stukjes jacq

29 oktober 2004

wintertijd

Even vakantie.

'Oh en zaterdag wordt de klok verzet', zei mijn vriend.
'Oeh, vooruit of achteruit?', zei ik.

Tussen ons werd het stil.
In mijn hoofd zetten roestige raderen zich langzaam in beweging.
Het kraakte en het piepte.

'Het wordt eerder donker', zei mijn vriend.
'Omdat het een uur later is', zei ik.
'Of omdat het juist een uur eerder is', zei mijn vriend.
'Maar dat het dan in feite later zou móeten zijn', zei ik.

Toen kwamen we tot de kern.
'Kunnen we een uur langer slapen teja of tenee', zei ik.
'Hmmmm', zei mijn vriend.
'Ik heb hier geen zin in', zei mijn vriend.
'Ik ook niet', zei ik opgelucht.
'We zien wel wat er gebeurt', zei mijn vriend.
'We laten ons verrassen', zei ik.

Het is tenslotte vakantie.
Dag hoor!

28 oktober 2004

het verboden woord

Mijn benen waren als stroop.
Ik weende al van een vallend blaadje.
En ik had zin om mensen te teisteren.
'Berg je dus maar', zei ik tegen mijn vriendin.

'Ach', zei mijn vriendin meelevend.
'Moet je soms ongi worden?'

Ik kon enige seconden niet spreken.
Toen schraapte ik mijn keel.
'Vriendin', zei ik.
'Dat is geen woord', zei ik.
'En al is het wel een woord ...', zei ik snel.
Want mijn vriendin is ook niet dom.
'... dan is het een verbóden woord', zei ik.
'En dan niet verboden van och mja verboden zeg maar', zei ik.
'Maar gewoon echt heel erg absoluut NOT DONE!', schreeuwde ik.

Mijn vriendin hield haar hoofd lief scheef.
Dus ik vergaf het haar direct.
Kuthormonen.

27 oktober 2004

spinnen, SLOT SLOT SLOT!

Mijn vraag is nu: als spinnen zich bewust waren van hun impact op de wereld van de mensenkinderen, zouden ze dan niet allang van medelijden zijn uitgestorven?

Of doen zij het erom? Worden ze generatie na generatie alsmaar groter, dikker, meerpotiger en brutaler? Ik schreef al eens over de spin die een ware gevechtshouding aannam. Was dat slechts een glimp van wat ons te wachten staat? Zal het vanaf nu alleen maar erger worden? Treffen wij over een jaar of wat bij thuiskomst de spin en zijn vrienden wijdbeens en boerend op onze designbank aan? Zonder dat er nog een sorry af kan? Kun je nog je mail checken als jij dat wilt? Of moet je maar afwachten of je huisspin het niet te druk heeft met msn'en met breezah-spinnetjes? Dat als je over tien jaar je slaapkamer binnenkomt, en dat zo een spin dan rielekst op jouw hoofdkussen het Volkskrant Magazine ligt te lezen en uitnodigend op het kussen ernaast klopt? Met een van zijn vijftig harige POTEN?!?!

Oh ja, de toekomst, dat is echt een naar, rottig iets denk ik.

26 oktober 2004

de enormheid van een spin /2

De enorme spin van op het hemdje verbleekte bij de spin van gisteravond.
Maar eerst was er nog vredigheid.
Dat is altijd zo.

Samen stonden wij bij de achterdeur, Boris V. en ik.
'Wat is de bedoeling', zei ik.
'Erin of eruit', zei ik.
'Erin', zei Boris V.
'Nee, eruit', zei Boris V.
'Nee, toch erin', zei Boris V.
'Herstel, toch eruit', zei Boris V.

Ik deed de achterdeur open en stak mijn hoofd naar buiten. En daar zat hij, een werkelijk Enorme Spin. Ik ben blij dat ik de hoofdletters nog niet gebruikt had voor de vorige spin. De enormheid van de vorige spin was een lachertje vergeleken bij die van deze. Aan de andere kant: de vorige spin had op mijn borst gezeten.

Ik deinsde terug.
Ik staarde de spin aan.
De spin knipperde niet met zijn ogen.
De spin keek eerst naar mij.
Toen keek hij naar Boris V.
En toen weer naar mij.
Boris V. en ik werden er beide ongemakkelijk van.
Hadden wij soms domme kleren aan of zo?
'Bij wie moet ik zijn als ik de baas zoek', zei de spin.
'Bij hem', zei ik en ik wees naar Boris V.
'Bij haar', zei Boris V. en hij wees naar mij.

De spin draaide met zijn ogen. Het was alsof de spin een stukje research aan het plegen was. Toen hielden zijn ogen stil. Strak keek de spin mij aan.

'Eej meisje, ik ga in jouw huisje wone!', zei de spin.
'Oh nee', zei ik.
'Jawel hoor', zei de spin.
'Het is veels te koud hierzoot!', zei de spin.
'OOOOH NEE!!!, zei ik.

En ik gaf de achterdeur een zwiep, zodat hij dicht sloeg. Boris V. vloog gillend de trap op. Ik liep naar de badkamer, niet om een reden maar gewoon om maar ergens heen te gaan. Can you hear the drums, Fernandoooo, zong ik. Maar zelf hoorde ik niets. Wel zag ik in elke ooghoek een dikke, zwarte spin. En in mijn nek voelde ik dingen kriebelen. Overal zag ik hem. Overal voelde ik hem. De spin was in principe nog buiten, maar dat was slechts een futiliteit. De realiteit was dat hij mijn huis al had overgenomen. De spin zat in mijn hoofd. En een spin in je hoofd, dat is misschien nog wel erger dan een spin in je huis. Want ik kon hem nog niet eens doodslaan ook, als ik zoiets al zou durven.

