stukjes jacq

29 april 2004

geen leuk stukje /2

Ik heb al sinds zondag koorts en keelontsteking. Ik ben ineens een lage alt. Een heule lage. Zwoel. Oeh, niet vergeten: zo dalijk even een nieuwe voicemailwelkomsttekst inspreken!

Enfin, ik zag er dus gisteren uit als een lijk. Dit in tegenstelling tot Els die er prachtig uitzag. Een zachte blos op de wangen, mooie rode lippen en een zweem of het begin van een glimlach op haar gezicht. Daar bleef ik maar naar kijken, bijna benieuwd waar die glimlach toe ging leiden. Een ironische grijns. Een schaterlach. Ik hield mijn adem in. Maar dat deed zij ook. En zij kon het langer. Niets bewoog aan haar. Ze was zo heel erg stil dat je, als je het nog niet had willen geloven, het nu in één klap geloofde. Helemaal dood. Van binnen was er niemand meer thuis, zou ik bijna zeggen. Maar zo'n zin krijg ik mijn strot niet uit hoor.

Ik wilde nog even alleen met haar zijn. Om dingen te zeggen die ik had verzuimd eerder te zeggen. Omdat Els over het algemeen nooit lang haar mond hield, zodat je in alle rust en stilte naar iets welbespraakts kon zoeken om te zeggen. Maar toen ik eenmaal met haar alleen was, wist ik het niet meer. Ik streek haar over het haar en fluisterde iets. En toen deed ik betrapt
een stap terug van de mooie pop. Omdat het was alsof ze plagerig over me heen leunde. Sjesis jacq, je praat nu ook al tegen de doden!

Volgens haarzelf is ze nu niets meer. Volgens mij is ze er nog steeds. En ze is tot nu toe geen steek veranderd. Niks maakt ook indruk op haar hè. Els is overal. Behalve in die kist dan.

27 april 2004

geen leuk stukje

Op een avond in juni 1999 belde ze mij.

'jacq, sta je of zit je'
'ik sta'
'ga dan eerst maar even zitten'
'nu zit ik'
'ik heb slecht nieuws en goed nieuws'
'shit wat is er'
'het slechte nieuws is dat het kanker is'
'nee'
'het goede nieuws is dat het de beste kanker is die je kunt krijgen'

Dat was niet waar. In de vroege ochtend van vandaag is mijn lieve vriendin Els dood gegaan. Zij was zo dapper als maar weinig mensen zijn. En grappig. Ik hou van haar, of ze nu leeft of niet. Verder weet ik in het geheel niet hoe ik dit moet doen. Ze komt nooit meer terug, dat is het onbegrijpelijke ervan.

--

Morgen misschien wel een leuk stukje. Of is er een etiquette, dat jullie weten. Ik maakte vanmiddag alweer een grap, en ook nog een ontzettend ongepaste. Ik keek vanavond naar Will & Grace en schoot vreselijk in de lach. Sloeg hand voor mond. Els is dood. Maar Els zou zeggen: [insert de zoon van God], doe normaal jacq. Daarna lachte ik nog twee keer.

26 april 2004

de dag dat alles ophield

Oh ja, zes dagen geleden was er een stroomstoring.
Dat was wat hoor. Het ging zo. Ik zat achter de computer
en ineens TZZZZzzz. Alles hield op. Lampje proberen,
nope. Beneden lampje proberen, ook nope. Ik opende
de meterkast en tuurde voor de vorm naar de plek waarvan
ik vermoedde dat daar de stoppen zaten, whatever dat dan
ook mochten zijn. Ik schold zo'n beetje op mezelf, want
waarom weet ik nooit dingen. Echt, er zijn zo ongelooflijk
veel onderwerpen die geheel aan mij voorbij gaan! Wat voor
een leven is dat, als je zo ongeveer elke dag een hulpeloos
meisje-moment hebt! Ik zag een knopje en drukte erop, uit
woede. Ik stak mijn hoofd om de kamerdeur. Niks. Maar ja,
misschien fikte ondertussen boven de boel wel af. Ik nam een
besluit. Men hoeft niet lukraak op knopjes drukken, puur om
zichzelf iets te bewijzen. Opgelucht gooide ik de deur van de
meterkast dicht.

Op dat moment hoorde ik de eerste buurtbewoner al uit zijn
huis komen schelden. Toen begreep ik dat het hier niet zozeer
een lastig jacqprobleem betrof, in de categorie haal er eens
even snel een man van het mannelijk geslacht bij. Het ging
hier om een algemener burgerprobleem! Ik kreeg direct een
saamhorigheidsgevoel dat ik al sinds het begin van de jaren
vijftig niet meer had mogen ervaren. Ik zat daar verder niet
op te wachten, op deze saamhorigheid. Ik heb alleen maar
stomme buren en ben zelf zo ongeveer de sympathiekste
persoon in de hele buurt. Dat zegt een boel over zo'n buurt
hoor. Daarom gooide ik het over een andere boeg. Ja zeg
hallo, hoe lang ging dit duren! Ik had deadlines en een eigen
bedrijf. Zou ik schadevergoeding kunnen eisen en bij wie
moest je dan precies wezen! Ik stak mijn hoofd uit het raam.
Kwamen er al helicopters! Zouden we geevacueerd worden!
Stond het al op teletekst!

Toen ik erachter kwam dat de televisie het niet deed, en
trouwens mijn telefoon ook niet oh en trouwens het warme
water ook niet - toen vond ik er direct geen ruk meer aan, aan
die hele stroomstoring. Wanneer kwam mijn leven weer op
gang! Ging het ooit nog over! Wat een kútleven hadden die
mensen in de oertijd zeg!

Een uur ging voorbij. Ik mag wel zeggen dat het een lang uur
was waarin mij veel over mijzelf duidelijk is geworden. Toen
ineens ging alles wat was opgehouden ineens weer door. Ook
mijn elektrische klok. Alleen liep die dus een uur achter. Nu nog
steeds. Ik moet op een stoel gaan staan om de wijzers een uur
vooruit te zetten. Heb ik geen zin in. Ik had de klok al zeventig
keer een uur vooruit kunnen zetten. Maar ik schrijf er nog liever
een bloody sequel over op dit weblog dan dat ik er even een
stoeltje bijpak. Heb ik gewoon geen zin in. En zoals het
spreekwoord luidt: als je geen zin hebt, dan houdt alles op.

