stukjes jacq

30 juni 2005

de tragiek v/h suikerzakje

Meestal ben ik blij dat het nu nu is. Maar soms, dan verlang ik terug naar vroeger. Vroeger, toen had ik tenminste nog hobby's. Het waren geen bijzondere hobby's, zoals bijvoorbeeld paragliden of skutsjesilen met een dakje op de u. Maar het waren wel hobby's.

Eerst had ik als hobby mijn broertjes haar eruit trekken. Later kreeg ik als hobby verzamelen. Eerst spaarde ik suikerzakjes, later paardenstickers en toen weer suikerzakjes omdat er niet zo heel veel paardenstickers waren. Dat is het lulligste dat je kan overkomen als je eenmaal hebt besloten wat je verzamelt: dat er niks aan is. Of dat er maar drie van zijn of zo. Dan ben je te snel klaar met je hobby, terwijl je nog geen volgende hobby had bedacht. Dan loert er een groot gevaar: dat je je gaat vervelen. Was er dan geen televisie lieve jacq, zullen jullie vragen. Jawel kinders, die wás er wel, maar er was gewoon niet altijd iets op. Hahaha, geintje zeker. Nee hoor, want zo was het vroeger. Dan had je alleen de klok met de secondewijzer. Dat was een half uur leuk maar daarna ineens niet meer. Wel leerde je er heel goed van hoe lang een seconde duurt. De generatie van ná de klok, die kan dat een stuk minder goed. Heeft weinig benul van hoe lang een seconde duurt. Of een regenachtige woensdagmiddag.

Enfin, als je klaar was met je hobby maar nog geen volgende hobby had bedacht, dan moest je flexibel zijn. Dan moest je er er niet in blijven hangen en moedig genoeg zijn om naar je vorige hobby terug te gaan. Het is even slikken, maar meestal nemen de suikerzakjes je wel terug. Die zijn natuurlijk allang blij dat er iemand wat met hun wil, haha!

Elk kind wil verzamelen op een bepaalde leeftijd. Ik denk dat het iets met de evolutie te maken heeft, maar dan met de evolutie van lang geleden. Leren verzamelen was vast ooit heel belangrijk voor het voortbestaan van de soort. Als je als soort geen lol hebt in dingen bij mekaar in een bakje doen, dan sterf je uit. Het kan zijn dat er soorten waren die er geen lol in hadden, in verzamelen. Die bij elk besje dachten: heej grappig, een besje, ik laat het hier maar fijn liggen. Misschien denken jullie: ehm, nou, die soorten die ken ik niet hoor! Maar dat komt: die soorten zijn nu dus uitgestorven jah!

Er zijn ook mensen die het omgekeerde hebben. Die mensen raken nooit uitverzameld. Pas was ik bij een volwassen iemand die een vitrinekast vol teddyberen had. In mijn hoofd ging een sirene af. Evolutionair gezien dient het verzamelen van teddyberen geen enkel doel, en volgens mij dachten de teddyberen daar ook zo over. Het leek mij een ziekte. Maar zelf noemde zij het een hobby.

28 juni 2005

jacq heeft heus wel lekker bloed

- Whaaaah!!!, riep mijn vriend.
- Sssst!!!, fluisterde het fluisterbootje.

Mijn vriend sloeg naar zijn rug. Zijn hand plette een grote mug. En dertig seconden later nog een. En toen nog een. Ik daarentegen had nergens last van.

- Ik heb nergens last van, zei ik trots.
- Oh, dan heb jij geen lekker bloed zeker, zei mijn vriend.
- Ik heb heus wel lekker bloed jah!, zei ik haastig.

Want je wilt gewoon niet iemand zijn met niet lekker bloed. Ook al is het dan de mening van een paar insecten - het geeft je het gevoel dat jij niet een fris en fruitig iemand zou zijn. Dat de muggen langs je vliegen en hun neus dichtknijpen en elkaar aanstoten of zo.

- Ik heb heus wel lekker bloed, maar ehm jij zit ervoor', zei ik.

