat jullie nu niet een beeld krijgen van een Boris V. uit het land van Down die de bank onderkwijlt want dat is dus gewoon helemaal niet waar!!!!

Oke, ik ben even kwijt waar ik naartoe wilde.

11 september 2006

het nieuwe buurmeisje van jacq

Ik trok de voordeur open.

'Ja, hoi hoi!', riep een meisje met lang bruin haar olijk.

Dit moest het nieuwe buurmeisje zijn. Tot dusver had ik alleen nog maar door de schutting heen haar stem gehoord en direct een ontzettende hekel aan haar gekregen. Het nieuwe buurmeisje lacht namelijk de hele dag. Het is een walgelijk soort lach. De lach van het nieuwe buurmeisje is van zo'n aard dat hij mij meer voorkomt als een agressief statement dan als een uiting van onbekommerde vrolijkheid. Onbekommerde vrolijkheid zou trouwens ook walgelijk zijn, natuurlijk. Enfin, ik heb nu al een paar keer zin gehad om haar over de schutting te trekken en haar heel hard in het gezicht te slaan *pets* zoals men dat in goede films altijd met hysterische vrouwen doet. Ik heb me tot nu toe ingehouden. Ik heb niet veel met kennismakingsetiquette, maar dit voel ik zelfs aan.

'Ik ben het nieuwe buurmeisje', zei het nieuwe buurmeisje met een Donald Duck-stemmetje.

Ze trok een gek gezicht. Ik trok ook een gek gezicht. Ik voeg mijn gezicht wel vaker naar dat van mijn gesprekspartner. Dat lijkt misschien wat identiteitsloos maar ... nou ja, dat is het ook.

'Nou hoi', zei ik terwijl ik probeerde enthousiasme in mijn stem te leggen.
'Ik ben ... jacq.'
Even had ik een schuilnaam overwogen, maar net op tijd bedacht ik me dat dit nergens toe zou leiden.
'En ik ben Nina', zei het nieuwe buurmeisje.
'Nou Nina', zei ik.
'Welkom in deze ontzettend gezellige buurt dan.'

Het was grappig bedoeld, want ik bedoel natuurlijk altijd alles grappig, maar het kwam er veel te vormelijk uit. Het nieuwe buurmeisje keek onthutst. Ik trok snel weer een gek gezicht om het allemaal recht te zetten. 'Hahaha!', lachte het nieuwe buurmeisje . Ze gooide haar hoofd in haar nek. 'Hahaha!', lachte ik. Haast had ik ook mijn hoofd in de de nek geworpen. Ik hield me in. Ik heb donders last van de nek man.

'Zeg', zei het nieuwe buurmeisje.
Nieuwsgierig keek ze door mijn gang naar binnen in mijn huis.
En ik dacht: neen.
Neen. Neen. Oooh neen.
No friggin' way he.

'Kom anders ff binnen', zei ik, met iets van onbekommerde vrolijkheid in mijn stem. En ik dacht: kon je het gesproken woord maar ongedaan maken. Maar het gesproken woord, dat blijft gesproken, en inslikken dat kan dus niet.

06 september 2006

boris v. en de krokodillenman

'De krokodillenman is ook dood hè', zei ik tegen Boris V.
'Ja, eindelijk', zei Boris V. opgelucht.
'Ik geef die staartpijlrog groot gelijk', zei Boris V.
'Nee, het is pijlstaartrog', zei ik.
'Nee volgens mij een pijlrogstaart', zei Boris V.
'Of was het nou een rogstaartpijl', zei ik.
'Hoe dan ook', zei Boris V.
'Ik geef die knakker groot gelijk', zei Boris V.
'Enough is enough', zei Boris V.
'De kruik gaat net zo lang te water tot ze barst', zei Boris V.
'Als ik een pijl had, had ik het zelf gedaan', zei Boris V.
'Boris V., shut the fok up svp', zei ik.
'Als Steve Irwin jou zou willen onderzoeken', zei ik.
'Dan zou jij gewoon op je rug gaan liggen', zei ik.
'Oké dat is waar', zei Boris V.
'Maar dan wel op een heel agressieve manier.'