23 april 2004

het treinbalkon en de pleuris

De Here Jezus leest mee. Voor straf moest ik gisteren in
een heel drukke trein. Dat is al erg. Ik heb mijn treinen
het liefst woest en ledig, met vierzitters all over de place.
Maar dat was nog niet alles. Ik moest ook nog eens op
het BALKON. Op een klapstoeltje. Achteruit!

Treinbalkons zijn het laagste van het laagste. Ik weet niet
of ik daar alleen in sta maar op een treinbalkon komt het
leven mij altijd net iets onbehaaglijker voor dan op andere
plekken. Dat komt ook: in tegenstelling tot wat de term
balkon doet vermoeden, is het uitzicht er van nul en generlei
waarde. Men verveelt zich er dus de pleuris. Dat had best
anders gekund. Ik kan me constructies voorstellen waarbij
het treinbalkon een geliefde plek is. Omdat je daar dingen
ziet die je in de coupés never nooit ziet. Ik kan even zo snel
niets verzinnen maar misschien iets met een panoramic
view
of zo. Iedereen zou vlassen op een plek op het
balkon. Bij vlagen zouden verbitterde vechtpartijen uitbreken.

Laat mij los, ik zat er het eerst!
Slaat hem verrot, ik zag hem zojuist uit zijn coupé snieken!


Tot de NS het licht zien, blijft het treinbalkon het laagste van
het laagste. Met altijd een kille stroom van tocht. Een
onvermijdelijk losgetrild moertje. Het is er zo'n onbeschrijflijke
herrie dat je nieuwste ringtones (ja mensen!) voor de kut zijn
kat afgaan. En er is het harmonicagedeelte. Dat enge stukje
trein dat bestaat uit een soort tentendoek en een paar platen
ijzer die bewegen als je erover heen loopt. Ik zie het er nog
wel eens van komen dat er daar iets heel erg mis gaat. De
kruik gaat net zo lang te water tot ze barst, is zo maar een
uitdrukking die bij mij op komt. Ik heb altijd visioenen van een
in tweeen scheurende trein, nét als ik door het harmonicastuk
loop. Ik zie mijzelf dan in een spagaat die steeds wijder
wordt. Net zolang totdat er twee jacqs zijn. Een linker en
een rechter.

Maar goed, ik deed boete en ik had er vrede mee.
En op de terugweg mocht ik tegenover twee oude mannen
die samen zeven hoofdharen hadden.
Een bedankje is op zijn plaats.

22 april 2004

de man die vooruit reed /2

Buiten raasde de voltooid verleden tijd aan mij voorbij.
De man met de snor vouwde het lege M&M-zakje
dubbel. En nog een keer dubbel. En nog een keer.
En toen kon het bijna niet meer. Maar toch vouwde de
man met de snor het zakje nóg een keer op. Dat was
nog niet gemakkelijk. Zijn duimnagel werd een beetje
wit. Op het eind zag het platte pakketje er keurig uit.
Toen liet de man met de snor het gedachtenloos tussen
zijn vingers uitglijden. Het verdween ergens in de
plooien van de bank. Later zou er misschien een vrouw
met een lange jas bovenop gaan zitten. Dan zou het
aan haar jas blijven hangen. O ja hoor, het zou nog best
kunnen dat het zakje een lange reis voor de boeg had.
Langer in elk geval dan wanneer het zojuist door de
man in het treinprullenbakje was gegooid. Lief woord
is dat.

Ik keek naar buiten. Ik zag dingen die al geweest waren.
Ik pakte mijn gedachte weer op. Ach mneer zoudt u
misschien wel even van plaats willen wisselen met mij/
Maar natuurlijk, had dat eerder gevraagd mevrouw, het is
mij een genoegen!
Ja, de dingen kunnen immers ook
wel eens goed aflopen.

Ik deed mijn mond vast open. Maar toen remde de trein af.
De wissels schudden ons zachtjes heen en weer, met zo nu
en dan een uitschieter waardoor we ons vastgrepen aan de
leuning. De man met de snor sloeg zijn boek dicht.
De vreugde van het kamperen, stond erop. Nee, het
zou so wie so nooit iets worden tussen mij en de man met de
snor. Niet dat ik dat van plan was, maar soms heb je van die
dagen dat je jezelf uit verveling kwelt met bepaalde ideeen.
Zoals dat je in een situatie zou zitten waarin er nog maar één
man op de wereld was en dat je dan min of meer gedwongen
zou zijn verkering te nemen met deze ene man. Terwijl je bij
het idee al helemaal onpasselijk wordt. Maar toch krijg je het
dan niet uit je hoofd.

'In principe ben ik niet tegen kamperen', zei ik in gedachten
tegen de man met de snor. De man met de snor zou hoopvol
opkijken. 'Alleen wel dat het buiten is.' De man met de snor
zou sneu de schouders ineen laten zakken. Waren er dan
helemaal geen frisse meidjes meer die op een luchtbedje
wilden! Maar zijn teleurgestelde gezicht zou mij niets doen.
Ik zou toch potverdomme niet tegen mijn wil in zo een TENT!!
Op zo'n manier mensen geestelijk kapot maken!!! Ja, hij
natuurlijk lekker snurken met zun snor en ik maar in het
holst van de nacht naar de camping-toiletten rennen voor
alweer een mini-plasje. Aan me nooit niet!!!

Ik stond op het punt om de man met de snor briesend een
klap voor de kop te verkopen. Maar ik wreef bezwerend met
mijn vingers over mijn slapen. De trein stond bijna stil. De
man met de snor stond op. Even nog bleef ik zitten. Ik
wachtte tot de plek van de man met de snor was afgekoeld.
Ik haat het om op een plek te zitten die nog warm is van de
billen van een ander. Ik ben daar heel preuts in.

21 april 2004

de man die vooruit reed

Nee, achteruit rijden in de trein, dat vind ik niet leuk.
Het haalt heel het reikhalzend uitzien naar je bestemming
onderuit. Het is net alsof je tegen wil en dank ergens mee
naar toe wordt gesleurd. Je ziet niets aankomen, alleen
maar waar je was. Je blíjft maar geconfronteerd worden
met het verleden. Het verleden dat je nou juist achter je
wilde laten. Op weg naar de toek... oké, kappen nu.

