stukjes jacq

29 juni 2006

de zaterdag van jacq

Ik bracht een hele zaterdagavond door in de trein maar nu verklap ik eigenlijk alles al. Is dat een nieuwe trend of zo, in de eerste zin van zo'n stukje al de clou verraden? Belachelijk.

Van tevoren was het niet de bedoeling geweest dat ik een hele zaterdagavond in de trein zou doorbrengen. Van tevoren was het de bedoeling geweest dat ik op een feestje zou arriveren en daar terstond zou uitbarsten in gedans, op platen uit mijn jeugd. Ik zou heel hard gaan gillen bij plaatjes van Kool & The Gang en zo, want voor een beetje gillen draai ik persoonlijk de hand niet om. Dat is haast nog het leukste van dansen, het gillen. En daarna dan het dansen zelf.

Ik tuurde in de richting waar mijn trein vandaan moest komen. Niets. Ledige rails. Ik hoorde het ding dong al in mezelf, voordat het uit de luidsprekers kwam. Ding dong. Niemand om mij heen zei wat, en toch werd het nog stiller op het perron. Er was een stremming op het baanvak. Oh jezus nee, dacht ik. Zou ik met bussen worden vervoerd? Ik haat bussen die mij vervoeren. Ik haat bussen in het algemeen, eigenlijk. God, laat me alsjeblieft niet met bussen vervoeren, bad ik.

Altijd, maar dan ook altijd worden mijn gebeden verhoord. God heeft een speciaal plekje voor mij, en dat is begrijpelijk. Ik vraag niet veel, alleen een beetje rust. En dat ik dus niet met bussen hoef te worden vervoerd. Nee, ik hoefde niet met bussen vervoerd. Ik moest gewoon een stukje omreizen, om de stremming heen. Het kwam op mij erg logisch over, en bijna gezellig. Een onmiddellijke berusting kwam over mij. Ik heb die gave. Niet iedereen heeft die gave. Om mij heen begonnen mensen woest mobiel te telefoneren. De mensen zonder beltegoed zuchtten en klakten met hun tong. Ze zeiden het niet, maar boven hun hoofden zag ik tekstballonnen waar meestal zoiets als 'fuck de NS' in stond. Ik hou van de NS, of ze nou op tijd rijden of niet. Papa was a spoorman, en op die manier ben ik eeuwig met die luitjes verbonden denk ik.

Naast mij liet iemand overdreven zijn ogen rollen. Minachtend spuwde ik op het baanvak met de versperring. Raar woord eigenlijk, baanvak, dacht ik terwijl ik met de stroom mee naar een ander perron sjokte.

26 juni 2006

de damesnagels van boris v.

Nou, dan steek ik mijn vingertop in de voetzool van Boris V. En dan klauwt hij zijn nagels om mijn vingertop, maar het is op een vriendelijke manier. Blank, ongeschonden en lang zijn zijn nagels, als van iemand die overdag ergens op Kantoor werkt. Of zelfs van iemand die helemaal nooit werkt maar de hele dag op zijn rug ligt te niksen. 'Boris V., je hebt de nagels van een dame uit de hogere klassen', zeg ik wel eens. Dan opent hij een oog en in dat oog zit trots. Mja, ik persoonlijk zou me juist beledigd voelen en direct een schutting gaan beklimmen. Maar Boris V. heeft echt een totáál andere kijk op hoe mannenkatten zouden moeten zijn. De dierenwereld bij ons in de buurt is daar trouwens nog niet klaar voor, want dat ervaren we hier dagelijks heel sterk. Heel vaak zeg ik hee hoi Boris V. tegen iets onder mijn dekbed. En dan is het dus niet Boris V., maar iemand uit de buurt. Boris V. moet dan buiten het poortje wachten tot diegene uit de buurt klaar is in mijn bed. Dat vind hij trouwens best wel okidoki, want in Boris V. zijn beleving heeft hij dan een Heel Belangrijke Taak gekregen.