Mijn vriend ging iets opzij zitten.

En zo kwam het er uiteindelijk op neer dat ik de volgende ochtend elf bulten op mijn voeten had. En die jeukten zo erg dat ik alleen nog maar kon snauwen. Even dacht ik terug aan het fluisterbootje en hoe lief ik erop was. Toen nam ik de agressiefste anti-jeukstick aller tijden in mijn hand. Ik ademde in. Ik ging ermee op mijn elf bulten. En ik schreeuwde, oh ik schreeuwde. Het was maar goed dat het fluisterbootje er niet bij was.

25 juni 2005

jacq heeft soms méér nodig

Soms hebben we aan een half woord genoeg.
- Reiger op tien uur, zei mijn vriend.
- 's Avonds of 's ochtends, vroeg ik.
En toen waren we de reiger alweer voorbij.

23 juni 2005

jacq wil het even zeker weten

'Weet je wat wij nodig hebben', zei mijn vriend.
'Een bootje', zei ik.
'Met water eromheen', zei mijn vriend.
Soms vullen we elkaar heel goed aan.

Daar gingen we.
We reden op een weg.
Ik zag een beer.

'Stel dat de fluisterbootjes op zijn', zei ik.
'Uhuh', zei mijn vriend.
'Dan hoeven we toch niet in een rondvaartboot hè', zei ik.
'Dat lijkt me niet', zei mijn vriend.
'Just checking', zei ik.
Mijn vriend heeft soms een oprisping van gezellige normaalheid.
Doodsbang ben ik dan voor mijn vriend.
Maar dit is even onder ons.

21 juni 2005

wegens hitte geen stukje

Het is warm. Het is veel te warm. De warmte heeft de mensen onderverdeeld in twee soorten: een soort die roept dat het warm is. Veel te warm. En een soort die roept dat je niet mag roepen over dat het warm is. Veel te warm. Die mensen vinden dat je er sportief over moet doen, of zoiets. Wat zijn er toch vervelende mensen op de aarde. Kunnen we die er niet afgooien of zo?

20 juni 2005

jacq haat de dieren!

Ik begrijp niet goed waar al die dierenverhalen op dit weblog vandaan komen. Ik haat dieren. Dieren kunnen mij gestolen worden. Letterlijk. Ik laat Boris V. wel eens heel opvallend half uit mijn broekzak hangen, in de hoop op een zakkenroller. Maar Boris V. kan de zakkenrollers dan weer gestolen worden. En voor je het weet zit je in een vicieuze cirkel, samen met je huisdier.

17 juni 2005

de krullen van ludde

Ik gaf het Ikeaschaap een stomp. Geen reactie. Ik zuchtte opgelucht. Het schaap was gewoon dood, net zoals eerst. Boris V. keek argwanend. Maar dat is meer zijn karakter.

Ik draaide het schaap om.



'Dus!', riep ik triomfantelijk.
'Euhm', zei vriend H.
'Duus!', riep ik nog eens triomfantelijk.
'Maar', zei vriend H. langzaam.
'Maaaaaaaarrrrr', zei hij nogmaals.
Zoveel klinkers, dan moest er wel een slimme opmerking komen!

'Ik heb nog nooit ...', zei vriend H.
Hij pauzeerde even.
'Een schaap gezien met zulke lange, steile haren.'
Hij zweeg betekenisvol.

Ik zweeg ook. Ik keek in mijn hoofd rond. Ik zocht er naar plaatjes van schapen die ik ooit had gezien. Of had geaaid. Of had gekust. Nee, ik heb natuurlijk nooit echt een schaap gekust. maar in mijn hoofd had ik er tóch een plaatje van. Plaatjes in je hoofd kun je soms niet tegenhouden.

Damn, dacht ik. Want ik had ook nog nooit een schaap gezien met zulke lange haren. Niet in mijn hoofd én niet in het echt. Was dat wel zo geweest, dan zou je waarschijnlijk overal in het land mensen op levende schapen zien liggen. Puur omdat ze zo zacht waren.

