stukjes jacq

30 april 2006

jacq is wat stilletjes, hè

Dat komt: het is even vakantie hier, dat had ik misschien niet gezegd maar dat had ik misschien wel even moeten zeggen. Het punt is: het overkwam me en ineens zit ik er middenin!

Hoe dan ook beste mensen, volgende week weer stukjes in de trant van
- het vloeken van jacq
- de muisarm van boris v.,
- jacq en het lijk in de auto,
- het sigarettenalarm van vriendin één, en
- waarom jacq de here god niet is.

Want laten we wel wezen: de meeste stukjes gaan natuurlijk gewoon gezellig over mezelf, haha!

Maar nu eerst nog weer even vakantie.
Ik kan er ook niks aan doen.

25 april 2006

het gnorken van de jacq

Ik dacht dat ik gek werd. Ik had net mijn deusspray van me af geworpen. Ik had weer lucht. De mensen van de tissuefabriek mochten stoppen met overwerken. Eindelijk 's avonds weer eens de kinders in bed stoppen! En mijn neustussenschot, of wat daar dan nog van over was, haalde opgelucht adem.

En toen werd ik opnieuw verkouden. Ik snufte en ik snotterde. Ik zat in de trein en toen mijn mp3-speler even stokte, hoorde ik mezelf mijn neus ophalen. En nog een keer. En nog een keer. Ik realiseerde me dat ik de hele treinreis al mijn neus aan het ophalen moest zijn - of laten we het liever gnorken noemen want dat was het gewoon - en dat iedereen om mij heen dat al die tijd moest hebben gehoord. Behalve ikzelf. Zo zie je maar weer: als je de dingen zelf niet hoort, zijn ze soms gemakkelijker om te doen. Een leermoment eerste klas. Ik reis zelden meer met het plebs.

Ik moest ineens denken aan de brugklas, waar de stijve Engelse juf in haar geruite plooirokken langs de rijen schreed. Ik was verkouden en ik gnorkte. Ik gnorkte meer dan eens. Niet dat ik dat wist. Die dingen gaan soms zonder dat je ze weet. Woest had de Engelse juf zich omgedraaid. Oh for heaven's sake, had ze geroepen in het aanstellerige hypercorrecte Engels dat leraressen nu eenmaal spreken. Would you pleeeease use a hankerchief!? Mijn mond was opengevallen. Ik had het niet zien aankomen. Ik was een kind dat alles zag aankomen. Maar ik had het niet zien aankomen. Een enorme gene overviel mij. Hankerchief, hankerchief, hamerde het in mijn hoofd. De juf keek griezelend op mij neer. Het leek wel of ik een sloppenkind was, terwijl: ik kwam dus mooi niet uit een sloppenwijk. Ik had mijn rode hoofd gebogen, en nimmer meer gegnorkt.

Uit wraak haalde ik een tien voor het eerstvolgende proefwerk, en alle volgende proefwerken daarna. Want zo een kind was ik dan ook wel weer.

21 april 2006

het gebit van boris v.

Eerst lag ik fijn op een strand.
Later moest ik ineens heel hard zwemmen om niet te verdrinken.
En even dacht ik: ik verdrink gewoon.
Want het was best fijn.
Maar toch kon ik het niet.

En nog weer later wou Boris V. zijn tanden poetsen.
Alleen hij had geen tandenborstel bij zich.
'Oh, dat geeft niet', zei vriendin een.
Zij rommelde wat in een laatje.
En hield een blauwe tandenborstel omhoog.
'Dit is onze gastentandenborstel', zei vriendin een trots.
Ik kreeg de indruk dat ze een reactie van mij verwachtte.
'Dat is een ... mooie', zei ik.
'Ik ben dus een gast', zei Boris V. blij.
En hij nam de tandenborstel van vriendin een aan.
Maar ik dacht: gatver zeg, een gastentandenborstel.
Dus ik zei: 'Gatver zeg, een gastentandenborstel!'
Vriendin een direct van hoezo.
Boris V. ook direct van hoezo.
Dus ik zo van: 'Ja hallo, je zal maar de derde gast zijn!
En dan net een weekend na Boris V. bijvoorbeeld!'
Nou, vriendin een direct beledigd.
En Boris V. echt helemaal su-per-beledigd.
En niemand wilde meer vrienden met mij zijn.

