stukjes jacq

30 september 2004

jacq raakt ontroerd door een liedje

[Ja, jullie dachten dat ik klaar was met dat kutdorp. Maar dan kennen jullie mij nog niet!]

'Ik tel gewoon de lege, lange dagen', baalde Marco Borsato.
Ooit, heel maar dan ook heel lang geleden, zong hij het ook.
Ik wist het nog goed.

Ik zat in een radiostudio te wachten tot het nummer voorbij was en ik mijn praatje moest doen. Mijn keel zát al dicht, en toen begon Marco er ook nog eens over. Ik zag mezelf in de ruit die mij scheidde van de technicus. Een meisje zag ik, met licht haar. En niemand was bij mij. Ik genoot van het idee dat ik ontroerd raakte door een liedje. En toen haatte ik mijzelf daarom. Halve minuut, zei de technicus. Ik knikte. Even slikken en weer doorgaan.

'Ik neem een appelbeignet', zei de man.
'Ik neem ook een appelbeignet', zei de vrouw.
'Twee appelbeignets', zei de man tegen het meisje.
'En doe mij er ook maar een', zei de vrouw.
Zuchtend trok ik mijn opschrijfboekje tevoorschijn.

Naast mij lonkte een heel jonge jongen naar mij.
Ik kon niet opkijken, of hij glimlachte.
Het is niet te geloven wat ik soms losmaak.

De vrouw haalde een papieren zakje uit haar tas. 'Oh ja', zei de man. Hij wreef in zijn handen. De vrouw haalde een ansichtkaart uit het papieren zakje. Ze hield haar rechterhand op. De man gaf haar een pen.

'Slecht weer', zei de vrouw.
Ze keek naar de man.
Hij knikte.
Ze schreef het op.

'Goed hotel', zei de vrouw.
Ze keek naar de man.
Hij knikte.
Ze schreef het op.

'Geweldig eten', zei de man.
De vrouw keek op.
Haar mond werd zuinig.
'Goed eten', zei de vrouw.
En ze schreef het op.

29 september 2004

jacq kijkt naar danny de miljonair

'Ja, maar hij ís dus geen miljonair!'
'Oh dat dacht ik!'
'Neejjj, hij doet alsof!'
'Oh, hij doet alsof!'
'Ja dat is juist de grap!'
'En al die wijven die denken dus ...!'
'Ja, hahaha!'
'Oh! Hahaha!'
'Trouwens dat is een bitch hoor, die donkere'
'Maar die rooie heeft het ook achter de ellebogen'
'Danny, pas op voor die rooie!'
'Ja Danny, neem ons liever!'
'Maar hij IS dus geen miljonair'
'Maar wat is hij dan'
'Ja gewoon een of andere surfdude of zoiets'
'Oh, zo een soort van strandtiep zeg maar'
'Ja, iets met golven'
'Pfff, laat dan maar zitten'

28 september 2004

jacq doet aan collectieve rouw

Ik stortte mij op de bank (zo fijn is dat) en drukte op mijn afstandsbediening. Een vanuit de lucht-shot van de Arena. H6 stond er op het scherm. Ach, H6, zou André daar altijd hebben gezeten bij de voetbal of zo, dacht ik. Ik ben altijd bereid tot meedenken. H6, H6, zei ik zachtjes. En toen viel er iets en zonder dat ik hoefde te kijken wist ik dat het een kwartje was. Je zou denken dat er sinds de invoering van de euro geen kwartjes meer kunnen vallen. Maar dat bleek dus een misverstand.

Op het scherm verschenen een paar data. 27 september 2004, las ik. Dat was vandaag. Ik schoot overeind, 27 september, 27 september ... er wás iets met die datum! Viel er alweer een kwartje. Ik had een verjaardag vanavond! Ik moest haren wassen!

Vanonder de douche drong af en toe het geluid van Nederland 2 tot mij door. Ik was alweer vergeten wat er op was, want zo ben ik. Veel stilte hoorde ik. En toen gejuich. Iemand zei iets. Na elke vijfde zin klonk gejuich. Er werd geklapt. Toen was het weer heel stil. De EO Jongerendag, dacht ik. Wat moest het toch fijn zijn als je je zo kon uitleven. En toen viel er nogmaals een kwartje. Och ja, André Hazes, op de middenstip.

Met een handdoek om mijn haren stortte ik mij weer op mijn bank. Ik zag de kist. Ik zag het catheder en de microfoon. Ineens stond ik daar zelf weer, vijf maanden geleden, met zonder stem en rode ogen, mijn lieve vriendin Els uit te wuiven die in een kist naast mij lag. Ik barstte in snikken uit, toen Guus Meeuwis inzette. Oeh, dacht ik toen benauwd. Dat zou Els niet zo mooi vinden, dat ik om haar huil via André Hazes. Daar zou Els goed pissed off over kunnen zijn. Of, indien in een goede bui, heel sarcastisch van zijn gaan lachen.

Aan de andere kant: iederéén hield gisteren van Andre Hazes. Dus misschien de mensen in de hemel ook wel.

