stukjes jacq

30 januari 2006

de verstopde deus van jacq

'Hallo, ik moet een deusspray', zei ik tegen het drogisterijmeisje.
'Had u nog voorkeur', zei het drogistenmeisje.
'Als ik maar van mijn verstopde deus afkom', zei ik netjes.
'Dan heb ik hier een zoutoplossing ...', begon het drogistenmeisje.
'NEEXD!', riep ik.

Want zoutoplossingen zijn voor baby's en mensen die nog maar net beginnen met een verstopde deus. Ik daarentegen was reeds een doorgewinterde deusverkoudheid. Mijn deus had aangegeven voor slechts weinig gevoelig te zijn. Mijn deus lachte zich helemaal ziek om huismiddeltjes. Mijn deus was ver heen. Maar ik zat eraan vast, dus ik moet er iets mee.

'Ik moet zo een spray dat je binnen een miduut ideeds weer door je deus kan ademen', zei ik.

En die spray, die kreeg ik.
Alleen dat was vier weken geleden.
En nu ben ik verslaafd.
Dat is niet goed hoor.
Dat is fout.
Dat is heel erg slecht voor je deus.
En voor je deustussenschotje
Lief woord trouwens, deustussenschotje.

27 januari 2006

de honger van jacq

Wij zaten er al minstens tien minuten en nog was niemand komen vragen wat voor een lunch wij zouden willen. Wij zaten er wel, maar het was alsof we er niet zaten. Er was loungemuziek. Bij binnenkomst hadden we een schim gezien, die door klapdeurtjes was gerend. Gewoon haast, dachten wij toen nog.

'Volgens mij is de horeca ons spuugzat', zei vriendin een.
'Ik denk dat we op een zwarte lijst staan', zei ik.
'Als ze ons zien fietsen, dan bellen ze elkaar', zei vriendin een.
'Oh, via zo een telefoonboom', zei ik.
'Ja, zo van ze zijn gesignaleerd, ze rijden richting het westen', zei vriendin een.
'En dat dan iedereen in het westen begint te rennen', zei ik.
'Richting het verre oosten of zo', zei vriendin een.

We keken elkaar aan.

'Toch jammer', zei vriendin een.
'Wij zijn in principe hun beste klanten', zei ik.
'We denken altijd mee', zei vriendin een.
'We hebben goede ideeen over hoe een salade ook beter kan', zei ik.
'Anders. Niet beter maar anders', zei vriendin een.
'Anders', zei ik.
'We evalueren de gerechten', zei vriendin een.
'Liefst met de kok erbij', vulde vriendin aan.
'We lopen eventueel gewoon zelf naar de keuken', zei ik.
'Daar voelen we ons heus niet te goed voor', zei vriendin een.
'Het is meer hun eigen houding', zei ik.
'Weet je nog van die pasta', zei vriendin een vertederd.
'Oh ja, dat we zeiden: graag nu wel al dente svp', zei ik.
'En dat de kok toen heel erg ging zuchten', zei vriendin een.
'En dat jij toen zei', zei ik.
'Wij vergeven wel, maar wij vergeten niet', citeerde vriendin een zichzelf.

Even lagen wij in een deuk. Toen keken wij rond. We rekten onze nekken om ook de keuken te kunnen zien. Maar de aarde nu was woest en ledig. Een tochtvlaag trok over de vloer. Maar er was nog steeds loungemuziek. Onze magen knorden er tweestemmig doorheen. Op de een of andere manier klonk dat best gezellig.

'Wij zitten hier goed hoor!', riep vriendin een.
'We hebben nog genoeg gespreksonderwerpen hoor!', riep ik.
'Heb jij bijv. nog nieuwe make-upjes gekocht', zei vriendin een.
'Ja, via het visagie-jongetje toch', zei ik.
'Oh ja laat eens zien', zei vriendin een.
'Ik heb te veel honger', zei ik.
'Ik ook', zei vriendin een.