25 oktober 2004

de enormheid van een spin

Vorige week las ik bij haar over spinnen. Dat is al nooit leuk, lezen over spinnen. Maar goed, je kunt het de mensen niet verbieden. 'Het is de tijd van het jaar dat allerlei diertjes naar binnen kruipen om een goed onderkomen voor de winter te zoeken', schreef zij op kalm-docerende toon. In mijzelf ontstond op dat moment echter een grote onrust. Ik houd niet van spinnen buitenshuis maar daar kan ik inkomen. Sure, ik heb liever dat zij dood zijn, maar levende spinnen moeten érgens leven. Dan maar buiten. Spinnen binnenshuis, dat is een geheel ander issue. Spinnen binnenshuis, daar kan ik niet inkomen. Ik dwong mijzelf daarom bij de gedachte van naar binnen kruipende spinnen aan andere dingen te denken, en zong heel, maar dan ook heel hard een liedje. Op die manier bestrijd ik vele, oh ja vele levensproblemen. Ik raad het jullie van harte aan.

Tot zover ging alles dus nog goed. Diezefde avond echter sprong ik bij mijn vriend in bed, schikte mijn hemdje, keek naar beneden en ontwaarde een enorme spin op mijn linkerborst. Ik had drie dagen later nog keelpijn van de gil die ik slaakte. Of liever gezegd: twee gillen. Eerst was er gil één. Gewoon van de schrik. Toen sloeg ik in een reflex de spin van mijn hemdje af. Dat was gil twee. Maar de spin keek mij aan en bleef zitten. Hmm ja, dat was gil drie. Daarna trok ik in een tweede reflex mijn hemdje uit en wierp het in de verste hoek. En daarna gilde ik nog eens, waarschijnlijk om er een even getal van te maken.

[Och, het is jammer dat in de vorige zinnen het aantal jacq-gillen zo'n centrale rol inneemt. Dat zorgt ervoor dat jullie onwillekeurig gaan mee-tellen. Het haalt de aandacht wat weg van de gruwelijkheid van de beleving op zichzelf. Misschien kunnen jullie het stukje vanaf dat ik in bed sprong en mijn hemdje schikte, even naspelen voor jezelf, zodat jullie de impact van het gebeuren ten volle kunnen mee-ervaren. Ik wacht wel even.]

22 oktober 2004

belangrijke post /3

Ik ging de man over de balie heen sleuren, dat ging ik doen. Mensen over balies heensleuren, dat is immers iets wat ik vaker doe en ik kan het. Zéker in pré-menstruele periodes. Dan bezit ik soms krachten die mijzelf en anderen achterover doen slaan. Maar iets in de mismoedigheid van de man sprak mij intens aan. Ik houd van mismoedigheid in mensen. Zeker in pré-menstruele periodes. Er ontspon zich een levendig gesprek tussen mij en de man.

'Potverdorie', zei ik tegen de man.
'Zeg dat wel', zei de man.
'Wat nu, wat nu', zei ik.
'Goeie vraag', zei de man.
'Mijn financiële leven zit in dat pakket', zei ik.
'Ik begrijp het', zei de man.
'Dus wat je natuurlijk zóu kunnen doen', zei ik.
'Is nog een keer zoeken', zei de man.

In kort tijd hadden wij geleerd elkaars zinnen af te maken, de man en ik. Dat besef vervulde mij met enig geluk. Met een hoofse knik vertrok de man richting magazijn. Gespannen bleef ik achter. Het waren vijf lange minuten. Toen zwaaide de deur van het magazijn weer open. De man had een verhit gezicht. Maar ook een pakket in zijn hand. Het had allemaal aan de plek van het pakket gelegen, legde de man uit. Het had eigenlijk links voorin op de stapel dinges moeten liggen maar het lag dus rechts achterin op de stapel zus en zo en waarom dat was gebeurd mocht joost weten want dat deden ze nooit met dit soort pakketten. Ik knikte. Ik begreep de man helemaal. Soms moet je even uitratelen over dingen waarvan een ander zich geen voorstelling kan maken.

De man viel stil.
Wij ademden allebei uit.
'Pfff', zei ik.
'Pfff, zei de man.
'Kan ik verder nog iets voor je doen', zei de man.
'Valium misschien?', zei de man.
Ik moest lachen.
Ik stopte het pakket onder mijn arm.
'Nou, tot ziens', zei ik.
'Nou, tot ziens', zei de man.

Ik draaide mij om en liep weg.
En zo eindigde het verhaal van de belangrijke post.

21 oktober 2004

belangrijke post /2

Actie was geboden.
Actie was hier en nu geboden.
Hier!!
Nu!!!

Eerst liet ik een betekenisvolle stilte vallen.
Deze werd niet als zodanig ervaren.
'Negenenzeuventig', zei de man onverstoorbaar.
Een oude manke vrouw maakte aanstalten.

Dus toen was het tijd voor grover geschut.
'Monumentje beste mensen', zei ik.
Ik stak mijn handen in de lucht.
Toch was geen iemand met een pistool.
(Maar je weet maar nooit)
'Luister', zei ik bezwerend.
Want nu zou ik het uitleggen ook.
'Ik kon geen nummertje trekken!', zei ik.
'Maar och, ik ben hier al zoo lang!'