Tegenover mij zat een man. Ik keek hem aan. Hij had een
snor. Dat komt niet veel meer voor. Hij las een boek. Dat
zie je nog wel veel. En het bracht mij op een idee. Zou ik
de man niet gewoon even kunnen vragen om van plaats
te wisselen? Hij las toch in een boek. Hij keek toch niet
reikhalzend ergens naar uit. De man met de snor zou niet
zitten met het verleden, dat wist ik wel zeker. De man met
de snor zat in dat boek.

Ik aarzelde. Sommige dingen vraag je nu eenmaal niet aan
vreemde mensen. Jammer eigenlijk. Want soms zou het
zo handig zijn. Mag ik één slokje van uw water, mevrouw?
Hebt u misschien zin in galgje, mneer? Oude vrouw, mag ik
jou iets vertellen over mijn relatie? Of als je een ontzettende
kriebel op je rug hebt. Dan zou het maar wat handig zijn als
je in de coupé even kon rondvragen of er iemand even wilde
krabben. Naar links. Andere linkerkant! Harder. Harder! Nee,
Nog Harder! Hoger! Lager! OVERAL!!! Of twee mensen
tegelijk, eentje links, eentje rechts. Dat jij gewoon in het
gangpad ging staan en je vasthield aan de bankjes, terwijl
zij hun werk deden. Mensen maken te weinig gebruik van
elkaar, dat wil ik er maar mee zeggen.

Ik werd even afgeleid. De man met de snor had een zakje
M&M's in zijn hand. Ik zag de kleuren een voor een in zijn
mond verdwijnen. Blauw. Geel. Blauw. Blauw. Bruin. Jammer
is dat, als mensen niet eens meer zien wat voor kleur ze in
hun mond stoppen. Aan de andere kant: ik weet zelf ook dat
het hek van de dam is als je begint met kijken welke kleur
je in je mond steekt. Misschien las de man met de snor daarom
een boek. Omdat hij anders regels zou gaan bedenken over
de volgorde van de kleuren. Nooit twee blauwen na elkaar,
bijvoorbeeld. Of juist eerst alle blauwen. Mocht hij direct
beginnen met kauwen of mocht dat pas als de pinda
blootgezogen overbleef? Mensenkinderen, ik wist er alles van!
Ik had de man met de snor wel om de nek willen vallen. Maar
ja, ook weer zoiets. Dat doe je gewoon niet bij een vreemde.
Terwijl het zo mooi zou kunnen zijn.

[to be continued]

20 april 2004

zzzzzzzzzzzz...

Nee túúrlijk, een format is een format. En een format
is bedoeld om je eraan te houden. Anders kun je net
zo goed het hele format hupsakee overboord zwaipen.
En dat kan feitelijk niet. Is lullig. Hebben namelijk weet
ik hoeveel mensen aan gewerkt, aan zo'n format. Zijn
talloze brainstormsessies aan vooraf gegaan. Is
eindeloos over gediscussieerd. Eerst gewoon op
kantoor, later op de hei. Met slapen en al.

Dus ja, het doet waarschijnlijk best nogal afbreuk
aan het hele format.

Maar toch hè.

Gewoon helemaal NIEMAND laten winnen bij Idols,
is dat nog een optie?

19 april 2004

jacq en de nuance

Eerst had ik dat niet, hoor.
Nu wel.

Ik denk al snel: mwoah.
Ik zeg al snel: ach nou ja ...
Ik glimlach vergoeilijkend.
Ik knijp een oogje dicht.
Aan alles kleeft iets goeds.
In ieder mens schuilt wel iets moois.
Het leven is een leermomentje.
Van het concert des levens.

Inderdaad.
De nuance heeft zich in mijn leven genesteld.
De nuance heeft zich in mijn leven genesteld
als een gore klimplant die zich dwars door je
achterdeur een weg naar binnen woekert.

Dit kan dus echt met klimplanten, ik kreeg
namelijk gisteren de deur niet dicht en rarara
hoe kwam dit!

Terug naar de nuance die mijn leven teistert.
Want dat is natuurlijk al met al behoorlijk ziek.
En als ik dit zo optijp, dan denk ik: wel, is dat nu
het begin van het einde, jacq? Ben jij, zo jong nog
van jaren, al zo blasé? Zo enorm binderdondet?
Waar kunnen we jou nog wel warm voor krijgen
dan! Wat moeten wij toch in vredesnaam doen om
weer eens een juichkreet aan jouw lippen te horen
ontspruiten! Om jou welbespraakt te horen
fulmineren tegen het hindert niet wat! Om vonken
van geestdrift in jouw ogen te zien eh vonken?

Geestdrift, ja dat herinner ik me van vroeger.
Ik werk er hard aan, hoor. En ik ben geloof ik zelfs al
op de goede weg. Ik heb de geest nog niet hervonden
maar een stukje drift heb ik al wel mogen ervaren.

Gisteravond laat nog.
Maud. Had. Eruit. Gemoeten.

16 april 2004

de cursus van de irritante bakker

Dat is erg hoor, dan bereid je je erop voor, met rollenspelen
en al ('Boris V. jij bent nu even de bakker en je staat achter
de toonb... Boris V.!! Nee!! Nee!! Niet In Slaap Vallen!!!!' -
en dan loopt het allemaal toch weer heel anders.

De irritante bakker was gevlogen. Althans, ik dacht een schim
schielijk te zien verdwijnen, toen ik tingeltangelde met de deur.
Ik tuurde naar achter, waar de bakker vaak zat als er geen
klanten waren. Er stond een kleine eettafel met twee stoelen.
De krant lag opengeslagen. Ik hoorde stemmen en gestommel,
boven mij. En toen was daar ineens de vrouw van de bakker.
Ze stond zo plots achter de toonbank, dat het wel leek alsof
ze erheen gegooid was. Ik zag er de bakker wel voor aan,
eerlijk gezegd.

'Is de bakker er zelf niet?', vroeg ik.
'Nee, die is ... op cursus', zei de vrouw van de bakker.
Ze keek nerveus naar het plafond.