25 januari 2006

jacq & de struikende mannen

Ik had geen idee dat er struiken waren naast mijn raam op Kantoor. Ik ben maar weinig visueel ingesteld. Veel ontgaat mij. Mensen, grapjes, struiken. Maar vandaag kwamen er mannen met elektrische snoeischaren. Ze liepen naar de struiken toe. Ik telde 1 en 1 bij elkaar op. 'Zonde zeg!', riep ik oprecht. Want ik hield intens van de struiken, ook al had ik ze pas zojuist leren kennen.

Aan de andere kant: ik houd dus ook intens van mannen die snoeien, want dat ontdekte ik vanmiddag. Het maakte wel donders veel lawaai maar het was tegelijkertijd ook een lust voor het oog. Arbeiderig is een woord dat in mij opkomt. Er waren spieren bij betrokken. Dat zie je nog maar weinig bij de meest mannen, dat er spieren bij betrokken zijn. Meestal zie ik mannen met muizen. Ik schep behagen in de beweging van een muishand. Wat moet je, het is het enige dat er is. Maar mannen die snoeien, daar kan een muizende man niet tegenop.

Ik verliet mijn bureaustoel en ging voor het raam staan. De mannen schepten de gesnoeide struiken op een hoop. En daarna gingen ze in een machine die ze uitspuwde tot een douche van goud. Geen echt goud, beste mensen, maar zo leek het wel. Ik had er wel onder willen staan. En dat de mannen met snoeischaren dan ondertussen gewoon door zouden werken. Langzaam zou ik ronddraaien. Het goud zou mij bedekken. Het is een simpele fantasie die niemand kwaad doet.

Nou zeg, wat er toen gebeurde! Niks dus. De struiken waren op. De mannen gingen weg. Ik ging weer naar mijn bureaustoel. Ik zag een mannenhand om een muis. Ik probeerde er behagen in te scheppen. Maar hoe mild ik ook probeerde te zijn, het lukte niet. Dik en spierloos was de hand. ik dacht aan de mannen die snoeiden en of ze ooit weer terug zouden komen.

23 januari 2006

boris v. is een huildinges

'Nee jij doet dom', zei ik.
'Nee jij doet dom', zei vriendin een.
'Jij', zei ik.
'Nee jij', zei vriendin een.
'Trut', zei ik.
'Kijk naar jezelf', zei vriendin een.

Ik deed er het zwijgen toe.
Dan kon vriendin een eens goed over zichzelf nadenken.

'Ik kan elk moment ongi worden', zei vriendin een ter verklaring van het voorafgaande.
'Dus?', zei ik meedogenloos.
'Oh, ik moet nu een beetje huilen', zei vriendin een.
Zij vertrok haar mond alvast een beetje.
En zij knipperde met haar ogen.
Vriendin een was hard aan het werk.
'Ja hallo', zei ik.
'Wat ja hallo, snif', zei vriendin een.
'Mij hou je niet voor de gek', zei ik bars.
'Jij bent bezig met een nephuil', zei ik.
'Is nuut', zei vriendin een.
'Is wel', zei ik.
'Oke, is wel', gaf vriendin een toe.
Een traan piepte in haar linkerooghoek.
'Hoe doe je het toch', zei ik.
'Oh', zei vriendin een nonchalant.
'Soms gebruik ik Boris V.'
'Bedoel je hier mijn Boris V.!?', riep ik.
'Ja, jouw Boris V.', zei vriendin een.
'En wat doe je dan met hem', zei ik.
'Ja, dan doe ik dat ie dood is of zo', zei vriendin een vertederd.
'Dan denk ik: owowoow Boris V. en nu ben je doooood wiiiieeeh', zei vriendin een.
'Maar hij leeft nog', zei ik.
'Ja maar dan dus even niet', zei vriendin een zakelijk.
'Dus jij gebruikt een dode Boris V. als huildinges', zei ik.
'Terwijl Boris V. in feite nog leeft.'
'Uhuh', zei vriendin een.
Haar oog werd troebel.
Ze sloeg haar wimpers met een klap naar beneden.
Een traan sprong op tafel.
'Briljant', zei ik.