Oh, en als er een steentje uit de kattenbak tussen zit, dan lijkt het of hij op hakjes loopt. Klik-klak, klik-klak, zo gaat het lopen van Boris V. dan. Op zo een moment wil ik hem wel smoren van dat hij zo schattig is. Bovenop hem gaan liggen totdat zijn ademhaling moeizaam wordt. Ik doe het wel eens. Ggggguuuuuuu-ggggguuu, zo klinkt dat. Zo schattig vind ik hem dan, als hij bijna dood is. Misschien wel op zijn allerschattigst!!!

21 juni 2006

de man op de brommer /2-slot

De grootvader veegde zijn handen af en draaide zich naar mij om.
'Die is behoorlijk overspannen', zei de grootvader.
Ik keek verward naar de hond.
De hond keek droevig terug.

'Wat!', zei ik.
'Die is behoorlijk overspannen, die as er net was', zei de grootvader.
Hij knikte in de richting waarin de man met de brommer was verdwenen.
'Oh ja?', zei ik enthousiast.
'Soms leg e drei weekn op bedde', zei de grootvader.
'Zo!', zei ik.
'Komt er niet uut', zei de grootvader.
'Dat is ook wat', zei ik.
'Ja, iiis wat', zei de grootvader.
'Tsssj', zei ik.
'Hij was veur zien doen aordig goed vandage', zei de grootvader.
'Uhuh', zei ik.
'Hij hef ook een motor', zei de grootvader.
'Maar hij mag er niet de snelweg mee op.'
'Medicatie?', zei ik deskundig.
'Ja haa', zei de grootvader interessant.
'Allennig op de binnenweggies mag e'
'Jeezus', zei ik.
'Jeetje!', riep ik er snel overheen.

Ik keek naar de snelweg en dacht aan de motor die daar niet mocht komen. Tenminste, niet met de man van de brommer erop. Je zult maar motor zijn, echt zin in je leven hebben, en dan terechtkomen bij de man van de brommer. Toen dacht ik aan de man van de brommer zelf en aan dat hij soms drie weken op bed lag zonder eruit te komen. Ik had direct zin om hem te bezoeken, maar dan niet in het echt maar puur qua intentie.

De grootvader pakte zijn gereedschap en liep weg. De hond keek op, en zuchtte diep. Toen haalde hij zijn poot van mijn pols. Traag slofte hij achter de grootvader aan. Mij keurde hij geen blik meer waardig. Zo zijn honden die niet van jou zijn. Ik haat ze.

19 juni 2006

de man op de brommer /1

Op de snelweg raasden de auto's nog steeds voorbij.
'Word je niet gek van dat lawaai', vroeg ik aan de oudste jonge jongen.
'Neuh', zei de jongen.
'Wen je eraan of zo', zei ik.
'Niks geen last van', zei de jongen schouderophalend.

Ik inhaleerde diep.

Er kwam een man op een brommer het terrein oprijden.
Al mijn hoop was nu gevestigd op de man op de brommer.

'Goeienmiddag', zei de man van de brommer, toen hij was afgestapt.
'Goeienmiddag', zei ik.
De man van de brommer haalde een pakje Marlboro uit zijn borstzakje.
'Wil je der ook een', zei de man van de brommer.
'Nee dankjewel ik heb zelf', zei ik.
'Ik rook deze', zei ik.
'Dat is meer mijn merk zeg maar', zei ik.
Shut up nu jacq, dacht ik.
'Oke', zei de man van de brommer.
Hij stopte het pakje weer terug in zijn borstzakje.
'Lekker weer', zei de man van de brommer.
'Ja, heerlijk he!!!!', zei ik.
'Prachtig man', zei de grootvader vanuit de motordinges.
'Na, ik gao weer', zei de man van de brommer.
'Oh!', zei ik.
'Ik heb de hele dag op de brommer zeetn', zei de man van de brommer.
'Jao', zei de grootvader.
'Na, tot ziens', zei de man van de brommer, terwijl hij zijn helm opzette.
'Tot ziens dan maar he!', zei ik.
'Dohog', zei de grootvader.

