stukjes jacq

29 mei 2006

jacq en de ondankbare hond

Tegenover mij in de bus zat een hond die langs mij heen keek. Het was zo een hond die je wel eens op jachttaferelen ziet. Dan rent er ergens een everzwijn met de dood in de ogen en daar rent dan zo een hond achteraan. Of dan ligt er ergens een everzwijn met een speer in zijn rug, en dan zit zo een hond ernaast op een manier van jahaa dankzij mij dus he. Wat een arrogantie zeg, je doet het toch samen met zijn allen! Oh men, ik heb ook zo iemand op mijn werMaar daar gaat het nu niet om. De hond keek langs mij heen. Ik kuchte. Ik word graag opgemerkt door honden. De hond draaide traag zijn kop en keek mij aan. De blik in zijn ogen was leeg. Ik had er net zo goed niet kunnen zijn wat de hond betrof. Ik zuchtte. Dit was een hond waarmee niets te beginnen viel en ik had het kunnen weten. Je pikt ze er op een gegeven moment zo tussenuit, want dat is de kracht van levenservaring.

Ik liet mijn ogen afdwalen en verplaatste mijn aandacht naar de baas van de hond. Vanuit mijn ooghoeken zag ik belangstelling van de hond toenemen. Te laat, fukker! De baas van de hond was een man met wit haar en groene regenlaarzen. Kan ook andersom zijn geweest. De man ving mijn blik en keek direct vol aandacht terug. Zo kan het dus ook. Ik glimlachte. Glimlachen doe ik vaak en graag. Een glimlach is de deur naar het hart van de ander. De man glimlachte terug. Traag opende hij zijn oude mond. Ik deed direct mijn ogen dicht en viel in een nepslaap. Een gesprek met een hond is tot daar aan toe, maar met mensen doe ik het eigenlijk liever niet.

Pas toen viel mij het rijgedrag van de buschauffeur op. De buschauffeur reed zo agressief dat het me een heel bedeesde man leek, in the privacy of his own home dan. Hotsend en klotsend (?) raceten wij door het centrum. Her en der sprongen mensen opzij. Het was een kwestie van tijd voordat er eens eentje geschept ging worden. Belangstellend boog ik me wat meer naar het raampje toe.

26 mei 2006

de gesprekken met vriendin een

'Hois', zei ik toen ik de telefoon opnam.
'Hois', zei vriendin een.
'Haha!', zei ik.
'Hahaha!', zei vriendin een.
'Hahahaha!', zei ik.
'Hahahahaha!', zei vriendin een.
'Hahahahahaha!', zei ik.
'Hahahahahahaha!', zei vriendin een.
'Duuuuus', zei ik.
'Jij nog wat', zei vriendin een.
'Nee niks, jij?', zei ik.
'Neuh kooknie', zei vriendin een.
'Ok doeis mop', zei ik.
'Doeis lieverd', zei vriendin een.

24 mei 2006

het leven van het kappersmeisje

'Hoest op je werk dan', vroeg het kappersmeisje.

Nou, ik schrok me dood. Allereerst omdat het gesprek zo verschrikkelijk onaangekondigd op mijzelf was gekomen. Was het kappersmeisje soms uitgepraat over haar eigen leven? En zo ja, hoe kon dat? Was het leven van het kappersmeisje niet tot de nok toe gevuld met events die erom schreeuwden om gedeeld te worden met mensen, dieren en andere objecten die op het verkeerde moment op de verkeerde plaats waren? Nog afgezien daarvan: hadden wij het ooit over mijn werk gehad, het kappersmeisje en ik?! En wat had ik toen in vredesnaam verzonnen, qua eh werk? Welk zielig lulverhaal kon ik hebben opgehangen, want oh ja dat kan ik? Vertel mij een zielig lulverhaal over jouw leven en ik lul jou eruit hoor.

Wanhopig groef ik in mijn hoofd, net onder het haar waarin het kappersmeisje wild aan het knippen was. Blond haar dwarrelde verward over mijn schouders naar de vloer.

'Ach, wat zal ik zeggen ...', zei ik om tijd te winnen.
Nietsziend keek ik in de spiegel.
'Ik heb trouwens nog steeeeds last van mijn darmen', zei het kappersmeisje.
'Vertel! Me! Meer!', riep ik opgelucht.