Voor de tweede keer in een paar weken dacht ik aan gladmakende melk.
'Misschien dat als je de krullen uitborstelt', aarzelde ik.
'Hahaha!', riep vriend H. eroverheen.
'Nadat het schaap dood is, natuurlijk!', riep ik.
Want een levend schaap al die klitten eruit borstelen, dat kon je niet maken.

Maar de eerste twijfel was gezaaid.
In mij begon een gedachte over het Ikeaschaap.
Was het label van het Ikeaschaap een leugentje om bestwil?
Was het Ikeaschaap wel een echt schaap?
Of had vriend H. een punt met zijn kunstvachtje?
En toen kreeg ik nog een gedachte.
Daar moest ik pas echt van rillen.

Stel: het Ikeaschaap was een kunstschaap.
Waar was dan het echte schaap?

16 juni 2005

het schaap van de ikea

Er is wat onduidelijkheid ontstaan over het Ikeaschaap.



Het zat zo.
Vriend H. was op mijn bank gaan liggen.
Ik vlijde mij op het schaap.

'Leuk hoor, zo een kunstvachtje', zei vriend H. geringschattend.
'Nee, het is een schápenvacht, snap je wel', zei ik.
'De vacht van een schaap', legde ik uit.
'Een dood schaap dan', voegde ik er haastig aan toe.
Soms pakken de mensen je op details.

'Hahaha!', zei vriend H.
'Echt!', riep ik.
'Maak dat de kat wijs!', riep vriend H.

Maar dat leek mij niet zo nodig. Boris V. heeft immers zijn eigen mening over zaken zoals het Ikeaschaap. Boris V. denkt dat het Ikeaschaap leeft en zwarte katten eet. Stel dat je Boris V. zou zijn, wat voor een leven had je dan!? Ik peinsde en ik peinsde. Nee ik droomde. Mijn ogen vielen toe. Het was ook zo fijn warm op het Ikeaschaap.

'Maak dat de kat wijs!', riep vriend H. nogmaals
Ik schrok wakker.
'Vriend H., wees toch eens niet zo eigenwijs', zei ik.
'Hahahaha!', zei vriend H.
'Het is écht haar van een écht schaap!', riep ik.
Ik rolde mij van het Ikeaschaap af.
En ik draaide het schaap om.
Ik hoorde een zucht.
Leefde het schaap soms weer?

Ik keek snel naar Boris V.
Die gaf mij een blik terug.
En op dat blik stond: told you so.

13 juni 2005

jacq scheert een poes weg

Het dunne zwarte poesje waar Boris V. zo bang voor is, rende naar binnen door mijn achterdeur. Nou, dat zegt het al zo'n beetje hè: een poes die een ander huis dan zijn eigen huis komt binnenrennen. Tegennatuurlijk. Abnormaal. Uhuh, ja, ik ben ook een beetje bang voor het dunne zwarte poesje. Dat voelt Boris V. En daar wordt hij alleen maar banger van. Boris V. en ik zitten in een vicieuze cirkel die veel weg heeft van een spiraal. Het dunne zwarte poesje lacht zich helemaal dood. Middenin de nacht, als Boris V. en ik warm onder onze dekbedden liggen, horen wij vanaf het schuurdak vaak een hol gelach. Dan vertelt het dunne zwarte poesje aan zijn vrienden een mop over mij en Boris V.

'Het z-z-zwarte p-p-poesje', bibbert Boris V. dan.
'De deur zit op het n-n-n-nachtslot', zeg ik dan.
En dan denk ik: is dat wel zo?
Slapen doen we maar weinig.

Eenmaal in mijn woonkamer ging het dunne zwarte poesje op zijn dunne zwarte rugje liggen. Boris V. keek mij wanhopig aan vanuit een keukenkastje. Ik kuchte beleefd. Het poesje reageerde niet.

