stukjes jacq

31 augustus 2005

jacq krijgt siliconen

'Leg je kin maar even hierop', zei de mooie jongen.
En ik legde mijn kin hierop.
Op twintig centimeter afstand was zijn hoofd.
Ik voelde zijn adem.
Hij voelde de mijne.
De mooie jongen keek mij diep in het linkeroog.
En hij zag mijn ziel in mijn oog weerspiegeld.
Niet dat ik daarin geloof natuurlijk.
Ik schrijf het meer voor de grap op!

De mooie jongen schoof zijn stoel naar achteren.
'Denk jij het ook?', zei de dikke opticien.
'Ik denk het ook', zei de mooie jongen.
'Het is haast de enige mogelijkheid', zei de dikke opticien.
'Ja, de enige', zei de mooie jongen.
'Hallo mensen', zei ik.
'Er zit maar één ding op', zei de mooie jongen.
'We gaan je traanbuis dichtkitten', zei de dikke opticien.
'Haha!', zei ik.
'Nee, echt', zei de dikke opticien.
'Haha?', zei ik.
'Echt', zei de mooie jongen.

En hij begon aan een uitleg. Het was iets met traanvocht. En siliconenkit. De mooie jongen dwaalde af naar mijn borsten. Ik moest eigenlijk stiekem proesten maar ik zat anderzijds in een heel vervelende verlegenheidsdinges. Ik wilde maar dat ik geen lichaam had. Maar ook weer wel. Mijn handen lagen devoot op mijn schoot.

'Het zit nog wel in een testfase natuurlijk', zei de dikke opticien.
'Ja, het zit nog wel in een testfase', zei de mooie jongen.
En ik was de eerste levende persoon, begreep ik ineens.
Want soms ben ik ineens heel helder.
Ik wist hoe de dingen waren gegaan.
De labratten hadden zich blind ter aarde gestort.
Maar ach, labratten zijn geen mensen natuurlijk, had de dikke opticien gezegd.
Klopt!, had de mooie jongen opgelucht uitgeroepen.

'Ik ... neem het in overweging', zei ik chique.
'Ik denk er éérst even over na', zei ik.
'En ik kom er daarná dan op terug', zei ik.
'Dit kán even duren', zei ik.
Al mijn accenttekens zaten op de goede plaats.

'Ik zal dan persoonlijk de ingreep uitvoeren', zei de mooie jongen.
'Laten we een datum prikken', zei ik.

29 augustus 2005

jacq vindt flirten een groot woord

Maar goed, toen had ik mijn bril.
En hij was kek.
En niemand herkende mij.
En dat was allemaal best leuk.
Maar toch.

'Het is allemaal best leuk maar toch', zei ik tegen de dikke opticien.

Régenen dat het had gedaan in de afgelopen weken! En brildragers worden zo sneu bij regen. Sneu en blinderig. Kon ik geen superzuurstofdoorlatende lenzen krijgen, om maar iets te noemen? Ik had daarover gelezen in een of andere fo. Abrupt hielden mijn woorden op. De dikke opticien had een denigrerende houding aangenomen, voor zover zijn gewicht dit toeliet dan. Ik wist wat hij ging zeggen. Dat het een groot misverstand was om. Want dat zegt de dikke opticien altijd. Bij waarheden als koeien, bij faits accompli, bij zaken waarover werkelijk iedereen op de hele wereld het eens is. Zelfs dieren, zelfs ouden van dagen, zelfs keukengereedschap.

Ik ging er vast als een geslagen hond bij zitten.
'Het is een groot misverstand om', begon de dikke opticien.
'Aha', knikte ik dociel.
'En zodoende et cetera', zei de dikke opticien.
'Wat nu dan te doen zeg', zei ik.
'Ik haal even dinges erbij', zei de dikke opticien.

En hij kwam terug met de mooie jongen. Ik schrok. Ik kende de mooie jongen al. Ik had geprobeerd met de mooie jongen te flirten toen ik nog in de wachtkamer zat. Ik vind flirten trouwens wel een groot woord voor wat ik deed. Ik deed namelijk haast niets. Ik keek gewoon heel lief zijn kant op en knipperde een paar keer met mijn ogen. Allemaal geheel onbewust. Aan zijn reactie had ik niet helemaal kunnen zien of de mooie jongen mij ook vreselijk zag zitten of dat hij juist dacht: wat een afschuwelijke takkentrol. Sommige mannen zijn zo diffuus en ondoorzichtbaar of een ander woord dat hierop lijkt.