--
[disclaimer: dit is wederom een mooi voorbeeld van een zogenaamd open einde en dus geen cliffhangert jah!!!]

22 mei 2006

jacq is echt, echt unhappy nu

Het vooruitzicht van een hele week regen vervult mij met een week, regenachtig gevoel. Omgekeerde voorpret, dat gevoel ervaar ik nu heel sterk. Heel heel heel sterk. Ik heb zin om dingen te doen die me vrolijk maken. Zoals bijvoorbeeld naar de Praxis gaan om verf te laten mengen maar dat je dan wel na het mengen mag zeggen: en nu graag nog een druppeltje wit erbij. En nu graag nog drie druppels zwart erbij. En nu een pot oransje. Net zolang tot je een verfkleur hebt die je dan echt niet wilt kopen. En dat dat dan allemaal mag.

Maar dat mag toch vast weer niet.
Wat een kutweek is dit zeg.

Ik doe geen cliffhanger ook.

18 mei 2006

jacq en het lijk voor de deur

Toen gebeurde er iets vreselijks.
Moet je even in het vorige stukje lezen wat eraan vooraf ging, anders snap je die zin niet he!!!

Toen gebeurde er iets vreselijks. Later zei ik tegen Boris V.: 'Het was net alsof er iemand van het dak gleed, in de dakgoot stortte en daarna met dakgoot en al bovenop mijn fiets landde, die met een kletterend geraas op straat knalde.' Maar Boris V. reageerde niet. Wel hoorde ik een snurkgeluid. Boris V. was in een diepe, diepe slaap gevallen. Gebeurt wel vaker als ik zinnen met meer dan vier woorden erin gebruik, dat trekt hij vaak niet. Het is een dier hè, geen mens.

Enfin, op het moment zelf had ik geen woorden. Verstijfd zat ik op mijn immens grote loungebank. Er lag iemand dood voor mijn raam, dat kon niet anders. Ik wachtte tot er iets zou gebeuren. Bijvoorbeeld dat de dooie zou gaan schreeuwen of vloeken. Maar buiten bleef het heel stil. Oei, dacht ik. Geen goed teken.

'Als iemand net dood is, heet het dan ook al een lijk?', fluisterde ik tegen Boris V.
Ik vind het woord lijk wel zo een rotwoord namelijk.
Boris V. echter zat rechtop op mijn immens grote loungebank. Het enige wat aan hem bewoog, waren zijn oren. Langzaam draaiden ze hun halve rondjes. Dat is Boris V. zijn manier om te laten zien dat hij echt geen idee meer heeft.

Een lijk is iets wat er al langer ligt, besloot ik.
Ik was direct opgelucht.
Dit lijk lag er nog maar net.
Dus feitelijk was het geen lijk.
Ik leunde terug in de kussens.
Ik zocht naar mijn boekje.
Kon niet vinden.
'Hou eens op met die oren', snauwde ik tegen Boris V.
Traag bewogen de oren van Boris V. in mijn richting.
Zijn ogen vonden de tv-gids.

'Zou er ook CSI op zijn', zei Boris V.
'Nee, ga maar even buiten spelen', zei ik automatisch.
Geschrokken keken we elkaar aan.
Nee, buitenspelen was nu misschien niet zo een goed idee.
Misschien moesten we daar even een paar weken mee wachten.
'Nou, zet de televisie dan maar even aan', zei ik.
'Hiep hoi! Hiep hoi!', riep Boris V.

Dat deed me aan mijn eigen jeugd denken.
Vertederd keek ik naar Boris V.
Soms zie je je vroegere zelf weerspiegeld in je eigen kat.
Zo mooi is dat.

16 mei 2006

de vredigheid van jacq

Vredig lag ik op mijn immens grote loungebank. Ik las een boekje, maar het kan ook zijn van niet, wat maakt het in vredesnaam uit, dat gelul eromheen ook altijd. Vredig lag Boris V. naast mij. Hij las de tv-gids van vorige week. Soms zei Boris V. iets in de trant van 'Heejj CSI is erop! Zet 'm aan, zet 'm aan!' En dan kon ik zeggen: 'Nee hoor, dat was vorige week, er is niks op nu, ga anders even fijn buitenspelen'. Ik vind buitenspelen voor huisdieren belangrijker dan televisie kijken.