Knetterend reed de man van de brommer weg op zijn brommer.
Een grote bruine hond kwam aanlopen.
Hij zette zijn voorpoten op de borst van de grootvader.
'Eem wachtn', zei de grootvader.
'Wil die een blokje om', zei ik.
'Wat', zei de grootvader.
'Of die een blokje om wil', zei ik.
'Ja, hij mut er nog eem uut', zei de grootvader.
'Eem wachtn', zei hij tegen de hond.

De hond droop af.
'Kom es' zei ik.
De hond kwam.
Droevig keken zijn ogen in de mijne.
'Ga anders even zitten', zei ik.
De hond bleef kijken.
'Zit', zei ik zacht.
De hond ging op zijn kont.
Hij legde zijn voorpoot op mijn pols.
'Wat een lieve hond ben jij', zei ik.
De hond zuchtte omdat hij het ermee eens was.

De grootvader veegde zijn handen af en draaide zich naar mij om.
'Die is behoorlijk overspannen', zei de grootvader.
Ik keek verward naar de hond.

[slot volgt]

16 juni 2006

jacq is de hoer van babylon

[Vervolg op dit stukje, dat op zijn beurt weer een vervolg was op dit stukje.]

'Nou, ik heb hier nog een leuke zwarte staan', zei de man.
'Oke, ik neem hem', zei ik.

Dus dat ging eigenlijk nog best vlot. Direct daarop kwam heel Staphorst in beweging. Nou, laat ik zeggen: een oude man en twee jonge jongens. Maar zo heel veel mensen wonen er verder ook niet in Staphorst, hoor. En volgens mij was het allemaal family, dus vandaar dat ik de oude man misschien net zo goed de grootvader kan noemen.

De jonge jongens prutsten bij de deuren. De grootvader maakte de motorkap van de auto open. Ik stond er zo'n beetje bij. Kon ik niet ook een taakje krijgen? Bijvoorbeeld een draad hooghouden, of iets anders simpels? Maar de dingen die de grootvader en de jonge jongens deden, daarvoor had je helemaal geen draad nodig die je hoog moest houden. En om dan toch te vragen om een draad, ik durf dat dan gewoon niet. Ik dacht: oh wacht, ik ga sms'en. Net op tijd herinnerde ik me echter dat ik het haat om te sms'en. Dus in plaats daarvan stak ik een sigaret op. De jonge jongens en de grootvader draaiden hun hoofd naar mij om. Direct voelde ik me de hoer van Babylon. Ik haalde de zonnebril uit mijn haar en zette hem op mijn neus. Ik blies uit, want dat was ik bijna vergeten.

De grootvader begon langzaam maar gestaag maar langzaam dus vele, vele schroefjes los te schroeven. Elk schroefje legde hij in het richeltje onder de voorruit. Al gauw was het een extreme schroefjeschaos in het richeltje. Ik vroeg me af of de grootvader straks bij het terugschroeven ook schroefjes zou overhouden. Bijna wilde ik aanbieden wat foto's van elke stap uit het proces te maken, zodat we het later nog eens rustig konden bekijken op mijn telefoon. Ik hield me in. Je moet mannen niet afleiden, ik weet het. En fotootjes maken van een proces met schroefjes, dat is vast net zo erg als de weg moeten vragen.

Op de snelweg raasden de auto's nog steeds voorbij.
'Word je niet gek van dat lawaai', vroeg ik aan de oudste jonge jongen.
'Neuh', zei de jongen.
'Wen je eraan of zo', zei ik.
'Niks geen last van', zei de jongen schouderophalend.

Ik inhaleerde diep.

Er kwam een man op een brommer het terrein oprijden.
Al mijn hoop was nu gevestigd op de man op de brommer.