'Hoi', zei de mooie jongen.
'Ho-oi', zei ik.
Ik vond dat de mooie jongen verlegen keek.
Maar het kon ook zijn dat ik zelf verlegen keek.
De situatie was diffuus en ondoorzichtbaar.
De mooie jongen keek naar mijn borsten.
Ik keek zelf ook even naar beneden.
Zat er iets op of zo!
Nee, alleen de twee borsten.
'Nou', zei de mooie jongen.
Hij keek naar mijn gezicht.
En toen direct weer naar mijn borsten.
Ik deed mijn armen over elkaar.
Maar toen waren mijn borsten er juist nog meer.
Maar misschien deed ik het daarom.
Ik wist het ook allemaal niet meer.

'Leg je kin maar even hierop', zei de mooie jongen.

26 augustus 2005

de geboorte van boris v.

'Waar denk je aan', zei ik.
'Oh, niks', zei Boris V.
'Nee, vertel nou', zei ik.
'Ok', zei Boris V.
Hij zuchtte.

En toen vertelde hij het verhaal van zijn geboorte.

Dat hij de vierde was geweest in een rij van vier poesjes. Hij had er wel eerder uit gewild, maar ze hadden hem steeds aan de kant geduwd.

'Wie zijn zé', vroeg ik.
'De drie tijgerkatjes', zei Boris V.
'Probeerde je niet terug te trappen', vroeg ik.
'Zo zit ik niet in elkaar', zei Boris V.

Tot drie keer toe had hij er niet uit gemogen. Op het eind had Boris V. het nog een keer geprobeerd en toen had er niemand teruggetrapt. Dat kwam omdat alle tijgerkatjes die er waren er al uit waren. Boris V. had nog even in zijn eentje gezeten, net als na een feest dat een beetje uit de hand is gelopen. Hoe heet de koning van Wezel, had Boris V. geroepen. Ezel, ezel, had de baarmoeder teruggegalmd.

'En toen dacht ik: hopla, daar ga je', zei Boris V.
'Hopla, daar ga je?', zei ik.
'In de zin van het leven tegemoet', zei Boris V.
'Het klinkt meer als iemand die het glas heft of zo', zei ik.
'Ik was nog niet bekend met de mensentaal', zei Boris V.

Eerst had hij gedacht: ik stik. Maar dat was niet gebeurd. Het was bijna jammer. Het stikken was niet eng geweest en zelfs een beetje fijn. En toen was er gekrioel geweest en tepels. Het leek wel alsof het daar alleen maar om draaide. Maar later gingen Boris V. de ogen open. Voor het eerst zag hij de tijgerkatjes. Hahaha, zeiden ze toen ze hem ook voor het eerst konden zien. Hij is zwart, wat een gekkie. En met hun drieeen vertrokken ze om konijnen te vangen. Ze vroegen Boris V. niet mee. Maar hij was toch niet meegegaan. Boris V. bleef liever bij de mensen. Tegen mensen kon je praten. Dan schrokken ze zich dood, en dan praatten ze terug. En ze knuffelden hem.

'Dus daar moest ik even aan denken', zei Boris V.
'Weet je Boris V.', zei ik.

En toen vertelde ik het verhaal van de dag dat ik Boris V. in de krant had zien staan. Onder 'Huisdieren' had gestaan: Af te halen: vier poesjes, drie tijgers, eentje zwart. Ik dacht: die moet ik. En ik had gebeld, met angst in mijn hart.

'En, was ik er nog?', zei Boris V.
'Ja, hehe', zei ik.
'Hoe had je anders hier gezeten?', zei ik.
'Het kon zijn dat je me later gekidnapt had', zei Boris V.
'Jij hebt zeker ook weer een nieuw woord geleerd', zei ik.
Boris V. keek betrapt.

Met een mandje was ik naar het huis gegaan. De tijgerkatjes waren niet thuis, zei de vrouw. Boris V. was er wel, hoewel hij toen nog niet zo heette. Die liep in de keuken en hij praatte. 'In het begin schrokken wij ons dood', zei de vrouw. 'Maar nu zijn we eraan gewend.' Ik zag de twijfel in haar ogen. Snel pakte ik Boris V. op, hoewel hij toen nog niet zo heette. Ik zette hem in het mandje.