Ik liet het brood met een doffe dreun op de toonbank vallen.
Dat had ik ook bij de irritante bakker willen doen. Dan zou
hij terugdeinzen. En dan zou ik zeggen: Zo!'.

'Zo!', zei de vrouw van de bakker.
'Jaja', zei ik.
'U heeft er nog niet van gegeten?', vroeg de vrouw van de
bakker. Ik was even stil. Ik moest hem even verwerken,
deze impertinente vraag. Ik had meer gedacht aan door het
stof gaan, namens de ganse firma. Met excuses en beloftes!
En geld! Bij door het stof gaan passen geen kritische vragen.
Bij door het stof gaan passen zelfs helemáál geen vragen.
Alleen maar knielende bewegingen.
En geld.

'Ufkurs nut!', riep ik. Maar ik loog een klein beetje. Ik had
een héél klein kapje opgegeten, met roomboter erop. Ik houd
van kapjes, man. Bovendien was het een kapje van het soort
dat vaak op de broodsnijmachine achterblijft. Zo'n halfslachtig
kapje, waarover je nog kunt discussieren of het nu wel of niet
bij het brood in de zak moet. Want na dat halfslachtige kapje
komt nog een kapje. Het eigenlijke kapje, zeg maar, maar dan
nét niet helemaal een volwaardig kapje. Dat komt dan door het
halfslachtige kapje. Het eigenlijke kapje had ik niet durven
opeten. Dat ging opvallen, had ik bedacht. Ik zegende mijn
heldere verstand. De bakkersvrouw zette haar leesbril erbij op.
Ze tuurde naar het brood alsof ze er ooit mee op de lagere
school had gezeten maar niet meer wist in welke klas.

Van boven klonk gezoem.
Alsof iemand zachtjes neuriede.
Hilversum drie bestond nog niet.
Maar ieder had zijn eigen stem.
De vrouw van de bakker hoestte hard.
Het gezoem hield abrupt op.

'U krijgt uw geld terug', zei de vrouw van de bakker onwillig.
Iets of iemand struikelde boven ons.
Er klonk een gesmoorde vloek.
'Die katten ook', zei de vrouw van de bakker snel.
'Zeg dat welliebellie', zei ik sluw.
De vrouw van de bakker verschoot van kleur.
Ze snoof er luidruchtig overheen.

Ik pakte de deurklink vast.
Toen draaide ik me om.
'Niet om het een of ander', zei ik.
'Nee', zei de vrouw van de bakker bang.
'Op wat voor cursus is de bakker als ik vragen mag?', vroeg ik.
'Een cursus eh dinges', zei de vrouw van de bakker.
'Dinges wat', zei ik.
'Gewoon, een cursus dinges', zei de vrouw van de bakker.
'Een cursus wat!', riep ik.
'Oké, hij zit boven', riep de vrouw van de bakker.
Ze keek beschaamd. Maar ook een beetje opgelucht.

'Wel, tot ziens dan', zei ik tegen de bakkersvrouw.
'Auf wiedersnietzel bakker!!!', riep ik hard.
Boven viel iets heel erg kapot. Of iemand.
Ik sloeg de deur van de bakkerswinkel hard dicht.
En het tingeltangelde nog een hele tijd.

15 april 2004

popperdeflop, zei de irritante bakker

Koop ik een heel duur brood bij de irritante bakker.
Ja, er is hier maar één bakker dus je staat met je rug tegen de muur.
Koop ik dus een heel duur brood bij de irritante bakker.

'Gesneden de zweden maar doeniemoenie?', vroeg de irritante bakker.
'JA!!!', schreeuwde ik terwijl ik mijn hand ophief.
Vanaf nu werd er niet meer gesproken, was dat duidelijk!
Popperdeflop, fluisterde de bakker.
En stil sneed hij het brood.

Kom ik thuis, zitten er hele grote gaten in de plakjes!
Bij sommige plakjes was er slechts sprake van broodkorsten
met een gat erin. Stel je zoiets eens voor! Hoe zeiden ze dat
vroeger, als er een gat in je boterham zat. Daar is de bakker
doorheen gekropen! Zoiets. Nou, daar zou je tegenwoordig
ook geen kind meer stil mee krijgen zeg. Vroeger wel. Mij wel.
En het komt misschien stom over, maar eigenlijk is het net iets
voor de irritante bakker om door zijn brood heen te kruipen.
Het gekke is: ik zie het hem zo doen! Misschien wel toen ik
even naar buiten keek. Ik zei toch al dat er iets niet klopte
aan de irritante bakker!

Er zit maar één ding op: een keiharde confrontatie tussen
jacq, de bakker en het gatenbrood. To be continued, schreef
jacq dreigend.

14 april 2004

jacq maakt tenminste nog dingen mee

Ineens stond ik daar. 'En dit is de slaapkamer', zei de
vrouw des huizes trots. 'Maar wij slapen praktisch nooit
in één bed', zei de man des huizes een tikje sneu. Toen
vermande hij zich. Hij troonde mij mee naar een andere
kamer. Er zat een knusse bedstee in, met openslaande
deurtjes, gebloemde gordijntjes en een schuifpui.
Verlangend keek ik naar de bedstee. 'Een bedstee, dat
is zo ongeveer het fijnste dat er is', zei ik. Dat deed de
man des huizes goed. Triomfantelijk keek hij naar de vrouw
des huizes. Die haalde haar schouders op.

Toen ging de bel. 'Och, dat zal waarschijnlijk de politie zijn',
zei de man des huizes. 'Jep, daar zul je ze hebben', zuchtte
de vrouw des huizes. De man des huizes plooide een
bedsteegordijntje recht. De vrouw des huizes maakte haar
wijsvinger nat met speeksel. Toen ging ze ermee over de
bovenkant van een bedsteedeurtje. Ze trok een vies
gezicht. Ze zwaaide met haar zwarte wijsvinger tegen de
man des huizes. 'Enfin', zei die terwijl hij haar wegwoof.
Weer werd er gebeld. Ik kuchte.

'Ach ja, zeg, zou jij misschien even kunnen opendoen',
vroeg de vrouw des huizes mij. 'Ik?', vroeg ik verbaasd.
'Ja, misschien kun jij ze afschudden', viel de man des huizes
in. 'Er zal waarschijnlijk worden gevraagd naar twee personen
met Hollandse namen. Je hoeft alleen maar even te zeggen
dat die mensen niet bestaan.' Ik twijfelde. 'Hebben we jou
niet volkomen gratis ons hele huis laten zien, behalve dan
de badkamers!', vroeg de vrouw des huizes. En ja, dat was
ook weer waar.