27 september 2004

jacq telt de lege lange dagen

De deur klingelde nog na, hoewel hij allang weer dicht was. Een stel van middelbare leeftijd kwam huiverend binnen. Hun tred was kwiek. Hun blik opgewekt. Maar dat deed niets af aan het feit dat ze toch nog steeds van middelbare leeftijd waren. Zijn regenjas was blauw met groen. Die van haar ook. Matchende regenjassen, het mag wel maar waarom.

Op de radio had Marco Borsato het stokje van Robbie Williams overgenomen. Het was achteraf gezien natuurlijk mooier geweest als André Hazes het stokje van Robbie Williams had overgenomen. Dan had ik een diepe gedachte kunnen denken over André Hazes, deze kunnen opschrijven in mijn rode notitieboekje en jullie daar nu over kunnen vertellen. Maar goed, zoals ik al zei: Marco Borsato nam het stokje over van Robbie Williams en André Hazes kwam in niemand zijn hoofd op, laat staan in het mijne.

'Mij geen moment met rust lááát!', riep Marco wanhopig. Ja, dat was wel het mooiste liedje van Marco. Hij heeft het er benauwd in, in dat liedje, maar je snapt waarom. In de rest van zijn liedjes snap ik dat nooit zo. Dan krijg ík het benauwd, bijna net zo benauwd als bij die arme, arme jongen van Van Dik Hout. Ik zeg toch: bijna. Het lijkt me ergens niet de bedoeling van muziek maken dat er mensen benauwd van raken. Verdrietig, alla. Benauwd , no way gosee.

'Hierzo?', zei de man.
'Of daarzo', zei de vrouw.
'Ja, daarzo dat kan ook', zei de man.

'Ik tel gewoon de lege, lange dagen', baalde Marco.
Ooit, heel maar dan ook heel lang geleden, zong hij het ook.
Ik wist het nog goed.

24 september 2004

jacq is in een gruwelijk dorp

'Something beautiful may come your way', zong Robbie Williams. Ik keek naar buiten. Het zag er nog niet direct naar uit. Voor dit soort weer was het woord troosteloos uitgevonden. En het zien van gestage regen in een dorp waar je verder nooit komt, is extra troosteloos. Nooit zal ik dit dorp los kunnen zien van de gestage regen die er viel, op deze ene dag. Het is een gruwelijk dorp, zal ik tegen mijn vrienden zeggen die het de hunne weer zullen doorvertellen. Een troosteloos, gruwelijk dorp, zal ik hoofdschuddend herhalen.

Ik zocht naar een mooie kerktoren. Mijn hart deed iets zeer, om het dorp waarmee ik geen geschiedenis had. Ik was er niet verliefd geweest op een jongen van de kermis. Ik wist niet hoe 's ochtends de zon schaduwen maakte in de winkelstraat. De geur rond de oliebollenkraam met oudjaar. Nee, dit was een troosteloos dorp en dat zou het waarschijnlijk altijd blijven. Want waarom terugkeren in een troosteloos dorp waar het waarschijnlijk altijd gestaag regende?

Oorverdovend was het geluid van de melk die borrelend en stomend in het kopje kwam. Toen was het weer stil, op Robbie na. En toen klingelde de deur. Een kwartier geleden, toen ik naar binnen wilde, had de deur geklemd. Ik had de klink naar beneden geduwd en tegen de deur aangeleund. De deur had op geen enkele manier meegegeven. Door het glas van de deur kon ik mensen zien zitten. Een klein schokje was door mij heen gegaan. Niets is erger dan op een deur duwen die niet open gaat, terwijl je weet dat dat wel zou moeten kunnen. Het gebeurt mij ook vaak bij automatische schuifdeuren. Zwaaiend spring ik er dan op en neer, als een veertiger bij een popconcert. Net zo lang tot de automatische schuifdeuren zijn uitgelachen en genadig openspringen.

Ik keek nieuwsgierig naar de deur.

23 september 2004

jacq doodt alle tijd

Eerst reed de trein door een niemandsland. Maar wie beter keek, voor zover de regen op de ruit dat toeliet, zag dat het helemaal geen niemandsland was. Het waren akkers, keurige akkers van een rechthoekigheid die mij vaak doet kwijlen. Bij wijze van spreken dan.

Toen kwam ik in een dorp dat ik niet kende. Het regende. En ik had tijd te doden. Ik heb vaak tijd te doden. Ik ben meestal veel te vroeg, uit een verpletterende angst om te laat te komen. Uiteindelijk kom ik trouwens vaak alsnog te laat. Hijgend en vol van een verpletterende angst. Dat komt door het tijd doden. Tijd doden is verslavend, denk ik. Je raakt erdoor in een trance. Voordat je het weet dood je alle tijd die je nog had. En meer.

Er was maar één plek om koffie te drinken. De zaak was verlaten, op twee meisjes na. Maar die hoorden er. Robbie Williams speelde op de achtergrond. Het was achteraf gezien veel mooier geweest als het André Hazes was geweest. Maar het was dus Robbie Williams. Daar kan ik achteraf ook niets meer aan doen. Zo is het leven. Nooit klopt er eens iets.

[wordt vervolgd]

22 september 2004

jacq staat niet voor zichzelf in

Oké, nu dan?
Oh nee!