20 januari 2006

jacq hoopt ook dat floortje wint

'Hoihai', zei ik een beetje ademloos tegen een verkoopster in de Douglas.

[Dat komt: in de Douglas houd ik altijd een klein beetje mijn adem in, vanwege de parfumluchten. Ik hou niet van parfum. Bij Douglas houden ze er wel van. Ik zou haast zeggen: daar lusten ze er wel pap van. Maar zij moeten er dan ook min of meer van leven. ]

'Ik wil eruit zien zodat ik op een foto kan', zei ik.
'Dan moet er even een visagist bij komen', zei de verkoopster.
Dat was eigenlijk best een kutopmerking.
Maar ik negeerde dat.
Speurend keek de verkoopster rond.
Toen priemde haar vinger in de platte buik van een jongetje.
Nee!, wilde ik roepen.
Ik wil geen jongetje!
Ik wil een meisje!
Wat een racist ben ik toch ook, he.

Ik had trouwens helemaal niks te kiezen. Dus uiteindelijk werd ik onder handen genomen door het visagiejongetje dat nog had meegeholpen tijdens de eerste live-show van Idols. Ik vond dat niet direct heel geruststellend. Maar toen ik erover nadacht vond ik het ook wel weer heel interessant op mij afstralen.

'Wie hoop jij dat er wint', vroeg het visagiejongetje, terwijl hij fronsend mijn linkerooglid vastpakte. Ook mensen die mij niet kennen, nemen voetstoots aan dat ik overal maar naar kijk. 'Floortje!', riep ik. Ik kijk echt overal naar. 'Oh ik ooook!', riep het visagiejongetje. Ik mag wel zeggen: instante bonding tussen mij en het visagiejongetje, natuurlijk.

Daarna begon ik nog even over de onovertroffen wijze waarop Floortje twee weken geleden Anita Meijer had euh overtroffen, maar ik zag de belangstelling van het visagiejongetje snel afnemen. Oh shit jongens, je kon hem gewoon zien denken: Anita Meijer, whodafoook!?. Geschrokken liet ik mijn stem wegsterven, totdat wij elkaar in de spiegel stil aankeken. Ik denk dat, toen Anita Meijer een hit had met Why, tell me why, dat de moeder van het visagiejongetje nog geboren moest worden. 'Toch is en blijft het een geweldig nummer, dat Why, tell me why', fluisterde ik, maar vooral tegen mezelf.

Dit is nu al de tweede keer dat ik hier over Anita Meijer schrijf, is het niet geweldig?

--

[Nee hoor, het is gewoon de week van de uiterlijkheden, wisten jullie dat niet? Volgende week gewoon weer Heidegger en Foucault en zo.]

18 januari 2006

ik ben het, jacq

Weer overkwam het me. Elke keer overkomt het me. Ik was bang dat ik was vergeten. Het is bijna niet voor te stellen met zoveel aluminiumfolie in je haren, want bij elke draai die ik maakte, verblindde ik wel iemand. Maar toch, ik was bang dat ik was vergeten en dat men zich mij pas zou herinneren als mijn haren wit geworden waren, en onherstelbaar uitgebeten.

Het deed me denken aan toen ik vijf was en voor het eerst mee mocht doen met verstoppertje in de buurt. Haha, ik heb gewonnen!, riep ik toen ik op het eind trots tevoorschijn sprong. Wie is dat, zeiden de groten verbaasd tegen elkaar. Zij waren al lang aan het stoepranden. Ik ben het, jacq, wilde ik roepen. Maar er zat iets in mijn keel. Ik moest hoesten, heel, heel hard. Haal jij de bal eens even, dinges, zei een van de groten.

Hatsjoe, deed ik nog maar eens. De nies is een hulpmiddel voor hen die bang zijn om vergeten te worden. Daar kwam het kappersmeisje. Ze vouwde de het de het aluminiumfolie open en keek naar mijn haar.