'Kom maar hier', wenkte de man.
Verontschuldigend keek ik naar de manke vrouw met negenenzeuventig.
En naar de man met tachtig.
En het meisje met eenentachtig.
Ze keken alledrie terug.
Oh ja zeg, ik was blij dat vuurwapens verboden waren in Holland.
Ik wendde mijn hoofd snel af.

'Ik kom een Belangrijk Pakket afhalen', zei ik luid.
Dan wist men tenminste hoe of wat.
'Ik ga voor u zoeken', zei de man.
Na tien minuten was hij nog niet terug.
Ik werd een tikje ongerust.
Ik trommelde met mijn vingers.
Ik trok mijn wenkbrauwen op.
Ik duwde mijn wenkbrauwen naar beneden.
Ik snoof.
En ja, ik rook onraad.

En onraad er was. De deur van het magazijn ging open. De man kwam terug. Ik hing mijzelf over de balie heen. Ik was betrokken, dat wilde ik er maar mee uitstralen. De man was een beetje ineengekrompen. Of dat leek zo, omdat hij wat benauwd zijn schouders had opgetrokken. 'Ik kan het pakket niet vinden', zei de man. 'En ik heb echt overal gezocht.'

Ik ging de man over de balie heen sleuren, dat ging ik doen.

20 oktober 2004

belangrijke post

Elke keer als ik bij het postkantoor was, was het postkantoor dicht. De tijd begon te dringen. Thuis had er een briefje in mijn brievenbus gezeten. Ik kon een pakket ophalen op het postkantoor. Maar dat moest binnen twee weken. Ik wist wat er in het pakket zat. De spullen van mijn boekhouder. Al mijn papieren van 2003. Mucho important stuff, zeg maar. Om de paar dagen dacht ik aan het postkantoor. Dan schrok ik. Dan fietste ik erheen. En dan bleek dat het postkantoor dicht was.

Op een dag was het postkantoor onverwachts open. Ik was al bijna weer doorgefietst; mijn rit naar het postkantoor was verworden tot een routinematig verplicht nummer. Mij zou niet verweten kunnen worden dat ik niet gemotiveerd was geweest tot het ophalen van het pakket, zo verdedigde ik mij in gedachten in de rechtzaal. Door weer ende wind, Edelachtbare! In het voorbijfietsen ging de deur van het postkantoor open. Ik remde en slipte. Krijg nou wat.

Ik wilde een nummertje trekken maar de nummertjes waren op. Ik vond dit nogal een tegenslag en raakte terstond in de war. Ik ging daarom direct mensen aanspreken. Normaal gesproken is dat het laatste dat ik doe. Ik houd in het algemeen niet van aanspreken. Fuck you all lieve mensen, ik dop mijn eigen boontjes wel. Maar oh wee als ik in de war raak! Dan kunnen jullie je beter bergen. Ik heb al vaak mensen aan de rand from the afgrond gebracht, omdat ik in de war was.

'Hee jij daar!', riep ik naar een jongen die het dichtst bij het nummertjesapparaat stond. De jongen kromp ineen. 'Heb jij wél een nummertje?', riep ik. Slaafs liet de jongen zijn nummertje zien. De nummertjes bestonden dus wél, registreerden mijn hersenen. Dat dreef mij terug tot het nummertjesapparaat. Misschien had ik de nummertjessliert over het hoofd gezien. Dat soort dingen gebeuren, bijvoorbeeld met bonnetjes. Dan verwacht je uit het ene gat een bon en dan is de bon al lang uit het andere gat gekomen. Alleen zie je dat niet, omdat je het niet verwacht. Tenminste niet uit dát specifieke gat. Ik keek op een intelligente manier naar het nummertjesapparaat. Dat betekende dat ik overal voor open stond. Ik bedoel: voor allerlei gaten. Maar waar ik ook keek, er was geen nummertjessliert te bekennen.

Om mij heen ging het leven verder.
Er waren twee balies geopend.
'Vierenzeuventig', zei de man.
Een jongen met een rode jas liep naar de balie.
'Vijfenzeuventig', zei de vrouw.
Een vrouw met een kind op de arm liep naar de balie.
'Zesenzeuventig', zei de man.
De slaafse jongen liep slaafs naar de balie.
'Zeuvenenzeuventig', zei de vrouw.
Een man met een snor liep naar de balie.

Wacht even, dacht ik bij mijzelf. Wacht even. En ik wachtte. En toen, net nadat ik even had gewacht, toen drong het tot mij door. De man met de snor was later dan ikzelf het postkantoor binnengekomen.

Mijn hart begon te bonzen.
Wat was hier aan de fokking hand!
Actie was geboden.
Actie was hier en nu geboden.
Hier!!
Nu!!!

19 oktober 2004

ik wil in een meidengroep!

Ik vind het leven oneerlijk. Waarom mag ik niet meedoen met popstars the rivals. Ik wil in een meidengroep! Ik heb ook recht op dingen!

