het gezicht van de schoonmaakster
Lang, lang geleden, toen ik nog in het land van ooit woonde, was ik zelf schoonmaakster. dat was in mijn lange, lange studietijd, want ja die had je toen nog lieve kinders. Het schoonmaken was een welkome onderbreking van het vele slapen dat ik in die tijd deed. Dat was om mijn studie te vergeten. Dat is overigens niet gelukt. Ik sloeg, alleen weet ik niet goed meer waarin precies.
Hoe dan ook, ooit was ik dus een schoonmaakster. En nu héb ik er een. Ergens denk ik toch dat er wel wat in zit, in die hele evolutietheorie.
Nu moet ik er direct eerlijk bij zeggen dat ik dus niet echt een schoonmaakster héb, in de feitelijke zin van het woord. Ik moet eigenlijk zeggen: wíj hebben een schoonmaakster. Op Kantoor namelijk! Het is een echte, van het zuivere schoonmaaksoort. Toen onze schoonmaakster voor de eerste keer kwam binnenwaaien, kwam bij mij direct de term proletariaat op. Ik zag de hoge heren als het ware achter haar versleten rug opdoemen. Daar kon ik ook niets aan doen, sommige dingen komen nu eenmaal bij je op jah!
Onze schoonmaakster heeft heel veel witblond haar in een pluizenbol. Dat is niet omdat zij dat zelf mooi vindt, denk ik. Daar is de schoonmaakster mee geboren. De pluizenbol leidt trouwens dermate af dat ik eigenlijk nooit toekom aan het bestuderen van het gezicht van de schoonmaakster. Ik blijf steeds maar met open mond bij heur haren hangen. Ik kan het niet helpen maar elke keer als ze bij ons op Kantoor is, dan denk ik weer: maar tegenwoordig heb je toch van die gladmakende melk voor in je haar? En dan denk ik daar direct achteraan: ja maar niet iedereen is daar zo mee bezig, jacq. Het innerlijke van de mens blub blub blub. Maar dan denk ik een minuut later tóch weer aan die gladmakende melk.
Nee, ik kom nooit aan werken toe als de schoonmaakster op Kantoor is.