stukjes jacq

31 maart 2004

jacq heeft geen levensmotto

Dat was wel leuk.

- Ik ben wel geinteresseerd in die klus, zei ik.
- Oh u spreekt trouwens met jacq, zei ik.
De mevrouw aan de andere kant zuchtte.
- Och, wij hebben al zoveel reacties', zei de mevrouw.
- Laat mij u iets over mijzelf vertellen, zei ik
En toen vertelde ik iets over mezelf.
Na drie zinnen onderbrak de mevrouw mij.
- Kunt u alstublieft langskomen, zei de mevrouw.
Haar stem klonk blij.
-Okidoki, zei ik koelbloedig.

Dus dat was wel leuk.
Toen kwam er een formulier. Of ik dat even wilde invullen.
Dat was namelijk handig. Natuurlijk wilde ik dat. Ik werk
graag mee aan zaken die handig zijn.

Ik wist bijna alle vragen.
Hoe ik heette, dat wist ik direct.
Waar ik woonde, dat wist ik direct.
Wat ik had gestudeerd, dat wist ik direct.
Dat is wel eens anders geweest, hoor.

Maar toen kwam er nog een vraag.
En die vraag was: wat is uw levensmotto?
Ik keek naar de vraag. Ik keek vooral naar het woord
levensmotto. Ik keek zo lang naar het woord levensmotto,
dat ik er scheel van ging kijken. Toen stond er twee keer
levensmotto. Snel keek ik weer gewoon. Eén levensmotto
was genoeg. Wat zeg ik: één levensmotto was al te veel.
Ik had geen idee. Wat was mijn levensmotto? 'Ja zeg
hallo', zei ik gepikeerd. Ik keek voor hulp naar mijn kat
Boris V. Maar die keek niet terug. Dat kwam omdat hij een
levensmotto had. Laat de rest maar verrotten, ik heb slaap.

Zelfs Boris V. had een levensmotto.
Ik werd hier niet vrolijk van.
Ik wou ook een levensmotto!

[wordt vervolgd]

30 maart 2004

jacq probeert het los te laten

Nee natuurlijk, sleutels in putten werpen, dat is gewoon
verwerpelijk, dat vind ik zelf ook. Hartstikke slecht voor
het milieu. En alsof een sleutel geen gevoel heeft! Een
fietssleuteltje zonder fiets erbij, dat is erg. Maar een
fietssleuteltje dat langzaam verdrinkt, dát is pas
echt erg.

En ik wás er al niet eens zeker van dat ik het zou doen.
Is de mens er geestelijk wel toe in staat om sleutels in
een put werpen, vraag ik me af. Het voelt heel
tegennatuurlijk. Denk niet dat ik het doelbewust kan
doen. Ik ben mijn hele leven al bang dat ik per ongeluk
een sleutel in een put laat vallen. Of expres per ongeluk.
Dat je wild die sleutelbos uit je jaszak trekt en hem
met een woest gebaar de put in werpt. Een soort
Gilles de la Tourette, maar dan zonder woorden. Net
als dat je wel eens van een brug wilt vallen, terwijl je
dat juist helemaal niet wilt!

Dus daarom knijp ik altijd heel hard in mijn sleutels als ik
voorbij een put loop. Vraag me af of ik dat een stukje los
kan laten.

29 maart 2004

jacq en het eenzame fietssleuteltje

Mijn fiets is natuurlijk nog steeds gestolen. Toch ben ik daar
ergens verbijsterd over. Ik ben namelijk nog van de generatie
die de ochtend na de misdaad de gordijnen opentrekt en hoopt
op een wonder. Nog steeds gestolen!

De hele lange weg die ik gisteravond lopend naar het station
aflegde, speelde ik met het eenzame fietssleuteltje in mijn
rechterjaszak. En ik peinsde. Nu zat de fietssleutel nog warm
en veilig in mijn jaszak. Maar hoe lang nog? Wanneer precies
gooi je het sleuteltje van je gestolen fiets weg?