In mijn tijd had je de Dolly Dots maar daar moest je voor worden gevraagd. En ik ben nooit gevraagd. Of misschien is er wel gebeld maar dat ik toen net met mijn vader en moeder naar de Aldi moest, om te helpen boodschappen sjouwen. Het kan dus zijn dat er gebeld is door iemand die had willen zeggen hee jacq we zoeken nog een dom blond iemand, wil jij misschien? Maar ja, toen was er nog geen voicemail. En toen hebben ze Angela genomen. Ja, er was nóg een Angela maar dat was een Angéla en dat sprak je uit als Ansjeeela. Wat had je verder nog. Oh ja verder had je nog het showballet onder leiding van Penny de Jager, maar zo lenig was ik niet. Ik had een keer een handstand gedaan en daarna was ik heel duizelig. Het enige dat ik echt heel goed kon was de ringen. Maar toen viel ik er een keertje uit en sindsdien was ik er minder goed in. Dus stel dát Penney al gebeld zou hebben zo van hee jacq, er is een meisje uit het ballet dood neergevallen, kun jij spv asap invallen, dan had ik waarschijnlijk toch gezegd: nou Penneywafel, het lijkt me beter van niet want zus en zo.

Ik wil een popstars the rivals voor mensen van over de dertig. Ik zou mijn haren laten groeien in plaats van ze er bijna allemaal af te laten knippen door mijn kekke kapstertje Sylvia dat meent dat ik van de leeftijd van haar moeder ben en continu over de overgang begint. Dé overgang. Of ik zou misschien dreads nemen. Blauw haar. Ik zou ervoor te zorgen dat ik het je ne sais quoi-meisje met het gouden keeltje werd. Die liggen altijd het beste bij de jury, omdat de jury dan denkt dat dat de x-factor is. Ik wil met zijn allen rond een piano. Een-, twee- of driestemmig iets van Aretha Franklin zingen en kippenvel krijgen van mijn eigen stemgeluid. Ik zou heel hard op zoek gaan naar een hartsvriendin voor eeuwig en altijd, waarmee ik alles zou delen.

Totdat zij zou afvallen dan, want dan zou ik al mijn tijd nodig hebben om op zoek te gaan naar een volgende nieuwe hartsvriendin. Zonder hartsvriendin red je het niet in de showbizz, denk ik. We zouden pyjamafeestjes houden, zonder die akelige jongens erbij. Elkaars dagboeken lezen, heel veel grouphugs doen. Eindelijk zou ik een vriendinnengroep hebben, zoals mensen op televisie. Ik zou gelukkig zijn. Geheimen uit de dagboeken doorvertellen aan de jury. Tegen die ene mollige zeggen dat ze juist hartstikke mager is en dat je hebt gehoord dat ze meer dikkerds erin willen hebben. En misschien stiekem het haar afknippen van een paar blonde hartsvriendinnetjes. Zou ik gewoon doen alsof ik wel vaker dingen deed in mijn slaap. Woeps, sorry! Ja hallo zeg, het is toch popstars de rivals!

18 oktober 2004

de wraak van boris v.

Wat dan wel weer heel leuk is: kom ik terug van een weekend weg, heeft Boris V. de hele kamer gestofzogen. Ook achter de bank!

Voel ik me direct schuldig over dat stukje van vrijdag. Weet hij ook, natuurlijk. Ik zo heel verstikt van dankjewel. Hij met van die geknepen lippen, zo van hmm. Is zogenaamd heel druk met dingen op de muur die er niet zijn. Probeer je hem te aaien. Doet hij die truc met de totaal verstrakte schouders. Oh, mèn! Je mág wel op schoot, zeg ik. Draait Boris V. zich heel langzaam om. Kijkt mij vuursproeiend aan en spelt langzaam dit woord. O-p-z-a-u-t-e-n.

(Ja, ik wou nog zeggen: opzouten is met een o, maar dat leek me in dit geval niet zo slim, DUHUH!)

15 oktober 2004

kattenbel aan boris v.

Boris V. is de laatste dagen zo aanhankelijk.
Ik vind: aanhankelijke katten zijn fijn.
Men krijgt er een gevoel bij van: oh hij houdt van me!
Het is altijd fijn als er van je gehouden wordt.

Toch zou ik langs deze onsympathieke weg Boris V. willen vragen nu weer OP TE HOUDEN met deze aanhankelijkheid.

Ik word er namelijk gek van.

Ik hoef me maar om te draaien of jij zat me al aan te staren.
Ik hoef mijn neus maar op te halen of daar kom jij alweer aangerend.
Ik hoef mijn linkeroor maar te bewegen of ik hoor heel zacht 'èèh'.
Ik word wakker en wie ligt er op mijn neus.

Boris V., wat rijmt er op neus?
Inderdaad, NERVEUS!

Ik kan het niet meer hendelen.
En die haren daar word ik ook niet goed van.
Bedankt voor je aandacht.
En nou opzouten!

14 oktober 2004

een nog onbekende vertraging

Op de dag dat de treinen nog gewoon reden, reed die van mij niet.

Ja ehm HALLO!
Het was alláng zes over!
Het volk tuurde naar het eind van de rails.
Het volk morde.

Ding dong, klonk het over het perron.
Het volk rolde met de ogen.
Daar zou je het hebben.
En ja hoor, daar had je het.
De trein had een nog onbekende vertraging.

Een nog onbekende vertraging - dat is nog eens een rottig bericht om te horen. Daarvóór sta je nog te kleumen in de stellige verwachting dat er spoedig iets geels gaat opdoemen. Elke keer als je je hoofd optilt, kan het moment daar zijn. In gedachten raap je je tas al op. Deuren springen open. Een weldadige warmte. Maar een nog onbekende vertraging - nee, daarvan worden de ledematen zwaar en onhandelbaar. Ineens is het echt koud. De kilte trekt vanaf je voeten je hart binnen. Het kan nog wel een maand duren. Zul je ooit, ooit nog weer thuis komen?