'Poes, scheer je weg', fluisterde ik wanhopig. En ik zweer het: je zag het dunne zwarte poesje zijn wenkbrauwen fronsen. Echt op zo een manier van: haha die komt zeker uit de jaren vijftig of zo. Terwijl euh hallo, daar kom ik helemaal niet vandaan! Maar het dunne zwarte poesje had zijn conclusie al getrokken. Hij lachte hol. En hij klakte met zijn tong. En hij pakte de afstandsbediening.

En nu moeten we de hele week al Animal Planet kijken.
Ook de bloederige operaties.
Van konijnen met een ingegroeide wortel (oh! haha!).
En van paarden die een pony moeten krijgen.

jacq & de prins van oranje

'Doeg!' riep ik opgelucht tegen de taxidriver.
'Werkze nog!', riep ik erachter aan.
'Dag hoor!', riep ik daar weer achteraan.
Oh, als ik van mensen af ben, dan kan ik ineens zo spontaan doen, hè.

Ik moest aan mijn vriend denken die nog steeds in zijn vliegtuig zat opgesloten.
Direct ging mijn telefoon.
Dat is mijn vriend die nog steeds zit opgesloten, dacht ik.
'Ik ben eruit hoor!', zei mijn vriend.
'Hehe, eindelijk!', riep ik.
'Weet je wie ik trouwens net tegenkwam', zei mijn vriend.

Dat zijn altijd moeilijke vragen.
Maar op de een of andere manier dacht ik dus direct aan mijn ex'en.
En dat ze mijn vriend alles over mij zouden vertellen.
Ik kreeg het even heel warm.
Terwijl: mijn vriend kent die jongens helemaal nie!

Ik maakte mij op voor een stukje raden via de mobiele telefoon.
Maar zo zit mijn vriend dus niet in mekaar.
'Willem Alexander', zei mijn vriend.
'Dat meen je nie!', riep ik.
'Vroeg hij nog naar me', vroeg ik toen.
Ik sloeg een hand voor mijn mond.

[Oh ja, ooit waren er tijden dat de kroonprins geregeld naar mij vroeg. Ik mag wel zeggen zeer geregeld. Op het eind nam ik een ander nummer. Sure, ik had allang een prinses kunnen zijn. Met een paleis. En highlights waar je wel in één keer tevreden over bent. Maar ik wou niet. En als je niet wilt, dan houdt alles op. Dat moest Willem Alexander uiteindelijk ook toegeven. Maar als je goed kijkt, dan zie je dat hij nog steeds zijn tanden knarst.]

'Wat zei je', vroeg mijn vriend.
'Neh niks', zei ik.

Want het verleden is het verleden en het heden is het heden en die mensen moet je niet door elkaar gaan mixen.

09 juni 2005

jacq slaat de stilte stuk

Toen kwam ik bij zinnen.
Ik schoof weer naar mijn eigen kant.

'Hèhè', zei ik.
Dat was om de stilte stuk te slaan.
'Jaja', zei de taxidriver.
Toen wist ik niets meer.

Het schoot mij te binnen dat ik de taxidriver eigenlijk van alles zou moeten vragen. Al was het alleen maar omdat ik dan een weblogstukje zou hebben. Er zijn dagen dat je grof geld wilt betalen voor een weblogstukje, dat weet iedereen. Soms wil je je lichaam wel verkopen - als je er maar een stukje aan overhoudt. Maar ik zweeg. Niets schoot mij te binnen. Je hebt ook fíjne stiltes, jacq, dacht ik wanhopig. Maar het was alsof de stilte een kussen was dat steeds harder tegen mijn gezicht werd gedrukt.

De ruitenwissers konden het niet aan. Ik keek naar de regen die nog steeds viel, van boven naar beneden. Nee, het was niet eens vallen, het was meer slaan. Bem bem, zei de regen. Of de here god, die de regen aanstuurt. Een bliksemflits doorkliefde etc. Waarom was Hij zo boos? En was Hij het op Amsterdam of op ons hele land? In elk geval ook op Schiphol. Een half uur geleden, toen ik nog met de vriendin in het café had gezeten, had mijn vriend mij gebeld. Hij was geland maar hij mocht het vliegtuig niet uit. Noodweer op de luchthaven.