14 juni 2006

jacq en de koe in de sloot

Toen stonden we ineens stil. Om ons heen was niets dan weiland en koeien. De meesten lagen op hun dooie akkertje dingen te verteren die ze niet zomaar konden verwerken. Eén koe, die daarvoor de concentratie niet had kunnen opbrengen, stond op het punt in een sloot te vallen en op een vreselijke manier aan haar einde te komen, want koeien zijn vrouwelijk he.

Ik zag een beeld voor me van de boer die de volgende ochtend de lugubere ontdekking deed. Een koe die op haar rug drijft in een sloot, dat moet geen prettig hoewel dat lijkt me ook wel eens grappig om te zien, haha! Wat moet je eigenlijk doen als je vanuit het treinraampje een koe ziet verdrinken, dacht ik. Oh ik wist het al. De boer bellen! Maar hoe kwam je aan zijn telefoonnummer, dus er zou wel weer niets van komen. Ik wendde mijn blik af van de koe die nog een stapje verder had gezet naar een wisse dood. De andere koeien kauwden in hun slaap. Een enkeling volgde de verrichtingen van de koe bij de sloot met dezelfde intensiteit als die waarmee ik 's nachts de blonde snollen met hun doorrookte stemmen op televisie over mijn netvlies laat glijden. Ze zijn er wel, maar je ziet ze niet meer, hoe ver ze hun benen ook spreiden. Wie had dat kunnen denken in de jaren tachtig he jongens.

Het kon natuurlijk ook zijn dat het hier om een koe ging die het normaal gesproken altijd voor de andere koeien verpestte en dat de andere koeien nu in een soort stilzwijgende afspraak hun mond hielden, en slaap simuleerden, in de hoop dat de koe dus echt ontzettend ging verdrinken. Ik dacht aan het belang van de groep, dat soms voor het individu moet gaan. En je hoort wel eens dat de verdrinkingsdood eigenlijk een heel mooie is. Gerustgesteld wendde ik me van het raam af.

Er ging een klein schokje door de trein. We reden weer.
'Jeuj!', riep een kind.

12 juni 2006

jacq en de hete zwarte jongen

[Oh men, echt bloedstollend spannend allemaal dat gedoe met die auto en zoo. Maar nu ff wat anders hoor.]

Het was warm. Het was echt heel erg warm. Het leek wel alsof de machinist desalniettemin had gedacht: bah, niks niet behaaglijk aan de voeten en de verwarming aan had gezet. Ik had zin om me hierover vreselijk op te winden maar het was veel te warm om je waar dan ook maar over op te winden. Ik moest onbeweeglijk blijven zitten om zodoende in leven te blijven.

Tegenover mij kwam een jongen zitten. Hij was zwart. Hij was echt heel erg zwart. De jongen was zo intens zwart, dat ik moest opletten dat ik niet direct mijn gefascineerde blik opzette. Mijn gefascineerde blik is echt heel erg. Ogen op steeltjes, mond open en zo. Ik klemde mijn lippen op elkaar. Ik keek naar zijn handen. Die waren ook zwart. Dat was op zich logisch, en ook fijn, leek mij. Je zult maar zo zwart zijn als deze jongen en dan witte handen hebben, dan loop je dus echt voor gek. Ik keek naar mijn eigen handen. Het contrast was enorm. Ik moest denken aan het stichtelijke boekje dat ik ooit las toen ik nog een kind was, over een zwart jongetje dat zich alsmaar waste met zeep om net zo blank te worden als de andere kinderen.