Bij een nog onbekende vertraging krijg ik altijd een beeld van een stilstaande trein in een weiland. De jongen van de koffie blaast pluimen zware shag vanaf de treeplank naar de hemel. De conducteur knipt gaten in het blad van een eikenboom. En wat is dat voor roods in het hoge gras? Het is de machinist die even de benen strekt. Is dat daar de vliegende tsjilpkierewiet? Als je hobby en werk kunt verenigen, wat is daarop dan in vredesnaam tegen. Bagage ligt schijnbaar willoos opgestapeld in een rek. Reizigers staren murw uit ramen. Kan men eigenlijk murw uit een raam staren? Is murw van zichzelf een staat van zijn? Of moet men eerst murw geslagen worden? En door wie dan wel? Heel in de verte loeit een koe. Dus die kan het haast niet geweest zijn.

13 oktober 2004

het geschater van de bagage

'Denkt u bij het verlaten van de trein aan uw bagage', zei de stem.
Ik had er eigenlijk geen zin in.
Ik had meer zin om aan mijn bed te denken.
Of aan dat ik zo nodig moest plassen.
Maar toch deed ik het.
Ik dacht aan mijn bagage.
Ik dacht lang en intens aan mijn bagage.
En het was gek.
Eerst was mijn bagage gewoon ... bagage.
Maar nu keek ik er met andere ogen naar.
Ik zag mijn bagage als het ware met nieuwe ogen.
En even los van mijzelf.
Als entiteit op zich.
Ik werd er niet vrolijk van.
En de bagage werd er ongemakkelijk van.
Ik weid er niet over uit, maar zoiets zie je.
En ik vond het eigenlijk nog wel logisch ook.
Bagage is eraan gewend te worden meegesleept.
Niet om te worden aangestaard.
'Jullie zijn mijn ba-kaaaa-zjuh', fluisterde ik.
'Ik kan jullie van mij afwerpen als ik wil', zei ik.
'Ga ik zonder ba-kaaaa-zjuh verder', zei ik.
De bagage zei niets terug.
Maar vanuit het voorvak van mijn tas klonk een gedempt geschater.

Oh, ik haat het zo als ze dat doen!!!

12 oktober 2004

a day at the office

Tuurlijk word je daar gek van.
Dus zo eens in de zoveel tijd ga ik een middagje naar Kantoor.
Valt mij op: daar wordt dus écht niks gedaan hè, op Kantoren!
Maar dat is ook wel eens fijn.

'Is G. er ook', zei ik terwijl ik schichtig naar de deur keek.
'Nee, die is om elf al uur naar huis gegaan', zei L.
'Die zei dat ie dacht dat ie gek werd', zei L.
'Ah ', zei ik.
'Ja ', zei L.
We waren even stil. De stilte tussen ons zei het onzegbare: dat G. reeds lang de zaken niet op een rij had. En dat hij zelf de enige was die daar geen idee van had.

'Godsamme', zei L. 'Zit ik een kwartier met jou te praten, heb ik er alweer tien e-mails bij.' Ik klakte meelevend met mijn tong. 'Luister', zei L. 'Wij daarentegen doen ons stinkende best ...', citeerde L. uit een nieuwe e-mail. Die zinsnede werkte op onze lachspieren. Ja, die zinsnede werkte zodanig op onze lachspieren dat wij direct voorover klapten op onze toetsenborden. 'Poeh poeh', zei L. nadat we voor de vierde keer opnieuw de lol van het geheel hadden ingezien. Even wachtte ze, voor het geval er een vijfde keer zou komen. Soms heb je maar een zucht van iemand nodig. Ik hield me in. Mijn lenzen dreven mijn ogen uit. Ik kan niet lachen zonder tranen. Het is een handicap.

Ik ging eens even een stukje surfen op het wereldwijde web. En nadat L. opnieuw koffie had gehaald, zouden we allebei een stukje gaan werken. Maar eerst koffie. We hadden haast. Alles was omgegooid. Het plan dat ik gemaakt had, was een fijn plan geweest. Een intelligent plan ook. Maar G. had het plan omgegooid. En hij was daarna direct naar huis vertrokken. Even dacht ik dat ik gillend gek zou worden. Maar eerst koffie.

En wacht, daar kwam A. binnenwandelen. Ah, het gefeliciteerd met je dochter-kaartje voor M.! Ikzelf had dit in een vlaag van attentheid bedacht, samen namens ons samen een kaartje sturen. Ik stond er nóg versteld van. Normaal gesproken ben ik laks. Zo laks dat lakse mensen er attent bij afsteken. A. had een heel verhaal op het kaartje geschreven. Ik zou lang kunnen nadenken, of kort. 'Gefeliciteerd met je kind, ik hoop dat je ervan geniet', schreef ik snel. Toen ik het overlas vond ik dat het klonk als 'wie zijn gat brandt, moet op de blaren zitten'. Dit was geheel niet mijn bedoeling geweest. 'Tot snel, M.', voegde ik toe. 'Doeg doeg!'

Ik deed even liefdagboek reloaden.
Iemand moet het doen.

Toen kwam D. binnen. D. is de nerd van de organisatie. Maar dan wel een nerd zoals ze oorspronkelijk bedoeld zijn. Lelijk. Náár slim. Geen benul van menselijke omgangsvormen. Lelijk. Om onbekende redenen stond D. ineens in de kamer, en op datzelfde moment formuleerde L. de zin 'Dat zijn natuurlijk allemaal vrouwelijke hormonen'. D. keek onthutst. L. en ik klapten voorover. We klonken als schapen. Heel nare schapen, die men met een stengun het zwijgen op zou moeten leggen. Eens zou de nerd dat doen, schoot door me heen. Waarschijnlijk zou hij de hele organisatie te grazen nemen, maar L. en moi in het bijzonder. Peng! Peng! Verschrikt hikte ik nog wat na.