'Je hebt de hele weg naar huis gepiept', zei ik.
'Ik vond jou een eng iemand', zei Boris V.
'Ik had mijn lieve stem bij me!', zei ik.
'Och mijn kleine poppiedoppie, deed ik', zei ik.
'Ja, dat bedoel ik', zei Boris V.
En hij keek zo stoer als hij maar kon.

24 augustus 2005

jacq brilt een nieuw leven

'Kan het zijn dat ik uiteindelijk, nu ik op leeftijd ben gekomen, allergisch ben geworden voor contactlenzen', vroeg ik aan de dikke opticien. 'Tsja ...', zei de dikke opticien. Hij ontkende niet eens dat ik op leeftijd was gekomen! Hoe grof kun je zijn, zeg. Oh jawel, hij had het heus wel gehoord, want ik had de immers woorden cursief uitgesproken.

'Tsjaa ...', zei de dikke opticien.
Hij tuurde in mijn ogen.
'Het ziet er zo op het oog allemaal heel goed uit', zei de dikke opticien.
'Hahaha!', zei ik.
De dikke opticien keek mij niet begrijpend aan, voor zover zijn dikkigheid dit toe liet dan.
Ik vroeg me af of woordgrapjes ook woordgrapjes zijn als ze geheel onbewust worden gebruikt.
Ik denk van niet. Bovendien moet je bij een woordgrapje olijk gaan kijken, omdat er immers een woordgrapje aankomt.

'Wat nu te doen zeg', zei ik.
'Misschien moet je er een bril bij nemen', zei de dikke opticien.
'Beláchelijk idee', zei ik.

Enfin, ik ben dus nu ook verkrijgbaar met bril. Mijn bril is een kek geval. Toch droeg ik hem eerst alleen binnenskamers. Wie ooit als kind bebrild is geweest, heeft moeite met het accepteren van latere brillen. Maar zie, op zekere dag kon het me ineens geen ruk meer schelen wie mij met mijn bril zou zien. Misschien is dat een triest voorbeeld van het op leeftijd komen, dat uiterlijkheden je op een gegeven moment geen ruk meer kunnen schelen.

Maar let op! Nu is er een onverwacht bij-effect: de mensen herkennen me niet met bril! Vriend J. bijvoorbeeld moest tien seconden kijken voordat hij mij durfde aan te spreken. En vriendin S. liep me minzaam knikkend voorbij toen ik naar haar riep in de city. Alsof ik een zwerver was die men maar beter correct kon benaderen omdat hij je anders misschien zou gaan vermoorden, op een woeste, slordige manier en met onduidelijke keelklanken en zo.

Eerst dacht ik: nou moe! Maar langzaam is er een besef in mij gevaren. Het besef gaat als volgt: ik kan een nieuw leven gaan beginnen. Gewoon bij mij in de stad. Met een nieuwe persoonlijkheid bijvoorbeeld, want daar ben ik wel een beetje aan toe. En met nieuwe hobby's, zoals bijvoorbeeld fitness of andere sporten. De mogelijkheden zijn ongekend. Dus het hoeft niet per sé iets met sport te zijn.

22 augustus 2005

jacq knippert met haar ogen

Ik knipperde met mijn ogen.
Ik knipperde de ganse dag met mijn ogen.
Ik knipperde de ganse dag zoveel met mijn ogen dat de mensen er dingen bij begonnen te denken. Een aantal van die mensen begon terug te knipperen. En voordat ik die weer van mij had afgeschud, was ik steeds weken verder. Mensen kunnen zo hardnekkig zijn.

Hoe dan ook, er moest iets gebeuren.
En ik had er de dikke opticien voor nodig.