'Het mag eruit'. zei het kappersmeisje tegen een van de haarwasslavinnen.
'Ik ben ff bezig', zei de slavin in kwestie.
Het kappersmeisje wierp een blik.
De slavin in kwestie dook in elkaar.
Ik was getuige van een leermoment.

'Je mag meelopen hoor', zei de slavin.
'Het zou tijd worden', zei ik hooghartig.
Nou ja, daar zíjn de slavinnen voor, hoor.

16 januari 2006

jacq laat de vogels schrikken

Even dacht ik: wat heeft mijn leven nog voor zin.
Waar dient het allemaal voor.
Hoe lang duurt dit eigenlijk nog.
Maar toen was het alsof er een licht van boven kwam.
Een gedachte nam bezit van mij.
Ik kon mijn highlights wel eens even bij laten werken!

'Hee hoi', zei ik tegen het kappersmeisje dat inmiddels mijn hartsvriendin is geworden. Althans, het kappersmeisje vertelt mij altijd alles over haar hele leven, en dat doen hartsvriendinnen. Ik daarentegen vertel het kappersmeisje nooit iets over mijn hele leven, maar dat is denk ik omdat de tijd gewoon te kort is want je zit er tenslotte maar krap een uur of twee en een half!

'Dus hij zegt tegen mij', zei het kappersmeisje.
'Uhuh', zei ik, terwijl het kappersmeisje mij met aluminiumfolie transformeerde tot iemand die zo kon zijn weggelopen uit een science fiction-film. Daarmee vlei ik mezelf. De werkelijkheid is dat ik eruit zag als een vogelverschrikker die het overdrijft. Ik zou er niet raar van opkijken als menig van schrik verstarde vogel zich van pure nou ja verstarring dus zou doodvliegen tegen het kappersraam.

'Ik zie er normaal heel anders uit hoor', zei ik tegen de uberknappe jongen die naast mij op een stoel plaatsnam. Al-tijd als ik aluminiumfolie in mijn haar heb, komen er knappe jongens in mijn leven. De jongen draaide zich naar mij om. Ik trok een lief hoofd. Hij begon aan een krampachtige glimlach. Maar de blinde paniek in zijn ogen was eerder. Ik zuchtte. Knappe mannen zijn altijd zo op het uiterlijk, jammer is dat. Onknappe mannen zijn helemaal niet op het uiterlijk, en dat is dan weer ... ja logisch eigenlijk. Maar goed, daar val ik niet op.

'Dus dat pikte ik mooi niet', zei het kappersmeisje.
'Groot gelijk', zei ik.

Want, en dat is misschien een tip voor anderen: je kunt de mensen vaak maar het beste gewoon gelijk geven. Ook als je niet weet waar het over gaat.

13 januari 2006

het paard en de verveling

'Koetsier', zei ik.
'Mevrouw', zei de koetsier.
'Wordt dit paard ook gewisseld', zei ik.
'Hoe bedoelt u', zei de koetsier.
'Nou, is er een vervangpaard, voor als deze moe is', zei ik.

Ik bedoel: je bent van de dierenpolitie of niet he.

'Nee hoor', zei de koetsier.
'Deze heeft vandaag al heel wat rondjes gemaakt.'
'Maar vindt het paard dat ... goed', zei ik.
'Oh ja hoor, het paard vindt het prima', zei de koetsier.

Koetsiers kunnen altijd zo betweterig doen he, dat viel mij in mijn jeugd ook al op.
'Het lijkt mij anders een heel vervelend rondje', zei ik bits.

Want dat leek het mij. Ik hoopte dat het paard genoeg gedachten had voor al die rondjes bij het kasteel. Was zijn geest vrij en in grazige weiden? Of zijn paarden van oudsher juist gezegend dom en was het paard daarom druk zat met de hele tijd links-rechts links-rechts denken in zijn hoofd, omdat hij anders zou vergeten wat hij moest doen? Hield het paard bij hoeveel rondjes? Al die tientallen keren op een dag? Honderden dagen in een jaar? Duizend jaren in een paardenleven? Sprongen de tranen van verveling het paard in de ogen bij elk keerpunt dat toch alleen maar meer van hetzelfde beloofde? Zou het paard een pistool willen om zichzelf mee tussen de ogen te schieten? Zijn er eigenlijk pistolen in de paardenwereld?