Eerst moest ik nodig eten. Daarna moest ik nodig afwassen. En toen moest ik nodig al mijn mail sorteren. Toen ging ik terstond een gloeilamp kopen, omdat je daar nu eenmaal nooit genoeg voorraad van kunt hebben. Toen moest ik nodig mijn nagels veilen. Ik hoor daar 33 euro voor die meneer in het camelkleurige jasje, wie biedt er meer. Ik had het er maar druk mee allemaal. Maar op het eind van de middag had ik geen excuses meer over. Alleen nog maar puur angstzweet. Ik pakte de hoorn van de haak. En daarna legde ik hem er weer op.

{Och, dat is nu zo jammer he, dat van die hoorn van de haak. Het is niet waar, immers. Het is een vette leugen! Wie pakt er nog een hoorn van een haak. Niemand. Ja, een enkeling. Een enkeling die enigszins niet van deze tijd is. Een wereldvreemde dwaas die is blijven hangen. Aan een snoer, of zoiets.}

Bellen is leuk als het je vrienden zijn. Als het voor je werk is, dan ligt het ineens heel anders. Ik kom heel goed uit mijn woorden, dat is het niet. Maar ik ben geheel niet meer mijn ware zelf. Ik kan niet voor mijzelf instaan als ik bellend ben. Ik raak in een staat van zijn die niet handig is voor mijzelf als persoon. Omdat er geen snoer meer aan mijn telefoon zit, loop ik er mijn hele huis mee door. Ik praat mijn woorden aan elkaar. Maar mijn huis valt langzaam uit elkander. Want ondertussen haal ik zomaar dingen van hun plek. En nadien vind ik ze nooit maar dan ook nooit weer terug. En ik doe dingen die gevaarlijk zijn voor mensch en dier. Ik heb wel eens mijn portemonnee in een pan met water aan de kook gebracht. Ik vond een keer een keukenmes in mijn winterjas. En ooit droeg ik Boris V. aan zijn staart naar de vriezer toe. Hij lag er al in, toen ik tot mijzelf kwam. Nu moet ik erbij zeggen dat je aan Boris V. als persoon dus ook weinig hebt, want die had zich al blij opgerold en was geheel in zijn koelelement.

Dus de omgeving hier werkt ook niet erg mee, dat is een beetje de conclusie. Enfin, Boris V. moet nodig gekamd, dat bedenk ik me nu ineens. En ik moet eigenlijk nodig iemand bellen, maar ja, dat van Boris V. die moest worden gekamd, dat was net even eerder.

21 september 2004

jacq is een boom

Soms moet je jezelf afleiden uit het ware leven. Meestal ga ik dan over dingen nadenken waarvan ik geen verstand heb. Hoe wordt een boom een boom, dacht ik. Ik geef toe dat ik heel, heel even dacht: bomen, dat zijn toch gewoon lucifershoutjes die zijn gaan groeien. Maar dat was dus maar een fractie van een seconde.

Ik kwam er verder niet uit. Stel, je bent zelf een boom, zei ik daarom tegen mezelf. Ik wilde nog niet terug naar het echte leven. Stel, je bent zelf een boom. Waar zou je dan willen staan? Waar zou je dan het liefst willen staan? In het midden, dacht ik eerst. Tussen allemaal andere bomen die je buren zijn. Deel uitmaken van een groter geheel. Voelen dat jij bijdraagt aan wat anderen een bos noemen. Het geheel is meer dan de som der delen. Maar zou je zelf door de bomen het bos nog zien? Is een bos niet heel claustrofobisch als je te sterk geworteld bent om te kunnen rennen? Kon men daarom als boom niet veel beter aan de rand van het bos staan? Waar je je wat verloren en kwetsbaar zou kunnen voelen. Maar wel met een uitzicht van hier tot aan de horizon. En misschien net iets te veel besef van een wereld buiten het boomzijn. Zouden bomen aan de rand van een bos zichzelf niet significant vaker wezensvragen stellen? Stel je bent een mens, zei de boom tegen zichzelf. Wat voor mens zou je dan willen zijn?

Toen het mij wat overspoelde, bedacht ik me dit. Een boom is een boom, hoor. Een boom denkt niet na en een boom heeft daarom ook geen vrije keuze. De plek van een boom wordt door het lot bepaald. Of eigenlijk door de bomenplanter maar het lot klinkt dieper. Bomen staan niet in het bos te klagen dat ze liever juist dáár hadden willen staan.

Hoewel, ga maar eens door een bos lopen en dan je mond eens een keer houden en heel goed luisteren. Eerst denk je: dat is geritsel. Later weet je wel beter. Maar enfin, dat moet iedereen voor zichzelf ontdekken.

[Oh nee hè! Ik had natuurlijk heel mooi het werkwoord bomen in dit stukje kunnen verwerken!!]

20 september 2004

jacq kijkt haar vriend diep in de ogen

Hekties is het leven.
Heel hekties.
Moet niet.
Is niet goed.

Rust hadden wij nodig. Rust en elkaar eens diep in de ogen kijken. Dat laatste was vooral mijn idee. En zoals dat wel vaker gaat als ik zelf op een idee gekomen ben: dan ga ik ervoor. Een feit was dat ik er zeer hartstochtelijk in geloofde. Zolang wij elkaar maar diep in de ogen keken, zou alles goed gaan.