'Goedenmiddag mevrouw', zei de agent.
'Goedenmiddag agent', zei ik.
Ik hoopte dat ik geloofwaardig klonk.
'Wij zijn op zoek naar ...', begon de agent.
Maar een dof gedreun aan de zijkant van het huis deed
hem stoppen.
'Eén moment agent', zei ik.
Ik liep naar de zijkant van het huis.
Daar stond een andere agent tegen de zijkant van het
huis te trappen.
'Zeg, hou daar eens mee op agent', riep ik.
'Ik ben van de politie en ik heb rechten!', riep agent twee.
En hij schopte voort.

Agent één was mij achterna gekomen.
Ik keek hem vragend aan.
Hij haalde zijn schouders op.
'Agent twee is niet helemaal zichzelf', zei agent één.
'Wat u zegt', zei ik.
'Het lijkt me beter dat u vertrekt', zei ik.
'Ik wou het net voorstellen', zei agent één.
'Geef mij maar een arm, Henk', zei agent één tegen zijn collega.
Agent twee haakte in.
En daar gingen ze.
Terug naar het bureau.

'Psst!', deed de vrouw van bovenaan de trap.
'Is het gelukt!', riep de man des huizes vanuit een dakraam.
'Min of meer', zei ik onderkoeld.
'Wil je de badkamer ook nog zien?', vroeg de vrouw des huizes.
'We hebben er twee', zei de man des huizes.
'Oké', zei ik.
Ik was er nu toch.

13 april 2004

de mevrouw van het vlees

Ik had echt bij mezelf gezworen dat het vorige stukje
over Boris V. het laatste zou zijn dat in dit dagboek
zou verschijnen. Och, wat heb ik daar een hekel aan,
aan van die mensen voor wie hun huisdier geheel het
middelpunt van het bestaan is. Van die mensen die
doen alsof hun honden mensen zijn of zo. Dat hun
katten beweegredenen hebben die net zo zijn als die
van mensen. Walgelijk! Verdiep je eens in de medemens,
gekke dierenliefhebberts! Maar goed, toen keek mijn kat
Boris V. mij aan op een manier van: 'komaan jacq,
overdrijven is ook een vak'. En dat vond ik ook wel weer
heel wijs gedingest.

Spoorloos was hij. Een nachtje weg, oké. Maar om vijf uur
des middags nog niet thuis, dat was minder oké. Ik ben
daar heel voortvarend in. Hij was dood en werd niet meer
levend, dacht ik. Wat hadden wij een mooie tijden gekend,
Boris V. en ik. Nooit zou er een liever dier in mijn leven
zijn. Was ik zelf ook maar dood.

Om kwart voor zes kwam hij aanwandelen. Ik zeg
'aanwandelen', omdat ik dat vanuit het slaapkamerraam
kon zien. Zo eens in de tien minuten tuurde ik met de hand
boven de ogen de omgeving af, vol stille hoop dat ik iets
zwarts zou zien tussen al het groen. En het was geen
ternauwernood aan gangsterkatten ontsnapte Boris V. die
de tuin insneakte. Het was al evenmin een half uitgedroogde,
eindelijk uit een schuurtje vrijgelaten Boris V. die op zijn
laatste krachten onder de schuttingdeur doorkroop. Er was
niet eens sprake van klitten in het haar, of ingescheurde
teennagels. Boris V. kuierde geheel ongeschonden en met
het haar in een nette zijscheiding onder de schuttingdeur
door. Hoorde ik hem daar 'De pahadehen op' fluiten? Er
ontbrak nog maar net een rielekste wandelstok voor
senioren aan.

'Hee!!', riep ik met overslaande stem. Boris V. keek betrapt
naar een merel. Toen zag hij mij. Hij kromp ineen. En toen
deed hij iets slepends met zijn linkerachterpoot. Maar daar
trapte ik mooi niet in.

Dat is raar altijd hè, dat iemand over wie je je heel veel
zorgen maakt, uiteindelijk veilig en ongedeerd blijkt te zijn.
Bóós dat je dan wordt! Ik hield me nog in bij Boris V. want
misschien zou hij later nog instorten. Maar nee. 'Waar wás
je nou', zei ik honderd keer tegen Boris V. Die liet zijn
staartpunt trillen en keek wat verdwaasd om zich heen. En
toen naar mij. Iets van herkenning blonk in zijn ogen. Was
dit niet de mevrouw van het vlees? En in zijn ogen was nog
iets anders. Een verhaal. Het verhaal van de nacht en de
halve dag. Uit het verborgen leven van Boris V.
Gebaseerd op ware feiten.

Die hij dus gewoon vóór zich hield.
Walgelijk.

12 april 2004

jacq was een baken van rust

Ik was de hele week de rust zelve. Een middelpunt
van kalmte en sereniteit was ik. Mensen die rust
zochten, vonden mij. Huisdieren die slaap hadden
ook. Ik was een baken, voor familie en vrienden.
En vooral ook voor mijzelf. Zeg, ben je nog ergens
zenuwachtig over, jacq?, zo vroeg ik mezelf
herhaaldelijk. Neen, eigenlijk niet, kon ik daarop
dan naar eer en geweten replyen. Mijn hartslag
in rust was circa vier slagen per minuut (normaal:
zeventig). Heerlijk was het.

Tot zaterdagmiddag. Ik moest hoognodig een
nieuwe mobiele telefoon. Ik heb nog een oude
Ericsson, waarvan stomme mannen altijd moeten
schateren. Ik vind 'm buitengewoon prachtig. Alleen
hij doet niets meer. Niemand kan mij bereiken. Wel
spreken er nog steeds mensen berichten op in, die ik
vervolgens niet kan afluisteren. Ik roep wel steeds:
deze telefoon is op! Bel niet langer naar deze telefoon!
Maar toch zijn er mensen die dat dan wel doen. Waar
hebben die de oren zitten!? Of denken zij soms dat
het nog goed komt met deze telefoon?! Nou, laat me
jullie dit zeggen: het komt NIET meer goed met deze
telefoon. En batterijen verkopen ze er niet meer voor.
Ik moest dus hoognodig een nieuwe mobiele telefoon.