'Pffffff', zei de jongen. Met zijn rechterhand waaide hij zich koelte toe. 'It is too hot', zuchtte de jongen. Opnieuw wapperde hij met zijn hand. Het zag er wat nutteloos uit. Er komt niet veel lucht van een wapperende hand af volgens mij. Bovendien vroeg ik me af of de eventuele koelte wel opwoog tegen de lichamelijke inspanning van het wapperen. De zwarte jongen keek mij wanhopig aan. Ik knikte op een manier die duidelijk maakte dat we dit gevoel samen deelden maar dat ik er verder niet over wilde converseren. Het was te warm voor een conversatie. En zeker voor een conversatie over de warmte. Moest het bovendien niet zo zijn dat zwarte mensen veel beter tegen de warmte kunnen dan witten zoals ikzelf? Ze mogen dan goed kunnen dansen en zo, maar het zijn wel aanstellers, peinsde ik.

Ik probeerde ijsschotsen in mijn hoofd te denken, maar tegen de tijd dat ik ze op mijn netvlies had, waren ze al gesmolten.

08 juni 2006

de zieligheid van jacq

Uit de werkplaats kwam een kleine, tanige man met stug blond haar waar grijs doorheen kwam. Ik stak mijn hand op. De man gaf zijn hoofd een klein rukje naar boven. 'Goeienmiddag', riep ik toen hij dichterbij was. Er kwamen juist drie vrachtwagens voorbij. Ik kwam nauwelijks boven het geraas uit. 'Goeiendag', zei de man. Tenminste, ik zag aan zijn lippen dat hij zoiets zei; zijn stem ging ten onder aan het lawaai. De opgetrokken wenkbrauwen van de man gaven zijn gezicht een verbaasde uitdrukking, alsof hij zich afvroeg wat ik hier in godsnaam te zoeken had. Maar misschien was dat gewoon Staphorsts voor zegt u het eens.

'Ik zoek een auto die niet groot is maar ook niet klein', zei ik.

De man keek mij drie seconden aan, zonder met zijn ogen te knipperen. Ik telde mee, vandaar dat ik het nog weet. Drie seconden klinken kort, maar ze zijn dus lang.

'Zoiets dan', zei ik zielig.

Ik voelde me een sukkel. In den beginne was ik gegaan voor een auto met uitstraling. Hoe groter de auto, des te uitstralender de jacq, dat was het idee erachter. Maar hoe langer mijn zoektocht duurde, hoe kleiner de auto werd. Dat kwam door de autoverkopers, die mij vrijwel zonder uitzondering kort opnamen en vertederd zeiden: 'Ach, u zoekt zeker een klein autootje'. De eerste zes keren riep ik nog verontwaardigd nee. Bij de zevende autoverkoper was ik murw en liep als een geslagen hond mee over hun tochtige autoparken naar de handzamere modellen die eventueel ook nog in te parkeren zouden zijn voor een vrouw.

'Nou ja, zoiets dan dus', zei ik.
'En een open dakkie?', piepte ik.

De man knipperde een paar keer langzaam met zijn ogen. Het was of hij wilde zien of ik er nog zou zijn als hij zijn ogen weer open deed. Maar ik was er dus nog. Iets van teleurstelling zakte op zijn gezicht. 'Euh ja ...', zei de man. En hij keek rond over zijn wagenparkje. Ik keek zo'n beetje mee. Ik zag een open einde aankomen, maar het kon natuurlijk ook een cliffhanger zijn. Net als in het echt leven weet je nooit waar de dingen op uitdraaien. En of ze wel ergens op uitdraaien.

06 juni 2006

in staphorst staat de tijd dus stil

Het stond eigenlijk al vast dat de koop nu gesloten zou gaan worden. Het autobedrijf in Staphorst was het laatste op mijn lijst en ik was moe en der dagen zat. Ik moest een auto en ik moest hem nu. Vaag besefte ik het gevaar van mijn gemoedstoestand, die mij deed denken aan het moment net voordat ik veel te dure laarzen koop. Maar dat besef werd overschaduwd door een plezierig voorgevoel. In Staphorst leven godvrezende mensen, in de letterlijke zin van het woord. Men zou mij er geen auto zonder motor durven verkopen, omdat de Here dat zou zien en er later bij hen op zou terugkomen. En dan niet op een manier van 'Zeg Klaas, kom even rechts van mij zitten, eeeuh trouwens nog even over die auto', maar echt gewoon nog met nou ja, de hel dus, met vuur en alles. Geloof mij, niemand die in Staphorst is geboren, neemt het risico om na zijn dood nog eens in een hel te komen, ook al is die dan een stuk warmer. Dus dat zat wel goed.