Enfin, vredig lag ik op mijn immens grote loungebank. Er was stilte. Er was rust. Er was vredigheid, maar het kan zijn dat ik dat al gezegd heb. Zelden was er zoveel rust in een weblogstukje en dat is natuurlijk alleen maar onheilspellend. Ik denk dat er in de volgende zin van dit stukje echt iets vreselijks gebeurt.

Toen gebeurde er iets vreselijks.

[ik doe even een cliffhanger, ik moet werken, daaaarom]

12 mei 2006

jacq en het lijk in de auto

[deel 1]
[deel 2]
[deel 3]

Ik trok het portier naar me toe. Toen hoorde ik een klik. Ergens viel nog een deur dicht. Iets ving mijn oog in de achteruitkijkspiegel. De gelige man. Op de achterbank van de auto. Er schoof een wolk voor de zon. Mijn rechterhand, die met de autosleutels erin onderweg was geweest naar het contact, stokte. Mijn adem ook. Mijn ogen ook. Oooh jawel, ogen kunnen wel stokken. Ik wist mijn blik niet los te maken van de achteruitkijkspiegel.

'Zo', zei de gelige man in mijn nek.

In gedachten sprong ik uit de auto, wierp al mijn kleren van me af en rende naar de horizon. Nee, dat stukje van die kleren begrijp ik zelf ook niet goed. Mja, dat van de horizon ook niet echt. Volgens mij is dat echt een kuteind rennen namelijk. Ik haat rennen. Daarom wou ik ook een auto. Wat een onzalig plan was dat geweest eigenlijk.

'Hier maar links', zei de gelige man.

Met die drie woorden kwam er een geur van vroeger in mijn neus. De gelige man boorde in al zijn geligheid en achterbankerigheid een vertrouwde herinnering bij mij naar boven: de gruwelijk enge rij-instructeur die mijn goedlachse Corry op kwade dagen wel eens verving. 'Hier maar links', zei de gruwelijk enge rij-instructeur dan bijvoorbeeld, terwijl hij met zijn vette hand op de mijne ruw terugschakelde naar zijn twee. De gelige man kuchte. Als in een waas stak ik de autosleutel in het contact, rammelde wat met de versnellingspook, trok de handrem eraf en reed de straat uit.

Ik weet niets meer van de proefrit. Ik weet alleen nog dat de gelige man doodstil op de achterbank zat. Zo doodstil, dat ik op een zeker moment dacht: hij is dood. Ik heb een lijk op de achterbank, dacht ik. Eerst vond ik dat een stoer idee, later vond ik het een smerig idee. En nog later had ik geen idee hoe ik het de zoon en de zoon van de zoon zou moeten uitleggen. Ja, nou, uw vader was ineens eh dood, kijk zelf maar. Ik zou vergoeilijkend glimlachen. Maar de zoon zou mij de schuld geven, want dat doen autohandelaren. De zoon van de zoon zou roken, tot hij zich doodrookte. Maar dat zou pas jaren later zijn. Hopelijk was men mij dan vergeten.

Toen waren wij weer in de straat.
Ik remde zo abrupt dat de gelige man naar voren schoot. Hij greep zich met zijn beide handen aan mijn stoel vast. Hij leefde, want dat doen dooien niet.

'Ik denk er nog even over na', zei ik
De gelige man spuugde iets uit.
'Oh, ik denk wel dat ik het doe hoor', suste ik.
'Ik moet het alleen nog even thuis overleggen', zei ik.
Met Boris V., dacht ik.
Want daar overleg ik dus altijd alles mee.
Maar dat hoefde de gelige man verder niet te weten.
'Nou ...', zei ik.
'Jah', zei de gelige man hol.
En hij draaide zich om.

En ik draaide me om. Ik stak mijn hand in mijn broekzak. Mijn vingers omklemden mijn fietssleutel. Met mijn duim drukte ik in de randjes, net zo lang tot het een beetje zeer deed. Het was een fijn gevoel. Oh, het was een vreselijk fijn gevoel.