Toen sprong ik uit het rijtuig.

'Dag lief paard', zei ik zacht.
'Sterkte nog', fluisterde ik.
Het paard zei niets terug.
Maar er ging een rilling over de rug van het paard.
En dat was misschien nog wel het mooiste.
Want dat maakte het natuurlijk extra triest.

11 januari 2006

jacq & de kont van het paard

Dat laat trouwens niet onverlet dat ik op eerste kerstdag wel degelijk achter de kont van een paard in een rijtuig zat te schudden. Ik schudde niet alleen. Ik schudde met meerderen, te weten een kind, drie ouden van dagen en een man met een horrelvoet. Eigenlijk kon ik mijn ogen niet van de horrelvoet afhouden. Eerst dacht ik: horrelvoeten bestaan niet meer. Dit moet een sprookje zijn. Ik keerde me half om en veinsde melancholisch schuddend te staren naar het kasteel dat steeds kleiner werd. Maar mijn schuddende linkeroog keek naar de horrelvoet. Hoe kréég iemand het voor elkaar!

De man met de horrelvoet had geen oog voor mijn gestaar. Hij was grapjes aan het maken, over het paard, en over rijtuigen in het algemeen. Het zou kunnen dat je heel vindingrijk wordt met een horrelvoet en dat je van niets nog iets weet te maken. Maar het kan ook dat de grapjes en de horrelvoet niets met elkaar te maken hadden en dat de man gewoon geboren was met een horrelvoet en grapzin. Het kind had zijn mond half open hangen, zoals kinderen wel vaker hun mond half open hebben hangen. De drie ouden van dagen lachten een hoge lach om elke grap. Oehoehoeh, klonk het steeds en dan leek het of het rijtuig nog iets meer schudde.

Om mezelf van de horrelvoet te bevrijden, draaide ik me om. Recht in de kont van het paard keek ik. Er zit iets diks maar elegants aan paardenkonten. Het was moeilijk mijn ogen ervan af te houden. Klik-klak deden de paardenhoeven. De kont van het paard wiebelde zo'n beetje mee. Het leek op een dans die nooit meer op zou houden. Paardenhoeven zijn misschien wel het geluid dat je het meest aan je jeugd doet denken. Dat is eigenlijk raar. In mijn jeugd ging men allang niet meer met paarden over straat. Misschien is het de kindertelevisie, en dat daarin wel veel paarden zaten.

'Jaaa', zei de koetsier binnensmonds.
'Tsjjju', deed de koetsier.

Even dacht ik dat hij in zichzelf praatte. Maar ik zag het paard inhouden en besefte dat ik getuige was van een typisch stukje koetsier-paardcommunicatie waarbij mens en dier zo op elkaar zijn ingespeeld dat de geringste beweging of stemverheffing al genoeg is. Het paard maakte een keurig rondje. Toen stopte hij. Zijn hoofd was bewegingloos. Zijn kont bleef naar ons gericht. Een beetje ontroering maakte zich van mij meester. Toen drong ik mijn tranen terug.

De man met de horrelvoet was het eerste uit het rijtuig.
Ik maakte mij los van het bankje.

'Tot ziens koetsier', zei ik.
'Dag mevrouw', zei de koetsier.

Ik wilde het trapje af.
Maar iets hield mij tegen.

'Koetsier', zei ik.
'Mevrouw', zei de koetsier.

[slot volgt]

08 januari 2006

wtf, de kerst van jacq

Ja, wanneer was het dat ik jullie schreef en ik citeer: 'Nou oke dan, ik kan er dit over zeggen: het was een psychedeliese kerst, waarin ik bijvoorbeeld ineens in een rijtuig zat met een overwerkt paard ervoor dat elk moment kon ontploffen. Ik vertel jullie er later meer over en wel vanuit de gezichtspunten van a. het paard, b. de koetsier en c. mijzelf. Maar vooral dat van mijzelf ben ik bang.'