Ik heb ooit een soosjale opleiding gedaan, en daar herstel je
eigenlijk nooit helemaal van. Dus ergens weet ik het antwoord
zelf wel. Eigenlijk kun je natuurlijk pas je fietssleuteltje
weggooien als je het verlies van je fiets hebt geaksepteerd.
Maar wanneer heb je het verlies van je fiets geaksepteerd?
Als je er nooit meer aan denkt? Als je eerlijk bij jezelf kunt
zeggen: 'hee, lopen is best fijn!'? Waarbij ik direct moet
aantekenen dat lopen op zich wel fijn is maar och wat gaat het
lang-zaam! Ben je over je gestolen fiets heen als je niet meer
om je heen kijkt, of je dat gore groen ergens gestald ziet? Of
gevouwen om een lantaarnpaal? Tot dusver denk ik nog steeds,
als ik met mijn fietssleuteltje speel: 'Stel, ik gooi mijn sleuteltje
*ploem* in een put. En stel: ik vind daarna mijn fiets terug. How
sad is that!?'. Ik mag gerust wel zeggen dat deze gedachte mij
een beetje blokkeert.

Daar komt bij: ik ben nog van de generatie die eerst zes keer de
stationsfietsenstallingen af moet, alvorens te mogen zeggen:
'ja, mijn fiets komt nooit weerom'. Pas dan komt er een stukje
akseptatie naar de verdwenen fiets toe. Dan ontstaat er ruimte.
En daardoor laat je de fiets als het ware los. En uiteindelijk ook
het fietssleuteltje. Zo, *ploem* in een put.

27 maart 2004

jacq gaat vandaag een fiets kopen

Mijn fiets is gestolen.
Mijn gruwelijk lelijke fiets is gestolen.
De fiets waarvan mijn vriendin pas nog zei 'ik wist
dat je fiets lelijk was, maar zó lelijk, neen dat wist
ik niet meer' - die fiets, die is weg.
Ik heb alleen de sleutel nog.

Het is niet te geloven dat iemand anders mijn fiets
wilde. Te lelijk om te jatten, schamperde ik zelf.
Kun je nagaan wat dat hele normen- en
waardendebat losmaakt bij de boeven.

26 maart 2004

marsmannen op Aarde

Nu schijnt het dat er dus tóch leven op Mars is geweest.
Ik zat direct rechtop. Beelden van lijken, beelden van lijken!

Viel beetje tegen. Want. Namelijk. Er is stromend water
gevonden. Of wacht even want ik heb het misschien niet
goed opgevangen, of er is iets gevonden dat erop wijst
dat er eventueel in het verleden stromend water zou
kunnen zijn geweest. Bijvoorbeeld een waterleiding. En
dat wijst er dan weer op dat er leven mogelijk zou kunnen
zijn geweest. Want leven kan niet zonder stromend water.
Ik moet toegeven dat ik dacht: oh? Als het erop aankomt,
weet je maar zo weinig van wat je zelf nodig hebt, hè.
Maar goed, ik heb het nu opgeslagen.

Ondertussen word ik er dus nogal moe van, van Mars. Ik
krijg er gewoon een lamlendig gevoel bij, zo onderhand.
Dat marswagentje dat zo stumperig Mars overhobbelt. En
dan die blije mannen in overhemden op Aarde. Kan me
voorstellen dat die vrouwen van die mannen ook denken:
ik wou dat dat Mars gewoon ... gewoon ontplófte! Want
het is natuurlijk hartstikke gezellig daar bij de Nasa.
Groepsgevoel tot en met. Niemand die naar huis wil. Stel
dat het leven op Mars ineens gaat praten, en jij bent er
niet bij. Je hele leven naar de maan (hihi)!

Ja, ik leef echt toe naar het moment dat de eerste skeletten
op Mars gevonden worden. Van toen het stromende water
ineens op was.

25 maart 2004

ik en mijn soepervaiser

Eerst was het nog best gezellig. Ik en mijn soepervaiser zaten
gewoon wat met hem te praten. Nou, eigenlijk was het meer
keuvelen. Het ging nergens in het bijzonder over, behalve dan
over koetjes en kalfjes. Ik en mijn soepervaiser wisten wel dat
we te maken hadden met iemand die ooit eens opgesloten had
gezeten maar wij stonden er heel open tegenover. Wij waren
nog van die generatie die de mensen een tweede kans gaf. Wij
gingen de mensen niet veroordelen. We dronken er gewoon
koffie mee.