Dus. Diep en indringend keek ik in zijn ogen. En hij keek nog terug ook. Onpeilbaar diep waren zijn ogen. Zo mooi, met al die kleurtjes die in zijn ogen zitten. Maar toen keek ik beter. Ik kneep mijn ogen een beetje dicht. Ik zag een tijpmachine. Nee, een computer. En ik zag mijn vriend tijpen dat het een laive lust was!

'Oooooh!!', riep ik.
'Jij bent gewoon aan het werk!', riep ik.
'Je zit gewoon aan je boek te schrijven!', riep ik.
'Terwijl je mij diep in de ogen kijkt!', riep ik.
'Jij slaat twee vliegen in één klap!', riep ik.

Schuldbewust pakte mijn vriend mijn hand vast. Hij hield zijn hoofd lief schuin. Het deed me denken aan vriendin één, als zij bij donkere vreemdelingen sigaretten bietst. En het deed me ook denken aan mezelf, toen ik met mijn dove linkeroor naar de televisie keek.

'Eej pop, het spijt me hè', zei mijn vriend.
Hij keek me indringend aan.
'Bestand opslaan ja/nee', zag ik in zijn linkeroog.
Mijn vriend wees naar de lucht.
Kijk, een vliegtuig!
Even dwaalde mijn oog af.
Maar ik zag hem nog net op 'ja' klikken.

17 september 2004

jacq hoort mr. big in stereo

Ik ben weer horend, hoera!
Ik denk dat het door vriendin één komt.

Vriendin één heeft iets nieuws. Praat dwars door mij heen. Stelt een vraag aan mij, en gaat halverwege mijn antwoord met mij mee praten. Nee, ik wist ook niet wat ik hoorde. Dus ik zeg:

'Ik weet niet of je het weet'
'Nee'
'Maar je praat steeds dwars door me heen'
'OW?!'

Enfin, ging een kwartiertje goed. Maar daarna verviel vriendin één in hetzelfde gedrag. Zo zaten we daar tegenover elkaar. Zij hardleers, ik hardhorend. Het ging op een gegeven moment hard tegen hard. Ik trok mijn mond verder open dan ik in tijden had gedaan. En onderweg naar huis, toen knakte er iets.

Gehoorgangsgewijs, dan.
Kom ik thuis.
Ging ik nog even bijkomen van vriendin één.
Herhalingen op de televisie.
Echt heel zielig hoe ik erbij zat, hoor.
Met mijn ene dove linkeroor.
Mond half open.
Dan heb je het idee dat je net iets meer hoort.
Hoofd schuin, zoals wanneer vriendin één om sigaretten bedelt bij vreemde, exotische mannen.

Wat gebeurt er!!!
Hoor ik mr. Big ineens in stereo!
Ik denk: wacht even.
Dus ik wachten.
En ja hoor, ik was weer horend.
Hoera!

[Nou ja, hoera. Zou ik vanavond met vriendin één en vriendin twee gezellig uit eten, voel ik me ineens zo rot. Mijn horende linkeroor. Doet zeeeer. En mijn kaak ook. En en en alles wat links zit!]

16 september 2004

jacq zwaait haar armen zeer

Het was zondagmiddag, toen het nog zomer was. Vredig zaten wij op de balkonade. Wij tuurden uit over het water. Water is hetzelfde als vuur. Je kunt erin staren en nooit is een stilte onbehaaglijk. Daar zwom een vadereend met een blije eendenbaby die hem probeerde bij te houden. Vissen maakten kringen. Een libelle helikopterde rakelings langs mij heen. Wij tuurden voort.

Dat is het mooie van water.
Water zet aan tot vredigheid.
Heel veel vredigheid.
Het leven was goed.

Toen brak de hel los, precies boven onze hoofden.
Ik dook ineen en gooide mijn armen over mijn hoofd.
Gooide mijn armen over mijn hoofd?? kom op nu jacq!
Dit was het einde.
Der tijden dan.
(Dus best serieus.)

[...]

Enfin, het bleek dus een luchtballon! Een luchtballon die het vuur ontstak, waardoor er een geluid ontstaat alsof ... alsof ... ja, alsof er ergens een vuur wordt ontstoken, ik kan het niet anders zeggen. Maar als dat boven jouw hoofd gebeurt, dan denk je dat de wereld vergaat. Maak je eindelijk eens iets mee met een sterk einde, en dan kun je het niet navertellen!