[De dikke opticien is de broer van de dunne opticien. De dunne opticien heb ik al in geen drie jaar gezien. Het vermoeden bestaat dat de dikke opticien zijn dunne broer heeft opgegeten. Maar dit is zijdelingse informatie die op dit moment niet zo erg van belang is. Hoewel ik er nog even aan wil toevoegen dat de dikke opticien het altijd heeft over dat hij is wezen skiën. Hij is daar erg trots op. Hij zegt het zelfs als het totaal niet logisch is in het lopende gesprek. Dan zeg ik bijvoorbeeld: 'Jongens, wat een weertje hè'. En dan zegt hij: 'Nou, in het ski-gebied waar ik vorige week ...'. Oké, slecht voorbeeld. Ikzelf denk dat de dikke opticien helemaal nooit is wezen skiën. Ik denk dat hij ooit eens uit zijn huis getakeld is en dat hij dat verwart met een skilift. Ik heb daar nooit iets over gezegd. Zo ben ik niet.]

'Goedenmiddag', zei de dikke opticien.
'Goedenmiddag', zei ik.
'Wat een weertje hè', zei ik.
'Zeg dat wel', zei de dikke opticien.
Dus het gaat ook weer niet altíjd op.

Ik schraapte mijn keel. 'Kan het zijn dat ik uiteindelijk, nu ik op leeftijd ben gekomen, allergisch ben geworden voor contactlenzen', vroeg ik aan de dikke opticien. 'Tsja ...', zei de dikke opticien. Hij ontkende niet eens dat ik op leeftijd was gekomen! Hoe grof kun je zijn, zeg. Oh jawel, hij had het heus wel gehoord, want ik had de woorden immers cursief uitgesproken.

[wordt vervolgd]

19 augustus 2005

jacq introduceert de dieren

Het neefje was er.
'Oh, dan gaan we naar de dierenboerderij!', zei ik.
Vriendin één probeerde enthousiast te kijken.
Maar dwars daar doorheen had een blinde paniek maak deze zin zelf even af.
Dat komt: vriendin één heeft het niet zo op de dierenwereld.
Boris V. is zo ongeveer de limit van wat vriendin één qua de dierenwereld aankan.
Maar die is dan weer bang van vriendin één.
En daar wordt vriendin één dan weer bang van.
En daar schrikt Boris V. dan weer van.
Het is een negatieve spiraal.
Soms denk ik: ik moet ze een keer twee weken samen opsluiten.
En dan maar zien wat eruit komt.
Ook voor mijn eigen rust.

'Luister, vriendin één', zei ik.

En toen vertelde ik over de dierenboerderij en hoe fijn het daar was. Hoe rustgevend, hoe vertederend en hoe hoe hoe nou, die twee dingen dus, want dat is best genoeg.

'Oké', zei vriendin één op het eind.
'Oké dan', zei vriendin één en zij pufte uit als bij een bevalling.

Daar was de dierenboerderij.
Het neefje huppelde.
'Pak het brood maar tevoorschijn', zei ik.
Vriendin één pakte de plastic zak.

Nou ja echt, je had erbij moeten zijn. Een geluid zwol aan. Het was het gekletter van hoevige dieren. Van heinde en verre kwamen alle dierenboerderijdieren, ook degenen die al lang overleden waren, op ons af gerend. Grote geiten met vreemde sikken wierpen zich tegen het hek. Schapen wierpen zich tegen de grote geiten met vreemde sikken aan. En toen waren daar ook nog de twee koeien, die normaal gesproken echt overal hun schouders over ophalen. Ze renden dwars door het bord heen waarop stond 'Betreden voor eigen risico'. Kletterend viel het op de modderige aarde. Daarna wierpen de twee koeien zich tegen de schapen aan die zich tegen de grote geiten hadden aangeworpen. Het hangbuikzwijn werd wakker, trok zijn lip op en gromde onheilspellend. Hij nam een aanloop.

Vriendin één gilde.
Het neefje schaterde.
'Ik ben heel, heel bang jacq', riep vriendin één beschuldigend.
'Dit doen ze anders nóóit', zei ik wanhopig.
Het neefje schaterde.
'Duhuh!', riep vriendin één.

17 augustus 2005

jacq voelt tóch nog iets

'Hallooo', zei ik.
'Dag', zei de tandarts.
Ik voelde me nu al terechtgewezen.

Mijn tandarts is een vrouw. Jullie hebben nu al een man in het hoofd en ze is dus een vrouw. Mijn vórige tandarts was trouwens wel een man. 'Doet u de mond maar even open', zei hij altijd, met precies de stem van die Elmex-man die ook altijd Sinterklaas speelt. Het was een akelige man zonder inlevingsvermogen. Mijn tandarts van nu is anders. Zij heeft ook geen inlevingsvermogen maar ze doet nog wel alsóf. En het kan mij niet schelen of emoties oprecht zijn, als ik er maar baat bij heb.