Maar dat was toen. Inmiddels is het nu. En nu vind ik het eigenlijk wat aan de late kant voor een kerstverhaal. Iedereen die ook maar enigszins spoort heeft kerst inmiddels heel ver van zich Afgeworpen. Ja, dat mag best met een hoofdletter. In mijn geest gaan we naar de lente toe. Ik zie krokussen, ik zie veulentjes, en ik zie overal naakte knappe mannen.

[Ik heb een beetje koorts, dat is waar. Waarom ben ik altijd ziek in mijn vakantie? Ik had me vandaag zo ongelooflijk geloofwaardig kunnen ziekmelden bij de baas. Deze keer had ik geen zakdoek voor de hoorn hoeven houden. Ik had mijn keel niet hoeven indrukken voor een gewenst hees geluid. Deze keer was ik fullblown eh verkouden.]

En daarbij: zo psychedelies was mijn kerst nu ook weer niet. Psychedelies is echt zo een woord dat je gebruikt als je geen beter woord voorhanden hebt, vergaat het jullie niet net zo?

Dat laat trouwens niet onverlet dat ik op eerste kerstdag wel degelijk achter de kont van een paard in een rijtuig zat te schudden. Ik schudde niet alleen. Ik schudde met meerderen, te weten een kind, drie ouden van dagen en een man met een horrelvoet. Dus wat de fuck, daar zit wel een verhaal in.

[wordt vervolgd, ik zweer het]

03 januari 2006

de radar van boris v.

Oh, had ik al gezegd dat het hier even vakantie is?
Het is hier even vakantie, ja eh daarom.

[En ja, de Billy staat! En er ontbrak slechts een (1) schroefje, en dat was niet genoeg om erg te zijn. Mijn lievelingsoom H. en ik werkten prima samen als een team dat al jaren samenwerkt. Dat wil dus zeggen: mijn lievelingsoom H. schroefde de Billy in elkaar en ik riep op gezette momenten zo zo nou nou en kookte onderwijl een maaltijd in de keuken.

Even dreigde het mis te gaan, toen Boris V. van de trap kletterde uit nieuwsgierigheid.

'Is dat die ... kat', zei mijn lievelingsoom H.
Zijn klushand stokte.
Walging was in zijn stem.
Maar dat is slechts de mannenvariant van angst.
Pure angst, met de wilde frisheid van limoenen.

Boris V. stak zijn hoofd om het hoekje.
'Ho-oi', zei Boris V. lief.
'Oh ... nee', zei mijn lievelingsoom H.
'Hij doet ni-hiks', zei ik.

Boris V. keek verongelijkt.
Maar hij moest mij gelijk geven.
Hij doet niks.
Maar daar is hij wel een kei in.

'Het is niet dat ik bang ben ...', zei mijn lievelingsoom H.
Boris V. kwam naderbij gelopen.
'Ooo-o', zei mijn lievelingsoom H. met de stem van een vrouw.

Boris V. bleef stilstaan.

'Het verrotte van de situatie is', zei mijn lievelingsoom H.
'Katten klimmen altijd op mij.'
'Dat geloof ik niet', zei ik ongelovig.
'Katten voelen zoiets heus wel aan, dat jij dat niet wilt.'
'Toch is het zo', zei mijn lievelingsoom H.
'Tot in mijn nek kruipen ze, en daar vallen ze in slaap.'
'Boris V. zal zoiets nooit doen', zei ik.
'Boris V. heeft daar een radar voor.'
'Wel, daar vertrouw ik dan maar op', zei mijn lievelingsoom H.
En hij ... hij ... ja, hij ontspande.

Ja, en toen sprong Boris V. dus op zijn schoot.
Want ja, die voelt dat dus aan.]