Oké, ik stikte.

'Mijn vriend zit vast op Schiphol', riep ik.
Het knalde door de stilte heen.
'Oh! Kan niet landen!', zei de taxidriver.
'Jawel, ze zijn al geland', zei ik.
'Huuuuh', zei de taxidriver.
'Maar ze mogen er tóch niet uit!', riep ik.
Ik trok overdreven mijn schouders op.
Ik hief mijn handen.
'Is raar', zei de taxidriver.
Hij trok zijn schouders ook op.
'Heel raar', zei ik.
'Nou zeg!', zei de taxidriver.
'Echt niet normaal!', zei ik.
'Dat je er dan niet uit mag!'

Geestdrift was over mij gekomen.
Met wat inspanning kon ik dit rekken tot het CS.
Maar toen was er wéér een rood stoplicht.
En het onderwerp was eigenlijk wel op.

07 juni 2005

jacq doet iets met de taxidriver

Ik gleed naast de taxichauffeur in de taxi. Even schoot door me heen: of moet ik juist achterin gaan zitten? Maar toen zat ik al. En om nu. Neh. 'Centraal station graag, taxidriver', zei ik. Nu oké, dat taxidriver dat zei ik niet. 'En snel een beetje!', riep ik erachteraan. Oké, dat zei ik ook niet. Pas als je thuis bent, dan bedenk je wat je allemaal voor geweldigs had kúnnen zeggen, hè!

De taxi rolde weg over de Brouwersgracht. Stil zaten wij naast elkaar, ik en de taxichauffeur. Eerst was dat goed. Toen werd het wat ongemakkelijk, maar van het lichte soort. En nog later was het als op een eerste date waarbij de zenuwen alle onderwerpen hebben opgevreten. Maar dan ook alle. Dan hoop je dat het zoenen snel begint. Ik leunde wat in de richting van de taxichauffeur. Ik sloeg loom een been over het andere. En ik zette mijn vage glimlach op. Die is écht goed, vraag maar aan mijn vriend.

06 juni 2005

jacq neemt taxi

Eigenlijk zaten wij er heel fijn, zo aan de gracht. Maar toen barstte de hel los boven Amsterdam. De regen was als een emmer die je omkeerde. Eén seconde erin en je was doorweekt. Het was een dag dat ik een kapsel had, sort of. Ik hoef dat toch verder niet uit te leggen, hoop ik hè.

'Ik neem een taxi', zei ik. Omdat ik het waard ben, dacht ik erachteraan. Dat denk ik wel vaker als ik dure dingen ga doen. Je hebt er hard voor gewerkt jacq, zegt de innerlijke jacq dan tegen mij. Daar heb je gelijk in innerlijke jacq, zeg ik dan terug. Als ik niet hard heb gewerkt, wil ik trouwens ook dure dingen. Dure dingen zijn immers van alle tijden! Dan verzin ik iets anders. Bijvoorbeeld dat het leven kloten is en dat ik daarvoor gecompenseerd moet worden.

'Oh kijk, daar komt net een taxi', zei ik. Ik duwde de vriendin naar voren. Het leek me zo lullig als ik heel newyorkerig voor zo een taxi zou springen en dat die taxi dan gewoon zou doorrijden. Ik kan er slecht tegen als ik belachelijk word gemaakt. Vernederingen onthoud ik altijd jarenlang, veel langer dan gemiddelde mensen. Gelukkig zijn er vriendinnen die je naar voren kunt duwen. Met vriendin één lukt dat trouwens nooit - die duwt míj altijd. We komen meestal onder de blauwe plekken thuis. Maar met alle andere vriendinnen ben ik degene die duwt.

De vriendin struikelde de gracht op en hief desondanks heel ad rem haar hand. Ik floot bewonderend. De taxi remde. Ik kuste de vriendin en stapte in. De taxichauffeur grijnsde zijn gouden tanden bloot. Dit verzin ik er even bij, bij wijze van ijzingwekkende cliffhanger.