08 mei 2006

jacq en de achteruitkijkspiegel

[deel 1]
[deel 2]

'We gaan eens even een stukje rijden', zei de gelige man toen we buiten stonden.

Ik was verbijsterd. Door het aantal woorden, dat allereerst. Maar vooral ook door zijn voorstel, dat niet eens een voorstel was. Ik wilde helemaal niet samen een stukje rijden, ik wilde in mijn eentje een stukje rijden. Noo fucking way dat ik met de gelige man een stukje ging rijden. Ik ging namelijk nog liever direct dood.

'Okidoki', zei ik opgeruimd.
En ik dacht: okidoki?!
En ik liep naar de bestuurdersdeur.
En de gelige man opende de passagiersdeur.
En ik opende de bestuurdersdeur.
En de gelige man zette zijn linkervoet in de auto.
En ik zette mijn rechtervoet in de auto.
En ik trok mijn rechtervoet weer uit de auto.
En ik zei: 'Euh ...'
En de gelige man keek mij aan over het dak van de auto.
En ik keek terug naar de gelige man.

'Hahaha!', zei ik.

Zozo, dat is een vreemde manier om een serieuze opmerking te introduceren, dacht ik nog. Maar toen had ik het al gedaan. En de serieuze opmerking moest nu komen. Nu dus. Nu. 'Het is niet om het een of ander', zei ik. Nu in een keer hupsakee door naar de kern jacq, riep iemand in mijn hoofd. 'Maar ik maak niet graag een proefrit met iemand naast mij', zei ik ademloos. Plus dat ik een kleiiin beetje bang was voor de gelige man. En dat kleine beetje, dat kwam omdat de zon zo lekker scheen. Dan zie je de dingen vanzelf een beetje luchtiger. Bij een dicht wolkendek was ik al lang en breed gillend en wel weggerend, om dan later terug te sneaken voor mijn fiets. In de stad ben je niets zonder fiets he.

De gelige man bleef mij aankijken. Ik hem ook en ik probeerde niet te knipperen. Wie het eerst knippert die verliest, dacht ik. De man snoof. Of snuift, dacht ik. En ik trok mijn wenkbrauwen op, ten teken dat ik gewonnen had. 'Oke', zei de gelige man, en hij gooide het portier dicht. Ik ademde uit. Mijn schouders ontspanden zich. Ik zette mijn rechtervoet weer in de auto en plofte in de bestuurdersstoel. Ik trok het portier naar me toe. Toen hoorde ik een klik. Ergens viel nog een deur dicht. Iets ving mijn oog in de achteruitkijkspiegel. De gelige man. Op de achterbank van de auto.

Er schoof een wolk voor de zon.

05 mei 2006

jacq zegt okidoki

'Haar naam is Laura, een hele lieve meid', zong Jan Smit vanuit het kantoortje.

Ontroering beving mij. Jan Smit is echt volwassen aan het worden. Of dat echt een goed idee is, weet ik trouwens niet. Maar toch was ik ontroerd. En direct daarna geirriteerd, namens Laura dan. Je zult maar een hele lieve meid worden genoemd. Klinkt toch een beetje alsof je verder niet goed wijs bent. Maar wel een hele lieve meid, hoor. Maar in wezen dus gestoord.

Ik was zo'n beetje in de deuropening blijven staan. Het kantoortje was dermate met rook gevuld dat ik pas na enige tijd zag dat er nog meer mensen waren. Om een eettafel zat een man met een leren jasje, met bruin en blond haar. En er hing een magere puber, ook met een leren jas. De gelige man was de opa besloot ik. En de rest zijn offspring.

'Goeienmiddag', zei ik.
'Goeienmiddag', zei de zoon.
De zoon van de zoon keek naar mij en keek toen weg.

Ik zweeg. Ik had eigenlijk willen praten maar ik zweeg. Dat kwam door de zoon van de zoon. Die zat bewegingloos te zitten. Ik word nerveus van puberjongens en zeker als ze niet bewegen. De gelige man zette zich aan een klein bureautje en rommelde in een la. Op de deur waren tientallen foto's geplakt. Familiekiekjes. In een ervan meende ik de gelige man te herkennen, van toen hij nog een stuk jonger was. Fier en met slechts een paar groeven in het gezicht stond hij naast een grote auto. Een jongen van een jaar of vijftien stond naast hem. Net zo trots. In die tijd had je nog geen pubers.