Dus ik dacht: och, was ik maar verdronken geraakt.

18 april 2006

jacq en de besmette boterham

Ik zag de jongen tegenover mij een boterham met kaas uit zijn tas halen en ik werd direct jaloers. Het leven als jongen is een stuk gemakkelijker, denk ik. Ik weet het eigenlijk wel zeker. Niet dat ik ooit een jongen zou willen zijn, oh nee! Hahaha! Het idee! Hahahaha! Jezus ik kom haast niet meer bij. Maar toch he. Jongens hebben het makkelijker, zonder emoties en de zucht naar chocola.

Ik deed een greep in mijn tas en haalde mijn boterham met kaas tevoorschijn. De jongen tegenover mij keek me aan. Toen keek hij naar zijn boterham en naar de mijne. En toen keek hij mij weer aan. Wat een loser zonder enige oorspronkelijkheid ben jij, zei de jongen met zijn blik. Ik keek terug en trok mijn wenkbrauwen op. Is er soms een wet die verbiedt dat je in navolging van een vreemde die tegenover je zit een boterham met kaas gaat eten? Ik dacht het niet, beste mensen! En we leven hier nog steeds in een vrij land. De jongen wendde beschaamd zijn blik af en slikte. Zijn laatste stukje boterham door.

Ik op mijn beurt wendde me met een ruk af richting het raam. En tijdens die ruk schampte mijn boterham langs de stoelleuning. Ik hield mijn boterham een eindje van mij af en keek intens naar het stukje dat had geschampt. Er was zo snel niets aan te ontdekken, maar ik ken mensen die de hele boterham nu direct zouden weggooien. Was dat eigenlijk het enige juiste dat men kon doen in deze situatie? Had het schampen ziekmakende dingen gedaan met de boterham?
Of was het feitelijk niet al zo dat als je je boterham in een treincoupe tevoorschijn haalde, dat er dan al een regen van bacillen, stof, snotjes en hondenharen op neerdaalde? Maakte het iets uit of je honger had, en dat deze boterham de enige was die je bij je had? Ik hield mijn boterham voor het raam, zodat het licht er goed op viel. De jongen tegenover mij trok zijn wenkbrauwen op maar blikken werpen deed hij niet meer. Ik draaide mijn boterham in het zonlicht. Koeien verdwenen en verschenen achter de boterham.

Ik nam een beslissing die mij aan koning Salomo deed denken. Ik brak het besmette stuk van mijn boterham af en gooide dat in het prullenbakje. Toen ik mijn hand terugtrok, besefte ik dat ik met mijn hand aan het prullenbakje had gezeten. Wat was erger, een stoelleuning of een prullenbakje? Ik kon het antwoord wel raden. God, wat moest het verschrikkelijk zijn om aan smetvrees te lijden, dacht ik terwijl ik een denkbeeldig pluisje van mijn broek blies. Er zou geen einde komen aan de smerigheid.

Iets kriebelde mij. Ik deed een greep in mijn truitje en trok een lange zwarte haar waar geen einde aan leek te komen onder mijn oksel vandaan. Ha, vriendin een! Hoewel ik me niet kon herinneren dat ik die onder de oksel had gehad, en zeker niet onlangs. Ik liet de zwarte haar op de grond dwarrelen. Zo bijzonder dat een stukje van vriendin een nu vlakbij Utrecht lag, terwijl ze er zelf niet was geweest. De jongen tegenover mij was in slaap gevallen, of hij deed misschien alsof. Ik nam een hap van mijn overgebleven stuk boterham.