Wat heel fijn is van mijn tandarts is dat ze nooit begint voordat de verdoving werkt. Mijn vorige tandarts deed dat wel. Die boorde de vreselijkste dingen zo dwars door je pijngrens heen. Mijn nieuwe tandarts tikt even met haar behandschoende nagel tegen mijn tandvlees en vraagt dan: 'Voel je dit nog?'. De eerste keer dat ze dat deed, kreeg ik haast tranen in mijn ogen. Dat kwam natuurlijk omdat ik de vorige tandarts gewend was. Ik wist niet beter. Ik dacht dat het leven zo in elkaar zat als bij mijn vorige tandarts.
'Ja, ik voel het nog', zeg ik dan meestal, ook als ik denk: mwoah, ik voel niets meer. Dan krijg ik nog een spuitje. Totdat ik echt helemaal niets meer voel. Dat duurt bij mij langer dan bij gemiddelde mensen. Ik ben heel bijzonder.

Maar gisteren ging het mis. Eerst leek het goed te gaan. Zelfs mijn oor was geheel verdoofd, want dat gebeurt altijd. En iedere keer als dat gebeurt, overvalt mij deze gedachte: ik zou nu pijnloos mijn hele oor kunnen laten piercen. Je moet het ook willen, natuurlijk, maar het strikes mij altijd als het uitgelezen moment voor het laten piercen van mijn hele oor. Maar goed, zoiets moet je ook willen maar dat zei ik al. En bovendien: hoe ziet dat eruit? Maar toch, als je het al zou willen, zou je het wel nú moeten laten doen.

Toen ging de tandarts een stukje boren. Dwars door drie verdovingen heen voelde ik een gevoel. Het was niet erg genoeg om mijn vinger op te steken, maar ook niet niets genoeg om te kunnen negeren. Ik moest de pijn uitzitten, besloot ik, en ik zat de pijn uit. Ik voelde mij heel erg volwassen. Het was een nieuw gevoel.

'Ik voelde trouwens nog wél iets', zei ik nadien tegen de tandarts.
'Vagelijk, op de achtergrond zeker', zei de tandarts.

Ja dacht ik. Vagelijk, op de achtergrond.
Maar het wás er wel.
En de achtergrond is ook belangrijk!
Dingen staan of vallen met de achtergrond erachter.

'Maar het was er wel', zei ik.
'Tot over een half jaar', zei de tandarts.

Ik pakte snel mijn tas op.

'Doei', zei ik.
'Dag', zei de tandarts.

15 augustus 2005

jacq vindt het een burden

Trouwens zojuist wel een callcentermeiske van de kankerbestrijding afgepoeierd. Maar u weet nog niet eens wat ik wil vragen! Maar ik weet toch nu al dat ik daar geen zin in heb!

Ja, heel erg ja. Mijn lieve vriendin Els is aan kanker doodgegaan en dan ben je er zelf ook een beetje toe veroordeeld. Ik heb tenminste het idee idee dat ik tot aan mijn dood geld aan de kankerbestrijding moet geven. Ik vind dat een burden, eerlijk gezegd. Ik heb helemaal geen zin in kanker meer.

Bovendien overviel mij deze gedachte toen het callcentermeisje begon te spreken: fuck you all beste wetenschapsmensen, Els is nu toch al dood. Het is in elk geval al meer dan een jaar heel erg stil van die kant. En dat is niks voor Els. Ik spreek Els nog wel, maar alleen nog in mijn dromen. 'Ja hooi, ik ben weer levend', zegt Els dan heel opgeruimd. Daar word ik dan altijd eerst even woedend van, van dat opgeruimde toontje. Zij zal nooit eens de ernst van een situatie onderkennen. Maar daarna maken we het direct goed. In andere dromen pikt zij mij op van het station. Dan zijn we al halverwege haar huis voordat ik langzaam begin te denken: hier klopt iets niet. En dan duurt het nog weer vijf minuten voordat ik er iets van durf te zeggen. Ik ben vaak zo bang om mensen van hun apropos of in verlegenheid te brengen. Zelfs als zij dood zijn, dus. Waar moet het naartoe met mij, dat denk ik wel eens.