'Zoek je', zei de zoon die het niet van een vreemde had.
'Renault', zei de gelige man.
'Linker', zei de zoon.
'O Laura, een leven vol verdriet, al haar vrienden lopen buiten', zong Jan Smit.

Lijkt me ook niet fijn nee, dacht ik, om de hele tijd maar binnen te zitten. Zeker nu met dat mooie weer. Wordt het eindelijk lente, zit je daar. En helemaal erg natuurlijk als je dan al je vrienden ziet lopen. Wat zijn dat eigenlijk voor vrienden die niet even aanbellen zo van hee Laura ga je ook mee. Maar die hadden natuurlijk zoiets van sjaaa hele lieve meid die Laura maar zo gek als een centje. Wat zo een Jan Smit met zijn liedjes al niet kapot kan maken zeg!

Bij de derde sleutelbos was het raak. De gelige man schoof zijn stoel naar achteren en maakte een hoofdgebaar. Ik mocht weer mee naar buiten.
'Goeienmiddag', zei ik tegen de zoon en de zoon van de zoon.
'Dag', zei de zoon terwijl hij rook uitblies.
De zoon van de zoon trok driftig een pakje shag naar zich toe.

'We gaan eens even een stukje rijden', zei de gelige man toen we buiten stonden.

Ik was verbijsterd. Door het aantal woorden, dat allereerst. Maar vooral ook door zijn voorstel, dat niet eens een voorstel was. Ik wilde helemaal niet samen een stukje rijden, ik wilde in mijn eentje een stukje rijden. Noo fucking way dat ik met de gelige man een stukje ging rijden. Ik ging namelijk nog liever direct dood.

'Okidoki', zei ik opgeruimd.

03 mei 2006

het cynische lachje van jacq

De gelige man met de diepe groeven in het gezicht had eigenlijk niets meer gedaan dan naar de auto wijzen. Ik was eromheen gelopen, had gebukt en zo'n beetje naar binnen gekeken. Ik had ten overvloede nog mijn hand boven mijn ogen gehouden om het zonlicht af te schermen. Er zat een stuur in, zag ik. Ik was direct enthousiast. Maar ik had slechts gehumd. Verder wist ik niet goed waarnaar ik moest kijken, maar ik had mijn wenkbrauwen gefronst en aan mijn onderlip getrokken om te laten merken dat ik iemand was die overal dwars doorheen keek. Even overwoog ik een cynisch lachje, maar ik was er niet zeker van dat het lachje zou lukken.

'Dan wil ik nu wel graag even een proefritje maken', zei ik.
'Als dat tenminste mogelijk is', zei ik.
'Dat lijkt me wel handig', zei ik.
'Want dan kun je zien hoe de auto feitelijk rijdt he', zei ik.
'En daar gaat het tenslotte om, hahaha!', zei ik.

Ik schudde mijn hoofd. Soms schud ik mijn hoofd al als ik nog bezig ben met praten. Dan hoor ik mezelf. En dan denk ik: oh shut up meisje. Shut alsjeblieft up. Ik tuitte mijn lippen en kneep een oog gemeen dicht.

'Ja', zei de gelige man met de diepe groeven in het gezicht.

Het leek meer op een hoest. Misschien was het dat ook. De man zag eruit alsof hij rokend was geboren. Ik moest een beetje giechelen bij het idee van een pasgeboren baby die om een asbak vraagt, maar ik besloot er niet verder op in te gaan in mijn hoofd. De man draaide zich om en liep naar het kantoortje. Altijd lastig, mensen die naar kantoortjes lopen. Mag je mee of mag je niet mee, that's the question. Ik pielde wat tussen twee stoeptegels met de teen van mijn laars. De man draaide zich om en maakte een hoofdgebaar. Ik maakte een huppel die ik niet had bedoeld. Ik mocht mee.

'Haar naam is Laura, een hele lieve meid', zong Jan Smit.