het paard en de verveling
'Koetsier', zei ik.
'Mevrouw', zei de koetsier.
'Wordt dit paard ook gewisseld', zei ik.
'Hoe bedoelt u', zei de koetsier.
'Nou, is er een vervangpaard, voor als deze moe is', zei ik.
Ik bedoel: je bent van de dierenpolitie of niet he.
'Nee hoor', zei de koetsier.
'Deze heeft vandaag al heel wat rondjes gemaakt.'
'Maar vindt het paard dat ... goed', zei ik.
'Oh ja hoor, het paard vindt het prima', zei de koetsier.
Koetsiers kunnen altijd zo betweterig doen he, dat viel mij in mijn jeugd ook al op.
'Het lijkt mij anders een heel vervelend rondje', zei ik bits.
Want dat leek het mij. Ik hoopte dat het paard genoeg gedachten had voor al die rondjes bij het kasteel. Was zijn geest vrij en in grazige weiden? Of zijn paarden van oudsher juist gezegend dom en was het paard daarom druk zat met de hele tijd links-rechts links-rechts denken in zijn hoofd, omdat hij anders zou vergeten wat hij moest doen? Hield het paard bij hoeveel rondjes? Al die tientallen keren op een dag? Honderden dagen in een jaar? Duizend jaren in een paardenleven? Sprongen de tranen van verveling het paard in de ogen bij elk keerpunt dat toch alleen maar meer van hetzelfde beloofde? Zou het paard een pistool willen om zichzelf mee tussen de ogen te schieten? Zijn er eigenlijk pistolen in de paardenwereld?
Toen sprong ik uit het rijtuig.
'Dag lief paard', zei ik zacht.
'Sterkte nog', fluisterde ik.
Het paard zei niets terug.
Maar er ging een rilling over de rug van het paard.
En dat was misschien nog wel het mooiste.
Want dat maakte het natuurlijk extra triest.
'Mevrouw', zei de koetsier.
'Wordt dit paard ook gewisseld', zei ik.
'Hoe bedoelt u', zei de koetsier.
'Nou, is er een vervangpaard, voor als deze moe is', zei ik.
Ik bedoel: je bent van de dierenpolitie of niet he.
'Nee hoor', zei de koetsier.
'Deze heeft vandaag al heel wat rondjes gemaakt.'
'Maar vindt het paard dat ... goed', zei ik.
'Oh ja hoor, het paard vindt het prima', zei de koetsier.
Koetsiers kunnen altijd zo betweterig doen he, dat viel mij in mijn jeugd ook al op.
'Het lijkt mij anders een heel vervelend rondje', zei ik bits.
Want dat leek het mij. Ik hoopte dat het paard genoeg gedachten had voor al die rondjes bij het kasteel. Was zijn geest vrij en in grazige weiden? Of zijn paarden van oudsher juist gezegend dom en was het paard daarom druk zat met de hele tijd links-rechts links-rechts denken in zijn hoofd, omdat hij anders zou vergeten wat hij moest doen? Hield het paard bij hoeveel rondjes? Al die tientallen keren op een dag? Honderden dagen in een jaar? Duizend jaren in een paardenleven? Sprongen de tranen van verveling het paard in de ogen bij elk keerpunt dat toch alleen maar meer van hetzelfde beloofde? Zou het paard een pistool willen om zichzelf mee tussen de ogen te schieten? Zijn er eigenlijk pistolen in de paardenwereld?
Toen sprong ik uit het rijtuig.
'Dag lief paard', zei ik zacht.
'Sterkte nog', fluisterde ik.
Het paard zei niets terug.
Maar er ging een rilling over de rug van het paard.
En dat was misschien nog wel het mooiste.
Want dat maakte het natuurlijk extra triest.