Dus dan zeg ik uiteindelijk heel voorzichtig:
'Zeg, was jij niet eh dood'
'Mmmm ja', zegt Els dan.
'Maar nu ben ik weer levend hoor'.
Weer dat opgeruimde toontje.
Zo luchtig, dat ik eerst vergeet om te gaan huilen.

Maar ja, dat was dus in mijn dromen. Want dat blijkt dus: als iemand echt dood is, dan zie je ze ook nooit weer. De dood, dat is best wel een definitief iets. Ergens besef je dat wel als je iemand onder de grond stopt en er aarde overheen gooit. Maar toch schrik ik mij soms ineens weer helemaal kapot.

Maar goed, dat kon dat arme callcentermeiske ook allemaal niet weten natuurlijk!

12 augustus 2005

de laarzen van vriendin één

'Ik heb wéér nieuwe laarzen gekocht', zei ik tegen vriendin één.
Het was mijn vierde paar in vier weken.
'Neee!', kreet vriendin één ontzet.
Niemand krijt meer ontzet, vandaar dat ik vriendin één in dit stukje ontzet laat krijten.
'Ja, echt', zei ik.
'Ik wilde eigenlijk een laptop en ineens had ik een enorme doos in een plastic zak.'
'Een laptop', zei vriendin één.
'Nee, laarzen dus', zei ik.
'Blijf er even bij vriendin één', zei ik.
'Jaja', zei vriendin één.
Maar haar stem klonk vaag en afgeleid.
Altijd als ik iets nieuws heb gekocht, gaat vriendin één haar eigen kleerkast na.
Het is dan een kwestie van seconden of zij trekt een conclusie.
Drie.
Twee.
Eén.
'Ik heb eigenlijk ook haast niets meer om aan te trekkuuuun', zei vriendin één.
In haar stem zat een diepe verongelijktheid. Alsof nare mensen haar een winkelverbod hadden opgelegd en dat dat niet eerlijk was. Terwijl: zo een winkelverbod krijg je heus niet zó maar, dan zul je echt wel iets gedaan hebben wat niet door de beugel kan hoor.

'Ik moet ook laarzuuuuun', zeurde vriendin één.
'Vriendin één!', riep ik.
'Wat!', riep vriendin één.
'Het ging hier even over MIJ en MIJN nieuwe laarzen!', riep ik.
'Oh, ik dacht een laptop', zei vriendin één.
'Nee, laarzen', zei ik.
'Hoe kom ik dan bij een laptop', zei vriendin één.
'Dat was ik van plán', zei ik.
'Oh, zie je wel', zei vriendin één.
'Had ik toch gelijk.'

Damn, ik krijg er nooit een speld tussen.

10 augustus 2005

it wasn't jacq

Ik moet dat ook niet doen. Zo word je een prooi. Ik stap soms van mijn fiets af en dan kijk ik voor me uit. Het ziet er vast uit of ik een zweeds raadsel aan het oplossen ben. De werkelijkheid is veel simpeler. Ik denk alleen maar: wie ben ik? Waar woon ik? En wat doe ik hier? En soms los ik tegelijkertijd een zweeds raadsel op. Gewoon, in mijn hoofd. Dat moet je dus niet doen. Dan ben je een prooi.

'Hello', zei een stem.
Ik schrok op.
Het was een negerjongen.
'Hellooo', zei ik gezellig.
Het was immers een negerjongen.
En het was dan wel niet een dag waarop ik alle negers moest groeten, maar alla, als ze zelf begonnen! Trouwens: misschien was het voor de negerjongen wel een dag waarop hij alle blonde mensen moest groeten. Ik bedoel maar, bekijk het ook eens van die kant.