11 april 2006

jacq heeft een goeie dag

Ik had een heel goeie dag. Goeie dagen komen soms zomaar uit de lucht vallen. Nou ja haha, letterlijk dan hè, dan sta je 's morgens gapend je fiets van het slot te halen en dan valt er ineens een goeie dag uit de lucht. Als je niet geraakt wordt en dood neervalt, dan heb je écht een goeie dag. Met beide handen aangrijpen en direct in de fietstas stoppen, tenminste zo ga ik er dan mee om. Want op goeie dagen gaat alles beter. Dan zoef je andere fietsers met gemak voorbij in het stukje omhoog na de tunnel, en nee, niet alleen oude bejaarden met een houten been en slechts 1 trapper. Dan is er plek in het fietsenhok. En, ook niet onbelangrijk: dan kun je de knappe jongemannen op Kantoor gewoon aanspreken en een luchtige conversatie beginnen, bijvoorbeeld over het hiernamaals of terrorisme. Op minder goeie dagen blijft het gewoon bij euh hoi en daarna ga je dan maar weer verlegen aan het werk. Wat moet je anders, die dag moet toch om. Kun je maar beter zorgen dat je bezig blijft. Wordt het vanzelf een keer vijf uur. Of niet, dat gebeurt soms ook. Dan zit je er dagenlang, en heb je te weinig brood bij je.

Ik had dus een heel goeie dag. Met 1 vinger in mijn neus fietste ik het stuk omhoog na de tunnel. Links en rechts lagen gestrande bejaarden die dus duidelijk even een minder goeie dag hadden. Het fietsenhok was leeg, zodat ik even dacht dat het al Pasen was, maar dat was het niet. Ik converseerde dat het een lieve lust was of had. De knappe jongemannen converseerden bovendien terug, en dat scheelt vaak ook al een slok op een borrel omdat je dan ook een luisterhouding kunt aannemen, bijvoorbeeld met je wijsvinger tegen je neus. Moet je wel je goeie wijsvinger nemen, en niet De Door Het Ongeluk Misvormde Wijsvinger, want anders sla je dus een flater die zijn weerga niet kent.

10 april 2006

de 4 punten van jacq

Punt 1.
Ik ben een beetje ziekjes. Niet zo ziek dat ik niet naar mijn werk kan, maar wel te beroerd voor een stukje jah! Verzin zelf maar iets.

Punt 2.
De familie Blaauw heeft zich gemeld bij de krant. Men is verbijsterd. Ook over de paaseitjes. Ik had moeten anonimiseren. Ik anonimiseer altijd alles & iedereen. Behalve deze keer. Ik kwam er niet op. Ik kwam er gewoon niet op.

Punt 3.
Het is april en ik zit te wachten tot de eerste persoon zegt 'tja april doet wat-ie wil he', zodat ik die persoon direct hup tegen de grond kan meppen.

Punt 4.
Geen punt 4. Zie punt 1.

05 april 2006

de groeten van jacq

'Goeienmiddag samen', zei de jongen. 'Zij zoekt een snelle auto', zei mijn oom. 'Die desondanks goedkoop is', zei ik er snel bij. 'Och, die verkopen wij niet', zei de jongen zachtaardig. 'En die andere Blaauw, is dat familie?', wees ik naar de overkant. 'Eh ja', zei de jongen en hij bloosde. 'Dat is mijn oom', zei de jongen. 'Zozo ...', zei ik ter aanmoediging. 'Duuus mmm ...', zei mijn oom H. Wij zijn een heel sterk team, mijn oom H. en ik. 'Vroeger waren wij één bedrijf', zei de jongeman. 'Maar mijn vader en mijn oom praten niet meer met elkaar.'

Het werd heel stil tussen ons. Alleen de 34 paaseitjes in de jaszak van mijn oom H. tikten tegen elkaar aan. Met ons drieëen tuurden we naar links, over het water, naar waar de blauwe vlaggen trots wapperden. In mijn geest zag ik twee jongens die knikkerden, tegelijk verkering kregen en samen hun eerste auto verkochten. Daarna moet er iemand met de vuist op tafel hebben geslagen. En toen nog een keer. Maar waarom? Had de twistzieke vrouw van de één een lelijke opmerking over de jurk van de vrouw van de ander gemaakt? Was er ijverzucht tussen twee jongens die door hun vader altijd waren vergeleken? Een feit was dat er daarna twee firma's Blaauw waren, slechts gescheiden door wat water.