Toen mijn hart was gekalmeerd, wilde ik verder staren in de oneindige rimpelingen van het water, waar zo nu en dan een vis bovenkwam om lucht te happen. Maar de luchtballon trok aan mijn oog. Heel vaag kon ik een paar figuren onderscheiden. Wie zaten erin? Was er een vader jarig wiens hele leven in het teken had gestaan van één hartewens: nog eens een keertje in een luchtballon? Had de jongste dat triomfantelijk geroepen, toen het ging over welk cadeau de vader moest krijgen? En had de oudste op zijn lip gebeten, omdat hij graag met dat idee was gekomen? Hadden zijn beide kinderen hem ten slotte glunderend de bon voor een gratis ballonvaart overhandigd? Had de vader de hand voor de mond geslagen? Lichte ontroering, door iedereen snel overschreeuwd? En wat zouden ze nu doen, daar boven in de lucht? Zouden ze roepen oh kijk eens, ik zie ons huis! Zouden ze mij zien? Ik kreeg een brok in de keel. Ik sloeg mijn armen over elkaar. Maar ze bleven kriebelen. Ik wilde zwaaien. Ik wilde zwaaien tot mijn armen zeer zouden doen. En ik deed het. Ik gooide mijn armen over mijn hoofd en zwaaide. Ik zwaaide en ik zwaaide. 'Oewai!', riep ik. 'Oeoewaaai!'. Ik hield mijn armen stil boven mijn hoofd. Ik stak mijn goede oor luistrend de lucht in. Maar uit de lucht kwam geen antwoord. Hoewel het niet ondenkbaar was dat er wel antwoord kwam, maar dat ik dat gewoon niet kon horen.

[En ineens zag ik dat er nog meer luchtballonnen waren opgestegen. Het was een deken van luchtballonnen die zich over het landschap uitstrekte. Toen overviel mij een heel ander gevoel. Bij één luchtballon kun je dat gevoel niet hebben. Maar als je er ineens vijf ziet, dan besef je dat een stukje ballonvaren gewoon big business is, diesdees. Niks jubilerende vaders. Gewoon kiezen, óf naar de Mac óf ballonvaren]

15 september 2004

jacq & de man met de ballonbuik /2

'Ik ben dus de bovenbuurman', zei de man nog eens.
'En ik zal je wel dit vertellen', fluisterde de man.
'Zij komt hier niet voor haar blauwe oog hoor!'
'Oh nee?', zei ik gelaten.
'Oooooh neee!!', riep de man
'Ze is zo depressief als een deur is ze!', riep de man.
'Ze wil een pil dat ze doodgaat zegt ze', zei de man.
'Weet je wat ik zei', zei de man.
'Ik zeg nou ik vind het best meid!', riep de man.
'HAHAHAHAHA!!', bulderde de man.

De term schuddebuiken kwam in mij op. Ik begreep ineens waarom dat woord was uitgevonden. De ballonbuik wipte op en neer, en ik kon het niet helpen maar ik moest ernaar kijken. Het was alsof de ballonbuik een autonoom wezen was dat toevallig zat vastgeklonken aan deze man. Als je er zo naar keek, had je direct medelijden met de ballonbuik. Als ballonbuik verwacht je immers dat je terechtkomt bij een bourgondies type mens, met een gulle lach. Niet bij een of andere kloterige bovenbuurman.

'Nou zeg, dat is ook niet aardig', zei ik.
Ik heb immers een sociale opleiding achter de rug.
Wij hebben een verantwoordelijkheid.
Over alle mensen van de hele wereld.
'Nou kijk, ik probeer haar wat op te beuren', zei de man.
Hij knikte bekommerd. Hij besefte dat hij met iemand sprak die een sociale opleiding achter de rug had.
'Oh, op die manier', zei ik.
Kil was mijn glimlach.
Dat is beroepshalve.

Toen ging de deur van de spreekkamer open.
'Wilt u ook even binnenkomen', vroeg de dokter.
'Ik??', zei de man met de ballonbuik.
'Ja, u', zei de dokter.
Ze keek streng.

Ik heb heel stil in de wachtkamer gezeten. Ik trok aan de oorschelp van mijn dovige linkeroor, om meer geluid op te kunnen vangen. Ik plette mijn goede oor zowat tegen de muur naar de spreekkamer. Eerst hoorde ik nog de stem van de man met de ballonbuik. Een bulderlach. En toen een uithaal, of er iemand huilde. Daarna hoorde ik alleen nog maar een kalme stem, die dingen vertelde. En daarna werd het heel, heel stil. Waarom heb ik toch geen bionische krachten!!!

[Eigenlijk sijpelt hier het verhaal gewoon weg. Zoals je zelf wel eens steeds zachter gaat praten omdat er toch niemand meer luistert. Ik zou daarom willen pleiten voor net iets meer spanning en sensatie in het leven zelf. Dat er vanuit de spreekkamer dus bijvoorbeeld ineens een Enorme Knal klonk. En dat dan de deur van de spreekkamer openging. Dan zouden de vrouw met het blauwe oog en de man zonder ballonbuik langs de wachtkamer komen lopen. De vrouw met het blauwe oog zou vrolijk kijken, voor zover natuurlijk mogelijk met een blauw oog. En de man zonder ballonbuik zou huilen omdat hij zich geen houding wist te geven, zo zonder ballonbuik. Huilen is goed. Huilen is heel heel goed, zou ik dan denken vanuit mijn achtergrond.]