Ik weet niet of jullie een beetje bekend zijn met de
mobiele telefoniemarkt heden ten dage. Ik hoop van
niet. De mobiele telefoniemarkt heden ten dage is
samen te vatten als de hel op aarde. Ik heb het zo
opgelost: ik schold mezelf naar huis, schopte tegen
de deur, gaf mijn toetsenbord een klap en deed akelig
tegen mijn vriend. Ik wil er verder niets over kwijt.
Behalve dan dit: op deze manier is het mij onmogelijk
nog langer een baken van rust zijn voor mensen om
mij heen. Jullie moeten het weer zelf doen, jongens.
Het Is Niet Anders.

10 april 2004

jacq wil wanhopig graag worden getutoyeerd

meisje: anders nog iets mevrouw
jacq: nee, tof, dankjewel!
meisje: dat is dan 17,95 alstublieft, mevrouw
jacq: alsjoeblieft hè!
meisje: dankuwel, mevrouw
jacq: nou, dikke doei dan maar!
meisje: een prettige dag nog mevrouw

09 april 2004

knaldisco

Och mensen, en dat ze dan muziek gaan draaien van Tavares
en zo! Ik swingde (swong?) mezelf helemaal terug naar
vroeger, waaay back naar de havo.

Van toen je nog maar een meisje van dertien was. Nog nét
zeehondjes aan het redden, maar al bijna niet meer. Met een
bril, model Lee Towers, die besloeg als je zo van je fiets de
garderobe inliep. Drie jaar later zou je contactlenzen krijgen.
De contactlenzen zouden je leven redden.
Over drie jaar.

Maar eens in de maand op vrijdagavond was er disco in de aula.
Daar at je overdag je boterhammen op, want die smeerde je
toen nog 's ochtends. En 's avonds was het net of de aula de
aula niet was. Daar waar jij altijd zat met S. en G., daar stond
nu een hele grote box, waar een dreunende bas uitkwam. En
er hing een discobol die heel vreemd licht gaf. Je werd er wat
zenuwachtig van. Maar dat was je toch al. Je hart bonsde, op
de maat van de snelle muziek. Zou Hij er ook zijn? En zou Hij jou
zien? Al was het maar dat hij even in jouw richting keek. Dan kon
je dat later weer in je dagboek schrijven.

Och, je hoefde je niet eens helemaal om te draaien. Vanuit je
ooghoek kon je al zien dat Hij was binnengekomen. En je voelde
het. Het was alsof alles harder klonk. Nu durfde je niet goed meer
te dansen. Maar omdat S. en G. en alle meisjes uit Z. ook gingen,
moest je mee. Anders stond je daar alleen.

Daar danste je, in een groepje van aan elkaar geklitte meisjes
die elkaar steeds moesten aanraken. Jullie hadden lichtblauwe
kammetjes in het haar. Of witte pumps aan. Of een bandje om
de enkel. Of wat er dan ook maar in de mode was die week.
Je moeder vond die witte pumps eerst maar onzin. Maar toen
je zo vreselijk moest huilen omdat iedereen ze had, kreeg je
ze toch. Maar niemand had er wat van gezegd. Waren de witten
alweer uit? Je ging even met S. en G. aan de kant staan. Je bril
besloeg als je te hard danste.

Hij danste alleen op Madness. Hij slingerde zich door de aula heen,
met zijn vrienden. Soms slingerden zij zich tegen jouw groepje aan.
Dan keek je verontwaardigd en je draaide je hoofd met een ruk
om. Als ze het nog een keer deden, dan haalden jullie er een
leraar bij, en jullie meenden het hoor! Hij en zijn vrienden lachten
smalend. En ondertussen juichte het in je borst: Hij Had Jou
Aangeraakt. Nog uren gloeide je schouder. Lief dagboek, wat
was het een supergeweldige knaldisco!!!!!!!

08 april 2004

de glimlach van Boris V.

Boris V. is in een soortement hongerstaking verzeild geraakt.
Ik geloof dat hij zich er zelf ook wat ongemakkelijk bij voelt,
maar toch is het zo. Hij vertikt het om ook maar één brokje
droogvoer tot zich te nemen. Of er zelfs maar mee door de
kamer heen te voetballen. Want ja, zover is het nu: Boris V.
komt zelfs niet meer in de buurt van zijn etensbakje.

Ik weet wel hoe het komt hoor. Het Voer was op. Het Voer is
voer voor gecombineerde probleemkatten. Daarover een andere
keer. Het Voer is vooral ook dúúr voer en aldus niet bij de
snackbar te verkrijgen. Moet je speciaal voor naar de
dierenwinkel. Dierenwinkel zit één straat verder dan de super.
Het fokking hagelt hier de hele week al! Plus fiets gestolen!
Voila. Dus kocht ik voor Boris V. een iiiets goedkoper voertje van
de super. Nóg schreeuwend duur, als je het vergelijkt met het
voer voor de proletarische katten. Maar enfin, wel iiiets goedkoper.

Boris V. keek naar zijn etensbak. Daarna keek hij mij aan, met
ogen die niet knipperden. Toen trok hij kouwelijk de schouders
op. Ik slikte. Ik had nog liever dat hij mij maar had geslagen!
En toen sleepte Boris V. zich struikelend naar boven, wegens
plotseling ijzergebrek. Om vervolgens op mijn witte
dekbedovertrek doelbewust heel veel van zijn zwarte haren
te gaan verliezen. Wegens vitaminegebrek of zo. Ik had Boris V.
Het Voer onthouden en ik zou het weten.

'Hee, kijk nu, je favo brokjes!', loog ik vanochtend
enthousiasmerend tegen Boris V. die zich ten langen leste
toch maar eens van de trap had geworpen. Ik haatte mezelf
kortstondig, wegens dat favo. Boris V. ging in de vensterbank
zitten. Hij keek als een puberzoon die voortijdig op kamers wou.
Er streek een duif neer. Boris V. deed zijn bek open en maakte
dat geschifte vogelgeluid waarvan ik iedere keer weer denk dat
het een toeval is. Toen gaapte hij. En toen draaide hij zich om naar
zijn etensbak. Alsof het best kon zijn dat de duif daarin dood en
schoongemaakt was gaan klaarliggen.