04 september 2006

het verrotte uitzicht van jacq

Oke, het uitzicht vanuit ons vakantieverblijf was dus gewoon kut. Van tevoren had ik vurig gehoopt op mensen om ons heen. Gewoon, disfunctionele gezinnen, met kinderen die elkaar dagelijks verrot sloegen. Seniore stellen die elkaar stilzwijgend naar het leven stonden. Alleenstaande mannen met vreemde tics. Maar nee hoor, ons uitzicht was dus een verrekte vallei, of zeg maar een dal, en heel in de verte konden we een stadje zien liggen.

Gelukkig was het binnen beter. Daar blaften ons de porseleinen hondjes tegemoet. Olijke herderinnetjes keken schalks het dal in. En ergens in de familie van de eigenaren was iemand die verschrikkelijk, maar dan ook verschrikkelijk goed kleedjes kon haken.

Het uitzicht in ons vakantieverblijf was kortom van die aard, dat wij er een aantal dagen over discussieerden of het misschien een grap zou kunnen zijn. Bijna hadden we er de eigenaren van het vakantieverblijf nog over opgebeld, om het te vragen. Dan konden we in een moeite door direct vertellen dat we de handleiding voor de geiser maar even herschreven hadden, omdat in hun eigen handleiding een paar cruciale stappen ontbraken. Sure, dat konden dan best stappen zijn die normale, weldenkende mensen zelf hadden kunnen bedenken - maar wij dus niet jah! Maar uiteindelijk belden we niet, omdat we twijfelden of bellen over de inrichting van het vakantieverblijf wel onder noodgevallen viel.

'Een noodgeval is natuurlijk betrekkelijk', zei de vriendin aarzelend, met de telefoon in haar hand.
'Wat voor de een een noodgeval is, noemt de ander een kleinigheid', beaamde ik.
'Wij zitten er gewoon heel erg mee', zei de vriendin.
'Ik slaap er slecht van', zuchtte ik.

Toch was er iets wat ons tegenhield.

Op een ochtend sloeg ik mijn ogen op en ontwaarde twee strengen aan de muur. Macrame. Ik wist niet dat het nog bestond. Ik moest denken aan de vijfde klas van de lagere school, toen meester Gerard had gezegd: 'Jonges, vandaag gaan we leren macramejen'. Ik herinner het me niet meer goed, zou meester Gerard zelf eerst geleerd hebben hoe te macramejen? Of had hij juf dinges erbij gehaald, omdat macramejen nu eenmaal meer een vrouwenbezigheid was? Ik wil niet veel zeggen, maar ik geloof dat meester Gerard het gewoon zelf kon, macramejen, en het ons vervolgens met een oneindig geduld ook leerde.

[Ik kan me bijna niet voorstellen dat je anno 2006 als meester serieus voorstelt om te gaan macramejen met je klas. Hoe gaat dat tegenwoordig? Word je dan direct bespuugd of uitgescholden ('Hahaha meester Gerard is een homo!')? Wij wisten vroeger niet eens wat homo's waren en of het kwaad kon, en riepen joepie als we gingen knutselen. Als meester Gerard ons het macramejen als nieuwe kunstvorm voorstelde, dan zwegen wij vol ontzag, omdat we daarin zouden worden ingewijd. Door meester Gerard, die alles kon. Joepie!]

[Hoewel, nu lieg ik dus wel een beetje. Ikzelf trok altijd een heel chagrijnig gezicht als we gingen knutselen, want ik was er heel slecht in. De dingen die ik knutselde, gooiden mijn ouders altijd direct weg en ik kon ze eerlijk gezegd geen ongelijk geven. Mijn producten waren van angst verstarde misbaksels, waar ik zelf liever ook niet te lang naar keek.]