'Hebben ze ruzie gemaakt', vroeg ik. 'Mja', zei de jongen. Hij kneep zijn lippen op elkaar alsof hij zeggen wilde dat dit het laatste was wat hij erover kwijt wilde. 'Moet ik anders je oom de groeten doen dadelijk?', zei ik in een opwelling. De jongen schrok. 'Oh nee, doe dat maar niet', zei hij zacht maar dringend. 'Doe dat maar niet', herhaalde hij fluisterend. 'Oké, dan niet', suste ik. En wij namen afscheid.

'Wil jij eigenlijk nog naar die andere Blaauw', vroeg mijn oom H. Ik draaide me half om. Een wolk schoof voor de zon. Ik huiverde bij de helblauwe vlaggen die kil klapperden in de wind. 'Nee, doe mij liever nog eens zo'n paaseitje', zei ik. Mijn oom H. gaf mij er een met een rood papiertje. Weer een wit eitje! Ik kon een kreet niet onderdrukken. 'Bonzijder', zei mijn oom H. 'Heel bonzijder.'

03 april 2006

jacq lust alleen melk

'Hier moet het ergens zijn he', zei mijn lievelingsoom H.
'Ja, hier moet het ergens zijn', zei ik.
'Ik meen dat ze Blaauw heten, met dubbel a', zei ik terwijl ik de weg af tuurde.
'Blaauw met dubbel a', zei mijn oom H. terwijl hij plankgas gaf.

Ik trok mijn wenkbrauwen op. Waarom geven veel mannen plankgas als je op zoek bent naar iets in de zeer nabije omgeving? Dat leidt tot situaties waarin je tot zeven keer hetzelfde stuk weg rijdt, heen en terug. Net zolang totdat de bijrijder, meestal een vrouw, van onhoudbare frustratie zo hard begint te schreeuwen dat de man van schrik vaart mindert. Ik spreek nu even voor mezelf.

Wij sjeesden iets voorbij.
Ik draaide mijn nek om.
'Oh daar had je ze al', wees ik.
Ik draaide mijn nek weer terug.
'Oh, en daar komen ze nog een keer', wees ik verbaasd.

Aan weerszijden van het water stond een firma Blaauw, met vlaggen die wapperden. Bij de eerste waren het zeker vijftien blauwe vlaggen, alsof iemand een onvermijdelijke ingeving had gehad maar daarin was doorgeslagen. Bij de tweede firma Blaauw waaide het geel. 'De gele Blaauw eerst', zei ik. En mijn oom H. slipte zo maar het grind op.

Ik rechtte mijn rug. Ik ging vandaag een snelle auto kopen en ik was daarom vandaag een serieus te nemen vrouw maar toen ontdekte ik een glazen stolp met paaseitjes op de balie en dacht ik: zijn de blauwen nu melk en de rooien puur of is dat steeds weer anders, afhankelijk van welk bedrijf de paaseitjes heeft gemaakt? Het was maar een simpele vraag, maar oh men, de teleurstelling als je straks met een pure in de mond zou zitten! Het leek mij het slimste om zowel een blauw als een rood eitje te pakken, omdat je dan in elk geval wel een grote kans had dat er een melkeitje bij zat. Aan de andere kant: als je nu al zeker zou weten dat blauw melk was, kon je beter twee blauwe paaseitjes pakken want dan had je twee keer geen teleurstelling straks.

'Zeg', zei ik tegen mijn oom H.
'Ja?', zei mijn oom H.
'Kun jij eens zo een blauwe proberen?', vroeg ik.
'Natuurlijk', zei mijn oom H.en hij scheurde het papiertje van het eitje.
Een wit eitje.
Een wit eitje.
'Dat is bijzonder', zei ik hees van onderdrukte paniek.
'Inderdaad bonzijder, heel bonzijder', zei mijn oom H. die graag delen van woorden omdraait.
'Zou jij nu eens zo een rode wi ...', zei ik.
Maar toen kwam er een jongen aan gelopen.
'Vul je zakken, vul je zakken', zei ik haastig fluisterend.
De kleur maakte nu niet meer uit.
Het was een kwestie van nemen wat je krijgen kunt.

'Goeienmiddag samen', zei de jongen.
'Zij zoekt een snelle auto', zei mijn oom H.
'Die desondanks goedkoop is', zei ik er snel bij.