Het bedrijf zat aan de weg die parallel aan de snelweg liep. Het lawaai van de voorbijrazende auto's was vrijwel constant. Ik keek om me heen, waar schots en scheef de occasions wachtten op een leven na dit leven, dat eigenlijk geen leven was. Ik had direct medelijden en ik vroeg me af wat dat toch is in mij, dat ik zo snel medelijden heb met alles en iedereen. Met stoeptegels die nooit zonlicht krijgen. Met spruitjes. De heks uit Hans en Grietje. En nu dus ook al met tweedehands auto's. Hoewel, als iemand je wegdoet, is het soms ook heus wel je eigen schuld! Maar goed, wie wil dat horen.

Ik probeerde mezelf eruit weg te denken, uit de situatie van de tweedehands auto's. Aan weerszijden van de auto's stonden twee huizen. Het ene was oud, het andere was nieuw. Achter mij op de snelweg denderden een paar vrachtwagens voorbij. Alles trilde. Jezus Christus, hoe kunnen die mensen hier leven, dacht ik verbijsterd terwijl ik in gedachten mijn excuus aan God aanbood.

De voordeur van het oude huis ging open. Een vrouw in klederdracht stapte naar buiten. Ik knipperde met mijn ogen. Traag stak ik een hand op. De vrouw beantwoordde mijn gebaar, maar liep van mij weg. Ik deed drie stappen naar voren en toen weer drie stappen naar achteren. Op een grote paal stond een vierkante klok die op vijf voor half drie stond. Vijf voor half drie?! Ik keek op mijn mobieltje. Het was kwart over vijf. Ik kon mijn blik maar moeiijk losmaken van de klok. Maar drie minuten later was het nog steeds vijf voor half drie. In Staphorst liggen de metaforen voor het oprapen, dacht ik terwijl mijn oren zich vulden met auto's.

01 juni 2006

jacq rookt zich niet dood

Even dreigde het nog leuk te worden ook. Dat was toen we ook een negatieve eigenschap van de andere teamleden mochten opnoemen. Ik stak direct mijn vinger op. 'Je moet het eigenlijk zien als een cadeautje', zei de vrouw. 'Want de ander kan dat dan fijn in zijn rugzakje stoppen.' Mijn vinger zakte omlaag. Ja, als het zo moest!

'Wie wil er beginnen', zei de vrouw.
'Nou, het is niet persoonlijk bedoeld', zei N. tegen D.
'Maar ik vind jou soms best wel weinig empathisch.'
'Herken je er iets van bij jezelf, D.?', vroeg de vrouw.
'Nah nee', zei D.
'Dan stop je 'm toch gewoon niet in je boodschappenmandje', zei de vrouw.
Ze gooide een denkbeeldig iets over haar schouder.
Net zo makkelijk.
'Oh, da's goed', zei D.
'Wie wil er nu iets over D. zeggen', zei de vrouw.
'Zeg, doen we trouwens nog rookpauze', zei ik.
Dat gingen we even afstemmen.
Er waren vier op tegen maar ik was heel erg voor.
En als ik ergens voor ben, dan eh.
Dat is zeg maar een positieve eigenschap van mij.
Dus we deden rookpauze.

Kon ik mezelf maar doodroken nu, dacht ik toen ik eenmaal buiten stond.
Kon ik mezelf maar doodroken, zodat ik nooit meer naar binnen hoefde.
Nou, ik heb er echt alles aan gedaan.
Maar dat lukte dus niet.