14 september 2004

jacq is een beetje jarig

Lief dagboek,

Het is vandaag precies een jaar geleden dat ik van de trap afviel en besloot een dagboek op internet bij te gaan houden in verband met de verwerking van het verwerkingsproces. Sindsdien zijn er alleen maar meer vreselijke dingen gebeurd. Ik kreeg ruzie met mijn vriend. Ik werd allergisch voor nikkel. Kreeg een nare hoest over mij. Moest een beetje huilen als ik aan vroeger dacht. Moest nog meer huilen als ik aan vroeger dacht. Raakte mijn wilde haren in één dag kwijt. Raakte ook gans mijn gevoel voor humor kwijt. Verder werd mijn lelijke fiets gestolen, kreeg ik cadeautjes die ik niet wilde, en verdween Boris V. spoorloos. En toen verdween Boris V. nogmaals spoorloos. Al mijn buren stortten het afgelopen jaar in. Vriendin één begon weer met roken. En op het eind werd ik DOOF aan één linkeroor!!!

Ik was een dartel meisje.
Nu ben ik een oude vrouw die mompelt.
Er zal wel geen wetenschappelijk bewijs voor zijn, maar dat webloggen dat lijkt me ergens niet gezond.

13 september 2004

jacq & de man met de ballonbuik

De vrouw zuchtte.
Ze deed haar ogen dicht.
Toen kwam de dokter haar halen.

De man met de ballonbuik boog zich naar mij toe. Ik rook zijn lichaamsgeur. Of er was iemand in de buurt uien aan het bakken. Hele oude uien. Ik deinsde terug.

'Jaja', zuchtte de man.

Nu moest ik me naar hem toewenden, mijn wenkbrauwen optrekken en hem de kans geven los te barsten. Maar ik was het zat. Mijn hele leven al menen bejaarden, honden en weeskinderen dat ik speciaal voor hun levensverhaal op de aarde ben gezet. Ik deed of ik doof was (oh hahaha!). Ik kneep mijn ogen toe en tuurde naar buiten. Ik zette mijn tanden op mijn onderlip en wreef zachtjes met mijn wijsvinger over mijn kin. Ik was niet benaderbaar. Ik stond op het punt na twee jaar puzzelen een formule te bedenken waarmee de nulpunten van elke wiskundige vergelijking berekend kunnen worden.

'T t t t', deed de man.
Ik deed mijn ogen dicht.
Dit ging ik niet volhouden.

'Ik ben dus haar bovenbuurman', zei de man.
'Uuuuuuhuh', zei ik.
Ik keek naar het plafond alsof de here zelf mij zou komen redden.
'Ik ben dus de bovenbuurman', zei de man nog eens.
'En ik zal je wel dit vertellen', fluisterde de man.
'Zij komt hier niet voor haar blauwe oog hoor!'
'Oh nee?', zei ik gelaten.

--

[Morgen wellicht de ontknoping, voor zover men daarvan kan spreken als het over het echte leven gaat. Maar hee, morgen is vooral ook een heuglijke dag op dit weblog. Waarom? Dáárom!]

10 september 2004

jacq en het blauwe oog

'Hallooo!', zei ik toen ik de wachtkamer binnenkwam.
Dat hoort zo. Als je ergens binnenkomt, dan zeg je even hallo. Soms zeggen mensen niets als ze binnenkomen. Dan zeg ik zelf maar hallo. Of goedendag. Nee, alleen hallo.

Hallo, zeiden de mensen in de wachtkamer. Ik keek rond. Ik was de enige normale. Er was een man met een griezelig grote ballonbuik. Er was een vrouw met een griezelig blauw oog.

Zoo zeg, dát was nog eens een blauw oog.
Het was een blauw oog van het type ware woensdagavondfilm.
Het woord shelter kwam in mij op.
Nee, niet het woord skelter, het woord shelter.

'Jaha', zei de man met de ballonbuik.
'Dat heb ik gedaan.'
'Wat bedoelt u meneertje?', probeerde ik mijn gezicht te redden.
'Dat blauwe oog', zei de man.
'Och, dat had ik geeneens niet gezien', loog ik.
'Potverdikkie, dat ziet er niet mooi uit', schrok ik.
Een toneelspeelster in de dop, dat is jacq!

'Ik ben gevallen hoor', zei de vrouw. Ze gaf mij een waterig lachje. Ik glimlachte bemoedigend. Zo met mijn ogen dichtgeknepen. Soms denk ik dan dat mensen daar echt iets aan hebben. Ineens denken: god ja, wat is het leven eigenlijk goed! En dat zij dan blijmoedig de rest van hun rotleven uitzitten. Soms denk ik dat ik bijzondere krachten heb.

De vrouw zuchtte.
Ze deed haar ogen dicht.
Toen kwam de dokter haar halen.

De man met de ballonbuik boog zich naar mij toe.

[wordt vervolgd; mijn vader is jarig hoera en ik moet een pastasalade maken maar ik weet nog niet welk een pastasalade, en dit terwijl hij nu echt heel erg snel af moet zijn!!!]

09 september 2004

jacq wantrouwt de wasmachine

Ik ben nog steeds mja dovig maar het leven gaat door,
hè. Ik dacht: ik ga maar weer eens kleding wassen. Is niet
makkelijk met een doof oor maar je maakt er het beste van.