D. vertrok vrij spoorslags.
Zeker extra kogels kopen.
'Sjesus jacq, nu moeten we werken hoor', zei L.
'Zeggeh, ik doe hier mijn stinkende best!', riep ik.
L. en ik klapten weer voorover op onze toetsenborden.
Later kwamen we weer overeind.
Het was potverdorie mooi geweest.
Tijd om naar huis te gaan.

11 oktober 2004

de nagelvijl en de gedachte

Het was tijd voor een andere onderzoeker.
Het was tijd.
Nu was het tijd.
Pak die telefoonhoorn.
Pak Hem Nu!
Kom op nou jacq!

Ik stak mijn nagelvijl tussen mijn borsten. Dat is dan weer het voordeel van een paar kilo's erbij: een extra plek om dingen tussen te klemmen. Ik steek er wel vaker iets tussen. Een potlood of zo, als ik bezig ben een recensieboek paniekerig door te lezen. Flesjes spa blauw als ik handen te kort kom. De telefoonhoorn. Kadetjes (!) met kaas. Pakken (magere) yoghurt. Tuingereedschap. En nagelvijlen dus.

Ik drukte een nummer.
Zou ik met de nagelvijl mijn hart kunnen doorboren?
Soms ben je bang dat je dingen doet.
Terwijl je ze helemaal niet wil!!
Snel trok ik de nagelvijl naar boven.
Men mag wel zeggen: als de wiedeweerga.
'Goedenmiddag, met meneer doctor dinges', zei iemand.

Stel dat ik mijn hart doorboord had.
Dan had ik niks terug kunnen zeggen.
'Hallo, hallo', had de onderzoeker dan gezegd.
'Hallo, hallo', zou hij zichzelf herhalen.
Zijn stem zou onderzoekend klinken.
Ja, je bent het of je bent het niet, hè.

Maar goed, ik leefde dus nog.
'Goedenmiddag, met mij', zei ik.
Toen gingen we fijn praten.
Gelukkig niet over ratjes.
Over ratjes wil ik het het niet meer hebben.
Dat is voor de ratjes zelf ook beter.

08 oktober 2004

help mee dieren bevrijden!!

Ik had wegens mijn werk want soms doe ik nog wel eens wat hè, ik had wegens mijn werk een onderzoeker aan de telefoon. Die onderzoeker werkt met ratten. Hij maakt ze eerst verslaafd aan cocaine en kijkt daarna hoever ze willen gaan om aan cocaine te komen.

'Uhuh', zei ik.
'Vertel mij meer', zei ik.
'Dus als ik het góed begrijp', zei ik.
En ja, ik begreep het allemaal.

Enfin, terwijl wij daarover genoeglijk aan het keuvelen waren, overviel mij een soortement van ... ja, van vervreemding, ik kan het niet anders noemen.
Ik heb namelijk iets dierenbevrijderigfronterigs over mij. Vreest niet. Je ziet het niet aan mijn kapsel, ik ben geen type dat er graag op uit gaat in het midden van de nacht (nachtblind) en bovendien: ik ken maar één fred en dat is een saxofonist. Toch heb ik iets dierenbevrijderigfronterigs over mij en dat krijg ik er niet uit. Het heeft te maken met een overmaat aan inlevingsvermogen. Leid mij langs een volière en ik kan mezelf er slechts met moeite van weerhouden de kooi te openen en pateties te kwelen 'Vlieg vogelke, vlieg!'. Neem mij mee naar een dierenasiel en ik word zelf het asiel. Toon mij een aquarium en ik steek het lek, om de vissen meer lucht te geven. Ik heb inmiddels een contactverbod met de meeste dieren in mijn woonplaats. Maar gelukkig niet met Boris V., hoewel hij er hard aan werkt (volgens zijn eigen zeggen).

De onderzoeker praatte voort.
'Uhuh', zei ik.
Dat was aanmoedigend bedoeld.
De onderzoeker vertelde verder.
'Uhuuuh', zei ik.

Maar ondertussen dacht ik aan de ratjes. Een overmaat van inlevingsvermogen beving mij. Ik dacht aan de arme ratjes die aan cocaine verslaafd waren gemaakt. En waarvan de onderzoeker wilde weten of ze zich door elektrische schokjes lieten weerhouden om aan de cocaine te komen. Neen, was gebleken. Ratjes die eenmaal verslaafd waren, die hadden er best wat pijn voor over om aan de cocaine, runnin' around my brain te komen. Iemand zou de ratjes moeten bevrijden. Dan konden ze een nieuw leven beginnen, in een weiland te Friesland of daaro wááro de ratten zich dan ook maar gelukkig zouden voelen. Liever niet in Amsterdam, want daar is de verleiding groter!

De onderzoeker was even uitgepraat.
'Interessant onderzoek', zei ik.
'Hebben jullie', zei ik toen.
'Hebben jullie eigenlijk wel eens gekeken wat of er gebeurt als je de verslaafde ratjes cocaine geeft en daarná een elektrisch schokje?'
Het was even stil.
'Ehm ...', zei de onderzoeker.
'Daar zijn we net een eh plan voor aan het maken', zei de onderzoeker.

Iets zei mij dat dat plan zojuist, op ditzelfde moment, was ontstaan.