03 juni 2005

jacq is goed volk

Toen ik gisteravond mijn fiets uit de fietsenstalling haalde, zag ik een konijntje zitten op het grasje. Het grasje is mijn uitzicht vanuit Kantoor. Maar voor het konijntje is Kantoor zijn uitzicht vanaf het grasje. Dat moet je je ook realiseren. Als ik het konijn was, dan had ik Kantoor als uitzicht! Ben ik blij dat ik op Kantoor zit zeg!

Het konijntje hoorde mij aankomen en hipte een stukje weg. Maar toen zag het konijntje dat ik goed volk was, en toen bleef het zitten waar hij zat.

Goed volk zijn ligt gevoelig bij de konijnen. Het is niet iets wat je kunt spelen. Konijnen kijken daar dwars doorheen. Andere dieren weer minder. Konijnen hebben de beste ogen. Oké, en brilslangen dan. Goed volk zijn is vooral een kwestie van aanleg. Je kunt wel leren om goed volk te zijn maar het is niet gemakkelijk. Je moet het namelijk menen. En de dingen echt menen, dat is soms het moeilijkste dat er is in het leven.

[Oké, oké!! Ik geef het toe!!! Ik kan er niet meer tegen!!! Houd op met mij gek maken in het hoofd! Ooit, héél lang geleden, heb ik een levend lieveheersbeestje met lijm in een natuurschriftje geplakt, daar dan! Ik denk er nog elke dag aan. Maar dat was een incident. En het was een project! Ik was goed volk met een slechte dag. En het lieveheersbeestje was al snel dood, denk ik. En toen ging hij straight naar onze lieve heer toe, dat kan bijna niet anders.]

01 juni 2005

ivm hooikoorts geen stukje

Vind ik wel interessant klinken, hooikoorts. Ik heb het nooit gehad, maar misschien heb ik het nu. Uit mijn linkeroog rolt voortdurend een traan, en in mijn neus whaaa daarin zitten verscheidene insecten. Apitsjoe, zeg ik de hele dag, net als die freaking Pinkeltje Witbaard van way back uit mijn jeugd.

Heb je hooikoorts, vroeg iemand mij zojuist. En toen dacht ik: goh, hooikoorts. Ik proefde het woord op mijn lippen. Ik zoog het door mijn neus naar binnen. Dat mislukte want mijn deus zat dicht. Maar het woord beviel mij. Hooikoorts. Om hooikoorts heen hangt een soort van ... van ... nee ik heb geen idee. Maar er hangt zeker iets omheen. Het lijken mij altijd van die lieve, gevoelige mensen die het hebben. En ze hebben ook allemaal een band met elkaar. Het zou mij ook heel goed staan, denk ik. En ik wil ook wel eens vrienden.

Maar goed, volgens mij heb ik gewoon heel erg op de tocht gezeten. Gisteren ging ik iemand interviewen die een pijpje ging roken en het raam openzette. Of ik daar bezwaar tegen had. Neueuh, zei ik laf. Dat komt: ik ben een ex-roker en als ex-roker moet je eigenlijk niet zeuren. Beetje loyaliteit met het soort dat jij zelf ooit ook was, voordat je het licht zag. Dus je zeurt niet. Maar je wilt het wel. Maar je doet het dus niet. Koud dat het was!

Vanochtend kwam ik de man met de pijp weer tegen. Dat was nog voordat ik de persoon tegenkwam die vroeg of ik hooikoorts had. Dus ik zei: zeg, dankzij jou en jouw pijp ben ik nu verkouden. De man met de pijp zei: pff, dat zal wel zeker hahaha! Met zo een bulderende lach dus. Zo zie je maar: rokers leven in een soort ontkenning, maar zelf vinden ze van niet.

Ik denk dus eigenlijk dat mijn tranen en mijn neus komen door de homme met de pipe. Maar toch zou ik liever willen dat het dus hooikoorts was, ivm interessantheid. (Tenzij ik heel erg hees ga worden van verkoudheid, dan is dat weer interessanter.)