Ik wel, maar de wasmachine niet. Ik heb een klacht over
mijn wasmachine. Hij wast niet goed. Als hij nou nog
honderd andere dingen moest doen, dan zou ik zeggen sja
soms glipt er eens wat doorheen. Maar wassen is het
enige wat de wasmachine moet doen. En hij wast niet
goed. De was knispert nog van het schuim als het
programma is afgelopen. Schuim is fijn. Schuim is bijna
het mooiste dat er is. Maar hee, niet op mijn kekke
t-shirtjes!

Ik kan niets bijzonders aan het wassen van de
wasmachine ontdekken. Elke keer als ik kom kijken, dan
zie ik de wasmachine lief en fluks zijn rondjes
draaien. Maar nu heb ik het idee dat als ik weer
wegloop, dat de wasmachine zichzelf dan schaterend laat
uitvieren en stripboeken gaat zitten lezen of zoiets.
Maar goed, hoe bewijs je zoiets, en hoe kaart je het
aan? Zeker als je ook nog eens mja dovig bent, en dus
kwetsbaarder.

08 september 2004

jacq heeft het geprobeerd

Maar Blogger had vandaag zoiets van euh nee.

Heb ik zelf ook wel eens.
Maar daar hoor je mij dan niet over.

07 september 2004

jacq en de beleving van het oor

Mja, ik ben nog steeds doof. De assistente tuurde in mijn oor en zag niets dat eruit gespoten kon worden. Wel zag ze hmmmmmm iets hmmmm waar ze liever de dokter zelf even naar liet kijken. Ik vond het onheilspellend klinken, vooral het hmmmm.

De dokter tuurde met het apparaat.
'Hmmmm', zei de dokter.
'Het is een beetje dik daarzo in de hoek', zei de dokter.
'Hoe kan dat', zei ik.
'Tsja', zei de dokter.
Zij haalde haar schouders op en lachte vriendelijk.

Het was duidelijk dat ik niet bij haar moest zijn voor een antwoord. Terwijl ik zo graag enige background had gehad op dit moment. Was ik de enige in gans Holland met deze kwaal? Liep men er juist de spreekkamers mee plat? Was het een nazomerkwaal? Zijn er oren die spontaan besluiten: wel, nu is het over, ik ben gesloten! Kwam het feitelijk van tussen mijn oren? Of ging ik nu langzaam dood, via mijn linkeroor?

Ik keek zo getroubleerd als mogelijk was, met één doof oor. Mijn dokter haalde nog eens haar schouders op en lachte vriendelijk.
'Ik geef je een recept voor oordruppels', zei de dokter.
'Paar weken druppelen en dan kijken we verder', zei de dokter.

'Nee he!', zei ik.
'Ik had zo gehoopt dat ik dadelijk weer horend zou zijn!', zei ik.
'Even uitspuiten en hupsakee!', zei ik.
Mijn toon klonk zeurderiger dan de bedoeling was.
En die uitroeptekens hadden ook niet gehoeven.

'Tsja', zei de dokter.
'Het is even afwachten hè'.
Haar toon was een dokterstoon.
Opgewekt maar mijlenver van mij vandaan.
Van mij en mijn beleving van mijn oor.

Ik had willen zeggen: nee, wacht.
Dit is een vergissing.
Ik ben geen doorsnee patient.
Ik ben het, jacq!

Maar ik moest door.
'Nu ga ik weer naar huis met een doof oor!', zei ik.
'Ik dacht echt even uitspuiten en hupsakee', zei ik.
De dokter haalde haar schouders op.
'Tsja', zei de dokter.

Ik knikte droevig, voor zover dat kon met één doof oor. De dokter had makkelijk praten. Het was haar oor niet. Was het haar oor wel geweest, dan waren de zaken vast anders gelopen. Je eigen oor kun je niet zo gemakkelijk naast je neerleggen. Andermans oor wel. Andermans oor zit niet aan je eigen hoofd. Mijn oor was voor de dokter een ver van mijn bed-oor. Daar kan ik maar moeilijk mee leven. Maar je hebt geen keus.

06 september 2004

jacq hoort haar bloed suizen

HALLOHALLO WAZEGGU ik ben ineens doof aan mijn linkeroor! Er zit water in, denk ik. Tenminste: ik was mja dovig, en toen heb ik de douchekop er een tijdje opgezet. Als het ware om het doorspuitpistool van de huisarts te imiteren. Nu zit er water in. En ik hoor nu nog minder dan toen ik mja dovig was. Wat ik wel hoor, is het suizen van mijn bloed. Dat had van mij niet gehoeven, dat is niks.

Mijn dove oor is ook nog eens mijn telefoonoor. Valt me op dat veel mensen niet echt een telefoonoor hebben. Die doen het met elk oor dat voorhanden is. Ik niet. Links is mijn absolute telefoonoor. Rechts bellen is ondenkbaar. Maar aangezien ik momenteel via mijn linkeroor alleen nog vaag gebrom oppik, heb ik nu toch van rechts mijn telefoonoor gemaakt. Nood breekt wet, zeg ik dan.