Er staat de ratjes nog heel wat te wachten.
En het is allemaal geheel mijn schuld.
Oh jongens, wie gaat er mee ratjes bevrijden!

07 oktober 2004

als sterren stra-ha-lennn

Jawel, het was echt feest. Dat kwam door de TROS. Die had het idee bedacht. Eerst gingen de Bekenden en de mensen uit de massa samen in het vliegtuig. En nu waren ze elke dag op het strand.

'Als sterren stra-ha-lennn', zong een gebruine jongeman. In vrijwel elk levenslied met een beat stralen er sterren. En als ze onverhoopt in een bepaald levensliedje (ooh lief woord!) níet stralen dan heeft dat een oorzaak. Dan is er gelazer. En daar gaat dat liedje dan over. Er zit echt logica in, je moet er alleen voor openstaan. De mensen op het strand stonden er absoluut voor open. Er werd ritmies geklapt, zij het voornamelijk op de verkeerde tel. Veel te dikke bleke vrouwen op stretchers wiegden heen en weer. Een man met een ballonbuik deed een dansje. Sommigen knikten alleen maar mee op de maat van de muziek. Meer zat er niet in. Maar toch kon je zien dat ze genoten.

'Als sterren stra-ha-lennn', zong de gebruine jongeman nogmaals. Schalks zong hij een oma met een bochel toe. Zou dit wezen wat de gebruinde jongeman zich vroeger had voorgesteld bij beroemd zijn? Op een ordinair strand simpele en soms tandenloze mensen toezingen - zijn er mensen die dat hebben gewild als kind? Wolter, blaas de kaarsjes maar uit en doe een wens, jongen! Of overkomt het sommigen geheel onbedoeld? En had de gebruinde jongeman toen maar eieren voor zijn geld gekozen?

Her en der werd ingezoomd op senioren die probeerden de tekst mee te zingen. Dat proberen senioren al honderden jaren en misschien zelfs al sinds vóór de christeljke jaartelling. Het resulteert er altijd in dat ze elk woord wel meezingen, maar dan net een à twee seconden nadat de artiest het heeft gezongen. Ik zou hierover graag een opmerking willen maken richting de senioren. Hou toch eens gewoon je mond dicht als je de tekst en de melodie van het liedje geheel niet kent!!! Of zing iets van lalalala, dan zit je altijd goed.

Dwars door de gebruinde jongeman heen zagen we shots van overdag, toen de Bekenden en de mensen uit de massa dwars door mekaar heen over hetzelfde (ja echt!) strand liepen, of elkaar spontaan waren tegengekomen in een van de oergezellige drinklokalen. Een man met een snor liet de zanger van BZN een foto zien waarop de zanger van BZN zijn arm om de schouder van een andere man had geslagen. Zonder dat je er tekst bij had, wist je dat dit ging over de dode broer van de man met de snor - die langzaam vanaf zijn tenen door de kanker was opgevreten. Dus die kon er dit jaar helaas niet bij zijn.

Gelukkig kwam direct daarna Marianne Weber.

06 oktober 2004

de man met de paraplu /2

Alweer kwam de man met de paraplu door mijn spiegelbeeld heen, deze keer van links. Zijn hoofd was nog steeds gebogen. Iets in zijn loopje trok mijn aandacht. Het was een loopje dat lekker in zijn vel zat. Het was een treinperron-loopje, met een fijne cadans. Een loopje waaraan een zekere gedachtenloosheid kleefde, voor zover het woord gedachtenloos een juist woord is. De man met de paraplu was enigszins in een trance. De man met de paraplu dacht niet na over zijn stappen, hij was er één mee.

Dwars door mijn gezicht heen volgde ik de man. Negen stappen naar spoor b deed de man. En daarna negen stappen terug, richting spoor a. Om de twee stappen stak hij de punt van zijn paraplu in een naad van een tegel, om hem daarna weer lichtjes vooruit te zwaaien. Oh ja, dat kan heel fijn aanvoelen als je dat doet, dat weet ik uit ervaringen van lang geleden. Tegenwoordig heb ik parapluutjes die geheel ingeklapt in mijn damestasje kunnen. Daarmee kan het dus niet - ik zeg het er maar even bij voor mensen die dit morgen direct willen gaan uitproberen. Er valt iets voor te zeggen om speciaal voor treinperronloopjes een oninklapbare paraplu aan te schaffen. Puur voor het ervaren van dit grote genot.

De man passeerde een vuilnisbak. Met de punt van de paraplu gaf hij er een tikje tegenaan. Het zag er speels uit, en zelfs bijna per ongeluk. Maar op de terugweg deed hij het weer. En op de terugterugweg ook weer. Om hem heen pakten mensen hun tassen op. Ze keken naar links. De man liep zijn negen passen en draaide. Tik, zei zijn paraplu tegen de vuilnisbak. Een trein gleed het station binnen. Even stokte het loopje van de man. Toen zat er weer cadans in. Negen terug. Ferm stak de man de punt van de paraplu in de tegelnaden, als dat woord tenminste bestaat.

De trein stond stil. De man liep sneller. Negen heen, negen terug. De deuren gingen open. Uitstappende reizigers wrongen zich met verongelijkte blikken langs instappende reizigers die maar één ding wilden: instappen. Straks zouden zij zich op hun beurt met verongelijkte blikken langs voorbarige instappers wringen. Zo zijn de regels.