Het bleek van niet. En toen mauwde Boris V. voor het eerst sinds
tijden klaaglijk. Met iets schors van een oude verlaten man erin.
En met het onschuldige van een mensenbaby. Ik kan dat niet
hebben als hij dat doet. 'Houd op! Houd op!', riep ik. Maar Boris V.
wist niet van ophouden. Ik sloeg mijn handen voor mijn oren. Ik
was al buiten. De duif vloog op. Ik rende en ik rende. Ik rende net
zolang tot ik bij Het Voer was. En toen rende ik weer. Ik rende en
ik rende. Ik rende net zolang tot ik thuis was.

'Kijk!', hijgde ik door het raam tot Boris V.
Ik hield Het Voer tegen het raam aan.
Met de letters aan de goede kant.
Boris V. draaide zich langzaam naar mij om.
Hij las de letters van links naar rechts.
En hij glimlachte.

07 april 2004

de band met de fietsenmaker

['Jongejonge jacq, zijn we nou nog niet van dat gezeik
over die FIETS af!?! We worden er bijkans doodenlijk
vermoeid van!' 'Nee, het is MIJN weblog en als je moe
bent dan ga je maar op bed liggen!!!']

Er was maar één fiets onder de honderdvijftig euries.
En die fiets was geheel beplakt met veelkeurig plakband.
En als ik zeg geheel, dan bedoel ik ook geheel. En als ik
zeg veelkleurig dan bedoel ik ook veelkleurig. Heel veel
kleurig.

Honderd, zegt die fietsenmaker. Ik zeg kan dat niet
goedkoper. Er zit anders voor 500 euro plakband op,
zegt die fietsenmaker. Haal dat er dan maar gauw vanaf,
roep ik. Praten we daarna verder, zeg ik. Zo, we hebben
hier een gevatte jongedame, zegt die fietsenmaker. Hij
lachen, ik lachen. Best lang.

Oké, wij ontwikkelen nu een band. En langzaam maar
zeker pompen wij de band tussen ons op. Dit is een goed
teken. Want als je een band hebt met elkaar, dan wil je
aardige dingen doen. Fietsen in de uitverkoop en zo.


Ik zeg nou wat doen we! Hoe bedoel je wat doen we, zegt
die fietsenmaker. Die fiets, wijs ik. Honderd eurie, zegt de
fietsenmaker verbaasd. Had niks aangevoeld van band
tussen ons. Loopt nu dus langzaam leeg. Mannen.

06 april 2004

dol-fijn

Dat je weken had gezeurd.
Aaaaaah, waarom gaan wij nooit!
En dat je dan eindelijk ging.
Naar de dolfijnen in het Dolfinarium.
Je hield van dolfijnen.
Je was dol op dolfijnen.
En op woordspelingen.
Want je was zes.

Zat je op die tribune.
Zaten de dolfijnen in het bassin.
Mochten er twee kinderen in het bootje.
Dan zouden de dolfijnen erover heen springen.
Of hoe dat ook heette als dolfijnen sprongen.

Kwam die meneer naar jou toe!
Ga dan, zei je moeder.
Toe dan, duwde je vader.
Wawa, kwijlde je kleine broertje.

Nee nee nee, schudde jij.
Je had zin om te gillen.
Maar je deed het niet.
Soms kon je jezelf wel inhouden.
En de meneer liep verder.

Twee andere kinderen klommen in het bootje.
Oh, waar waren die dolfijnen!
Hee, waar zijn ze nou gebleven!
Woesj, de dolfijnen sprongen erover heen.
De spetters vlogen eraf.
De kinderen keken blij.
En iedereen klapte.

Later kreeg je patat.
En een hangertje met een dolfijntje eraan.
Maar de volgende dag was je het dolfijntje kwijt.
Let dan ook op, zei je moeder.
Maar jij hád opgelet, dat was het gekke.
Rottige dolfijnen.

En tot op de dag van vandaag altijd het gevoel gehouden
dat je ergens de boot hebt gemist.

05 april 2004

jacq weet raad

Via het contactlinkje bereikte mij de volgende vraag:

Lieve jacq,
Soms, dan lijkt het leven zo zinloos. De wekker gaat,
je staat op, je kleedt je aan, je gaat je douchen, je
gaat naar je werk en je komt weer thuis. En dat elke
dag, dag in dag uit. Hobbies heb ik niet. Och, weet jij
er iets op? Kusjes van een werkezel


Lieve werkezel,
Om te beginnen zou je kunnen stoppen met werken.
Dan hoef je je ook niet zo vaak te douchen en aan te
kleden. Probeer het eens, want mijn devies luidt niet
voor niets: 'probeer het eens!'. Mocht je ook als
werkloze werkezel een zekere zinloosheid van het
bestaan ervaren, realiseer je dan dat dat er nu
eenmaal bijhoort als je werkloos bent en neem een
hobbie.
In je brief vermeld je niet of je een man of een vrouw
bent. Ik denk een man, want anders had je jezelf
misschien eerder werkezelin genoemd! Welnu,
werkezelmannetje, kijk eens rond of er niet ergens
een spontaan meisje rondloopt dat heel veel liefde
te geven heeft. Ze zijn vaak wel wat druk in de
omgang maar dat is juist gezellig bedoeld. Aan de
andere kant: spontane meisjes zijn meestal al bezet.
Dat komt omdat zij gewoon zelf spontaan verkering
vragen aan jongens, die dan van schrik ja zeggen.
Maar ik zou zeggen: probeer het eens, want je kent
mijn devies nu!
Succes en xxxjes,
jacq


Ook een vraag over het leven, de liefde of bijvoorbeeld
geldgebrek? Vertel het jacq. Jacq is betrouwbaar. Jacq
kent het leven, van vroeger. Discretie verzekerd. Niet
geld, goed terug. Anonimiteit gewaarborgd, tenzij
onvoorzien of stroomstoringen.

"Problemen, zorgen, twijfels .... ik wil u graag helpen"

04 april 2004

drie keer raaie

Ik vind het leuk.
Ik heb daar lol in.
Mijn vriendinnen vinden het ook leuk.
Mijn vriendinnen hebben daar ook lol in.