'Do you speak English', zei de negerjongen.
'A liiittle', zei ik voorzichtig.
Ik hield mijn duim en wijsvinger een halve centimeter van elkaar.
Ik keek er een beetje sneu bij.
De negerjongen glimlachte.
'How are you doing', zei de negerjongen.
'I'm doing fine', zei ik.
'What's your name', zei de negerjongen.
'My name is ... jacq', zei ik.
Ik had een schuilnaam overwogen.
Maar ik wist maar één naam.
En dat was jacq.
Je zal maar in een kwis zitten!!!
'jacq ...', zei de negerjongen.
'Uhuh', zei ik.
'jacq ...', zei de negerjongen.
'I have seen you on your wiets here before.'
'You have seen me on my what here before!?', zei ik.
'On your bike jacq', zei de negerjongen.
'Ah, on my bike', zei ik.
'You have seen me here on my bike?', vroeg ik.
'It wasn't me', zei ik.
Ik kwam hier verder ja nooit op de wiets!
De negerjongen sloot zijn ogen even.
Een vage glimlach kwam op zijn lippen.
'Yes jacq, I saw you before, but I did not speak to you.'
'O ... kidoki', zei ik laf.
'Where do you live, jacq', zei de negerjongen.
'Where do I live?', vroeg ik.
Soms kan het geen kwaad om dingen te herhalen, gewoon totdat de tijd om is.
Maar de negerjongen had geen tijd die om kon.
'Where do you live jacq?', vroeg de negerjongen geduldig.
Zijn ogen grepen die van mij.
Ik wou wel knipperen maar ik kon niet meer.
'Oh, I live here, in the eh city', zei ik.
'Where in the city, jacq', zei de negerjongen.
'Oh ... here. Right here', zei ik en maakte een wijds gebaar.
'Can I go home with you', vroeg de negerjongen.
Ik keek om me heen.
'Noo dat lijkt me niet', zei ik.
'Maarem', zei ik.
'I really have to ... shop now', zei ik.
Ik zette mijn voet op een trapper.
De negerjongen greep mijn stuur.
Met een glimlach, dat wel.
Ik duwde en ik duwde.
Met een glimlach, dat wel.
Ik wurmde me langs de negerjongen heen.
'Will you take me home with you', fluisterde de negerjongen.
'No no', fluisterde ik terug.
'I have to go shop now', zei ik.
'I really, really have to go shop now.'
'It is an emergency', zei ik.
'I háve to shop.'
Zo is het immers soms.

Want anders had hij natuurlijk best mee gemogen.
Gewoon, gezellig.

08 augustus 2005

de vakantie van boris v.

'Oh nee hoor', zei mijn vader.
'Geen énkel probleem', zei mijn moeder.

En toen volgde er een verhaal over hoe voorbeeldig en ontspannen Boris V. zich had gedragen tijdens de autorit naar hun huis. Al na een paar honderd meter was hij uit zijn kooitje gekropen en had nieuwsgierig om zich heen gekeken.

'Hij gaf je moeder de hele tijd kopjes', zei mijn vader.
'Hij wou er echt dolgraag eens uit denk ik', zei mijn moeder.
'Hij had echt goeie zin', beaamde mijn vader.

Het ontbrak er nog maar aan dat ze met hun drieeen ik zie ik zie wat jij niet ziet hadden gespeeld. Of iets driestemmigs hadden meegezongen met de radio.

Ik glimlachte sereen want dat kan ik goed. En ik mompelde iets van fijn om te horen. En ondertussen viel mijn hart van een rots en stortte in een heel, heel koude zee. Wat was er gebeurd met de Boris V. die doet wat hij moet doen? Hyperventileren en keelgeluiden maken die heel angstaanjagend zijn als je zijn moeder bent?

'Hij lust trouwens best kaas', zei mijn vader.
'Oh, en 's nachts kwam hij op het hoofd van je vader liggen', zei mijn moeder.
'Ik was nog haast gestikt', zei mijn vader.

Maar de Boris V. zoals wij hem kennen, die Boris V. bestond nog wel. Ineens was die er weer, namelijk toen ik hem ophaalde en in de auto mee naar huis nam. Dramaties as usual. Keelgeluiden all over the place. Zweetvoeten. Een blik als uit een horrorfilm. Eerst wilde ik het verzwijgen. Maar ik ben hiervoor te eerlijk.

'Onbegrijpelijk', zei mijn vader.
'Bij ons doet hij dat dus niet', zei mijn moeder.

Even zweeg ik.
Toen sprak ik.

'Ik denk dat hij zich bij jullie goed houdt', zei ik wanhopig.
'En dat hij bij mij zijn eigen ikje weer laat spreken', zei ik.

Ja, ik zei dat echt, van dat eigen ikje.
Maar kom op, ik was overstuur men!