Maar het slechte nieuws is: het werkt voor geen meter! De stem van mijn vriend bijvoorbeeld klinkt via rechts heel blikkerig en onpersoonlijk. Op links was hij altijd veel warmer en liever. Voorbeeld: mijn vriend zei bijvoorbeeld geen hai pop maar goedenavond. Ik kap gesprekken met mijn vriend daarom liefst zo snel mogelijk af. Zolang ik doof ben, dan. Als het weer over gaat, dan draai ik het wel weer terug denk ik.

03 september 2004

jacq doet het alarm afgaan

Dat je ergens een voet over de drempel zet, en dat je dan half en half verwacht dat er een alarm afgaat. Ik heb dat zelf heel veel. In bijna alle winkels, bijvoorbeeld. Ik ben verstrooid, ik pak de dingen vast en loop er zo mee naar buiten. Als ik het ontdek, dan breng ik de spullen weer terug. Als ik het niet ontdek, dan niet. En als er een alarm is, dan word ik dus zelf teruggehaald. Want dan willen ze wel lopen, de winkelmeisjes. Och, zeg ik dan. Och, dat was per ongeluk! Maar de meeste winkelmeisjes kijken alsof ze dat trucje al wel vaker hebben gehoord. En ik heb natuurlijk mijn intelligente uitstraling ook niet mee.

Ja, mijn hersenen leren op de een of andere manier van die schaamtevolle ervaringen. Alleen leren ze het verkeerde. Ik verwacht nu bij elke drempel die ik oversteek een alarm. Zelfs in mijn eigen huis. Jullie kunnen wel nagaan hoe de sfeer hier is.

02 september 2004

jacq en het starende winkelmeisje

Winkelmeisjes zijn nare meisjes, dat schreef ik al eens eerder. Gisteren had ik er weer eentje. En vanochtend alweer.

[Oh dusse jacq jij hebt zeg maar tijd over om twee dagen achtereen de stad in te gaan. Neen, dat niet hoor. Tijd heb ik niet. En het leven gaat zo snel dat ik er angstig van word. Dan kijk ik van bovenaf naar mijn eigen tijd en dan zie ik dat alles vervliegt, net als versneld afgespeelde wolkenluchten op film. Hee, kun je wel depressief over gaan zitten doen, maar de mens moet soms een nieuwe spijkerbroek.]

Wat ik vertellen wilde. Twee winkelmeisjes dus. Gisteren die ene die mij met een rek in de zij porde, waarop ik ruggelings in de overhemden viel, waarop zij beledigd riep: 'Niks aan de hand, IK was het maar!' Ik wreef mijn zijde en ik schudde mijn hoofd.

En dan vandaag.
'Mag ik je even iets vragen', vroeg ik aan een voor zich uit starend winkelmeisje dat toch maar aan het voor zich uitstaren was. Er gebeurde niets. Het leek alsof het winkelmeisje mijn opmerking moeiteloos. had geintegreerd in de film in haar hoofd, met heel veel kauwgumkauwende mensen erin.
'Hoo-ooi', zei ik.
Toen bewoog het winkelmeisje haar hoofd naar waar het geluid vandaan kwam. Haar ogen kwamen vertraagd mee. Op het moment dat het hoofd van het winkelmeisje zich tegenover het mijne bevond, moesten haar ogen nog van heel ver komen. Ik werd ineens heel, heel erg moe.

[Het is weer zomer, mensen. De paden op, de lanen in. Ben even een witte fiets jatten op de hoge veluwe.]

01 september 2004

jacq heeft altijd boete

Normaal gesproken mocht je nog niet eens kuchen in mijn bieb. Er heerste tucht en orde. Schoenen uit bij de ingang. Geen krakende snoeppapiertjes in de zak! Kalm en bedaard een boek doorblaadren. Niet krabben, geen getongzoen. Wie daarnaar niet wilde horen, zag nimmer meer het daglicht. Ja, in mijn bieb heerste er sinds jaar en dag een kille en nare sfeer, waarbij een ieder zich vertrouwd voelde.

Nu is dat ineens veranderd.
Iedereen houdt zijn adem in.
In mijn bieb zijn ze hip geworden.
Er is een café met drank.
Er is muziek van de Pointer Sisters!
En een aantrekkelijke barman die naar mij lonkte.

Maar dat komt: mijn haar zat heel leuk.
Niet eens bijzonder krullerig.
Of dat het het nu ook eens links net zo als rechts.
Nee, dat was het niet.
Ik ben er nog niet achter wat het wel was.
Kloten is dat.


Natuurlijk lonkte ik terug. Dat vindt mijn vriend heus niet erg! Maar ik liep wel gewoon door, haalde buiten mijn fiets van 't slot en fietste naar huis. Want ik was er nog niet aan gewend, dat je in een café kunt zijn als je eigenlijk in mijn bieb bent. En ergens was ik ook een beetje bang dat ik geweigerd zou worden. Omdat ik altijd boete heb. Heel veel boete. Die ik alsmaar niet betaal. Misschien voeren ze je dronken in het biebcafé en halen ze dan de polities erbij.

- Hier, dezent heeft boete en zij is dronken.
- Hupsakee dametje, mee naar 't bureau.

Ja, zo zie je maar: onbevangenheid is mij vreemd als het om mijn bieb gaat. Ik vertrouw ze voor geen meter. Maar misschien is het een kwestie van langzaam wennen.