Bij het passeren van de vuilnisbak tikte hij ertegenaan. Pok, zei het staal op het staal. Hij keek op, naar de trein die nu geheel leeg- en weer volgestroomd was. Toen tikte hij nogmaals met de paraplupunt op het staal. En nog een keer. Hij deed één stap in de richting van de trein. Toen draaide hij zich half om. Nog eens tikte hij met de paraplupunt tegen de vuilnisbak. Even getallen zijn veiliger, daar kon ik wel inkomen.

Toen liep de man in de richting van de trein. Om de twee stappen stak hij de punt van zijn paraplu in een naad van een tegel, om hem daarna weer lichtjes vooruit te zwaaien. Er zat beslist een zekere losheid aan het geheel.

05 oktober 2004

de man met de paraplu

De mensen die eruit hadden gemoeten, waren er al lang uit. De trein bleef maar stilstaan op het perron. Het was alsof er sprake was van een eindpunt. Maar dat was dus niet zo, tenminste niet voor mij. Ik keek naar buiten maar zag mezelf in de ruit. Wat zat mijn haar raar. Thuis had het ontzettend leuk gezeten. Waarom moest ik toch altijd de buitenlucht in! Kon ik niet in privévoertuigen vervoerd worden?! Ik klemde mijn lippen op elkaar en trok een grimas.

[Dat laatste wilde ik eerst niet uptijpen, hoor. Zij trok een grimas - dat is al net zo een zielloze uitdrukking als 'het geschater was niet van de lucht' of zoiets. Maar het kwam nu eenmaal het meest in de buurt bij wat ik deed - ik trok een fucking grimas, ja!!]

Dwars door mijn grimas heen liep een man in een regenjas. Hij staarde naar de tegels en hield een lange paraplu in zijn hand. Het was zo een paraplu waaronder je met gemak met zijn tweeen kan lopen. Maar de man was alleen. Ik vond het direct zielig. Hoewel het best zo kon zijn dat hij treinsgewijs onderweg was naar iemand om mee te gaan wandelen in de regen. Ik vond het direct minder zielig. En het miezerde alvast hoopgevend. Maar dát zei op zichzelf weinig. Op treinstations miezert het immers meestal. Kom je buiten in het gewone leven, schijnt gewoon de zon. Dat is een soort van afspraak tussen ehm nou van hogerhand dus. Waar het op gebaseerd is, weet niemand precies. Dat is irritant hè. Ook dingen waar geen verklaring voor is, die bestaan soms. Daar moeten wij mee leven.

Ik trok wederom een grimas, om mijzelf wat op te vrolicken. Maar alweer kwam de man met de paraplu door mijn spiegelbeeld heen, deze keer van links. Zijn hoofd was nog steeds gebogen. Iets in zijn loopje trok mijn aandacht.

[wordt vervolgd]

04 oktober 2004

ondertussen, bij de buren

'Hulloe hulloe', hoorde ik.
'Piiiiiiiiiep!!', klonk er.
'Ho. Hoo', zei iemand.

Het klonk gedempt.
Maar toch heel hard.
En het kwam uit de muur.

Mijn alcoholische buurman heeft een microfoon gekocht.

En een versterker.
Oh nee, die had-ie al.

01 oktober 2004

het keelgeluid van boris v.

'Nou! Nou!' riep Boris V.
Het kwam zo'n beetje vanuit zijn keel.
Nou, dan is er echt iets, hoor.

'Nouououou!!', riep Boris V. Het klonk keliger dan ooit tevoren. Ik schrok ervan. Boris V. ook. Ergens halverwege een uithaal brak hij hem af en keek geschokt om zich heen. Oh my god, ben ík dit, zag ik hem denken. Het was als had hij een glimp opgevangen van zijn diepste zelf. Een wilde junglekat. Een woeste dakensluiper. Een wrede killer met sex-appeal. Kortom: het kekke dier dat hij had kunnen zijn. Als er niet die mensenmoeder was geweest die had gezegd: 'Hier, snijd deez' twee ballen er maar af, lekker rustig.'

'Kom maar hierzo kleine jongen', riep ik schuldbewust.
Even was het stil. Het was alsof Boris V. dacht: wacht eens even, ik bén niet klein, zal ik daarover gaan vallen? Toen klonk er een plof met een piepje. Boris V. die van het aanrecht afsprong.

[Ik ben er nu wel over uit. Dat piepje hoort gewoon bij hem. Want altijd als je hem ergens af gooit, dan is er het piepje. En altijd als hij springt, dan is er het piepje. Het klinkt zoals een knuffel klinkt die piep zegt als je erin knijpt. Vroeger dacht ik: hier is iets mis. Maar hij leeft nog. Er is hartslag. Klop af, klop af!]

Boris V. kwam op mij afgelopen. Iets dreef hem daartoe, maar pure liefde was het niet. Toen hij voor me stond, aaide ik hem. Boris V. kromde zijn rug naar mijn hand toe, omdat hij niet anders kon. Maar tijdens het krommen bromde hij gekweld, omdat hij zo zwak was.

Zodra hij zichzelf weer bij elkaar had, rende hij weg van mij. Hij sprong op de vensterbank. Hij hief zijn hoofd. Daar was het weer: het keelgeluid. Een paar vogels in de boom tegenover mijn raam stopten abrupt met kwetteren en stootten elkaar aan. Toen barstten ze in lachen uit. Dat is een naar gezicht hoor, lachende vogels. Totaal unheimisch, zal ik maar zeggen.

Boris V. had maar één antwoord. Hij ging zichzelf keihard wasssen, van boven tot onder.