Niet gewoon zeggen wie je gister in de kroeg zag, maar
zeggen: je raadt nóóit wie ik gister in de kroeg zag! Of:
wat denk je hoeveel geld die fiets me heeft gekost! Zet
ik gister de tv aan, en wie denk je dat erop was! En dan
maar afwachten. Oh ja, verkneukelen, dat is het woord!
En giechelen, van de voorpret.

Het is dan ook niet de bedoeling dat het raden een kwestie
is van oké, geraaien! Het is juist fijn om het raden heel lang
te rekken. 'Loop ik door de sittie, wie denk jij dat mij op de
schouder tikt', zei mijn vriendin gisteravond met een fijn
stukje suspense in de stem. 'Wacht wacht, ik haal even een
sjipsje', riep ik bezwerend. Niet dat ik ooit chips eet trouwens.
Ik ben op dieet en ik sport drie keer per week. Zal ik dat zeker
verpesten door chips te gaan eten. Het was maar een
Voor-Beeld! 'Wacht wacht, ik haal even water', dat had ik ook
kunnen zeggen. Maar hallo zeg, dat maakt toch geen zak uit
voor de loop van het verhaal!

-Sjors.
-Aggggg nee.
-Thomas??
-Hihi, nee.
-Is het een man of een vr
-Ja zeg, hallo.
-Nee ok, ok.
-Nou ok het is een man.
-Kees!!!
-Neehee. jeetje.
-Wij kennen hem allebei???
-Nee jij kent hem niet, nou goed!!!
-Kennen wij hem nog van school?
-Als ik dat zeg weet je het zo.
-Haha ja dus!!
-Shit, ok.
-Begint met een ...?
-Es
-Wacht, niks zeggen.
-Ik zeg nu niks meer.
-Oh ik weet het.
-Zeg het dan.
-Het is Sjon!
-JA!!!!!!
-Jeetjemina, Sjooon!!
-En je raadt nóóit wat ie zei!
-...

Oh, ik snap ineens waarom vriendinnenavondjes altijd zo lang
duren! Ik ga er nu maar even voor het gemak vanuit dat mannen
niet zo in elkaar zitten. Mijn vriend tenminste niet. Die moet daar
helemaal niets van hebben, van raadspelletjes. Mijn vriend zegt
namelijk direct: ja, WIE DAN! En dan moet ik het zeggen, of ik het
wil of niet. Als ik heel geheimzinnig doe, loopt hij er gewoon bij
weg! Ik vind het wel jammer. Soms denk ik: wat moet ik met
deze man, die geen raadspelletjes wil. Maar dan ineens weet ik
het weer.

02 april 2004

f*ck het voorjaar

Dat je gewoon zijn eigen huis uitgeslagen wordt door
inbrekers! Dat anderen je eten opeten! Op jouw wc
gaan plassen, terwijl jij ernaast staat! Je mag niet
eens bewegen! Ze zijn pas tevreden als jij op je rug
ligt. Ergens ver weg.

Boris V. sloeg zijn grote ogen op naar mij. En toen
deed hij zijn meisjemetdezwavelstokjes-imitatie en
ik zeg het gewoon eerlijk: hij was beter dan het meisje
zelf! 'Moeder, mag alsjeblieft de deur dicht!', kreet
Boris V. zonder woorden. Het mocht. Het was juist zo
fijn met de deur open. Maar toch mocht het. Soms moet
je terrorisme een halt toeroepen.

01 april 2004

jacq heeft geen levensmotto /2

'Wat is uw levensmotto? ', stond er nog steeds op het
formulier. In zijn mand rekte Boris V. zich eens uitgebreid
uit. Zijn ene achterpoot liet hij nonchalant uit de mand
hangen. Ik werd er gewoon snibbig van.

Snibbig, bestaat dat woord eigenlijk nog! Nou ja, als ik
het kan gebruiken, dan zal het wel bestaan dus! Anders
krijg je toch wel een foutmelding of zo?

Ik probeerde mezelf op weg te helpen door heel nonchalant
zinnen voor me uit te prevelen die begonnen met 'Ik zeg
altijd maar zo, ik zeg: ....'. Wie weet kwam er per ongeluk
een levensmotto uit. Maar er kwam niks. 'Het leven is ...',
riep ik schel. Maar er kwam niks. 'Zoals mijn grootmoeder
zaliger vroeger al in mijn poesie-album schreef ...',
declameerde ik bibberig. Maar er kwam niks.

Ik werd nerveuzig. Overwoog enige goede vrienden te
sms'en met de vraag wat hun levensmotto was. Kon het
kwaad als je een levensmotto leende van een ander? Of
was een levensmotto iets dat onvervreemdbaar bij jouzelf
hoorde? Moest ik mijzelve afpellen (ja hee, als het ware!)
tot ik tot de kern was gekomen van mijn existentie? En
kwam dan als vanzelf mijn levensmotto tegen? Is een
levensmotto er altijd al, ondanks dat je er zelf geen weet
van hebt? Iets wat je nu eenmaal gewoon hebt, of je het
wilt of niet? Is een levensmotto net zoiets als een uitstraling?
Heeft iederéén een levensmotto? Ook de mensen die zeggen:
'Ach ik doe daar niet aan'? Waren er wel eens mensen
geweest die ontkwamen aan een levensmotto?

Ik in ieder geval niet. Mijn adem ging te snel. Ik kloof op mijn
balpen. En toen op mijn nagels. Ik werd wat schor. Dat kwam:
ik bleef maar dingen roepen. 'De wereld zou er beter uitzien
als ... !!'. En dan wachtte ik gespannen af. Of: 'Wat ik aan mijn
huisdieren mee wil geven is ... !'. En dan spitste ik mijn oren.
Maar nog steeds kwam er niks.

'Wat is uw levensmotto? ', stond er nog steeds op het
formulier. Ik brak. Ik schreeuwde. Ik wierp het raam van mijn
werkkamer open en wierp mijzelf eruit. Nee joh, ik stak mijn
hoofd uit het raam. 'Teveel nadenken is niet goed voor de
mens!!', snikte ik tot een ieder die het horen wilde.

Ik knipperde met mijn ogen.
'Hee', zei ik.
Ik trok mijn hoofd uit het raam.
En ik schreef het op.
Ik had een levensmotto.