Nooit moeten doen. Hij had van alles. Je kon het zo gek niet
verzinnen of hij hij had het. En het waren vooral dingen met
een punt eraan. Zowel ik als mijn soepervaiser vochten voor
ons leven. En er kwamen steeds meer mensen bij, die dan ook
weer tegen ons bleken te zijn. Het was een oneerlijke strijd,
omdat wij alleen onze blote handen maar hadden. Elke keer als
er een haak op mij afkwam, dan dacht ik 'oh jee, dit gaat zeer
doen!'. Als er een enorm hakmes op me afkwam, dacht ik: 'ai dit
ga ik niet overleven'. Maar ik bleek goed te kunnen bukken. Dus
steeds overleefde ik het. Ik vond het vreemd, vooral omdat om
me heen de dooien bij bosjes doodvielen. Maar ik zei er niets
van, want ik wou niemand op gedachten brengen.

Gelukkig kregen wij hulp van een turmineedur. Ik kan me
herinneren dat ik dacht: ah, dus dit is nu een turmineedur.
Het was een man in staal en ijzer (ik noem ze maar even
allebei, want ik weet zelf het verschil niet echt) die een stuk
groter was dan normale mensen. Daarom was het wel fijn dat
de turmineedur aan onze kant stond.

Toen de turmineedur even zijn ding deed, was het snel gebeurd.
Zo ineens was het afgelopen en stil. Ik en mijn soepervaiser
dronken koffie met de rest van het team, want wij bleken van een
team te zijn. Toen werden ik en mijn soepervaiser ontslagen. We
hadden de koffie nog niet eens op! Ja, nou ja, als er dooien vielen,
dan moesten er koppen rollen. Dat was nu eenmaal de regel. Ik
en mijn soepervaiser liepen ontgoocheld weg van ons team.
Gek woord eigenlijk, ontgoocheld.
Alsof je eerst gegoocheld was.

'Nu zijn we werkloos', zei ik.
'En dat met de recessie', zuchtte mijn soepervaiser.
'Ik mag hopen dat dit een droom is', zei ik.

pfjew!

Met dank aan een oplettende lezert: brievenpagina Metro 24/3:

Het was mijn rode auto
met een kapotte ruit

Ja, ik leef nog. Er was gelukkig
niks aan de hand (column Jacq.
Veldman in Metro van dinsdag 23
maart). Ik maakte een boswande-
ling met mijn vrouw Maartje.
Toen wij weer terugkwamen, was
het ruitje ingetikt en mijn porte-
feuille weg. Ik had hem per onge-
luk op het dashboard laten liggen.
Wel grappig dat het dan in Metro
komt te staan.
Ik snap wel wat Jacq. bedoelt.
Ik heb het zelf ook als ik in de
trein zit: dat het leven voor ieder-
een toch gewoon doorgaat. Alleen
zie je het vervolg niet, omdat ook
wijzelf door moeten gaan. Maar
nu kan Jacq. de deur rustig dicht-
doen.
Sieuwerd v.d. Mast, Beverwijk

24 maart 2004

hi, my name is jacq and i have a problem

Waarom schuiven oude mensen toch altijd voortdurend met dingen?

Schuin tegenover mij in de trein zat een oude vrouw met een koffer. En steeds stond de koffer ergens anders. Eerst voor haar voeten, in de breedte. Toen voor haar voeten, in de lengte. Toen naast haar zitplaats. Toen andersom naast haar zitplaats. Op een bepaald moment zag ik de oude vrouw zelfs verlangend omhoog, naar het bagagerek, kijken. En direct daarna naar mij. Ik reageerde daarop echter heel clever met mijn verstandelijk gehandicapten-imitatie. En verder zat er niemand in de coupé. Dus dat feest ging mooi niet door, oude vrouw!

Ik moet toegeven: een ongemakkelijk gevoel van herkenning beving mij toen ik de oude vrouw met haar koffer observeerde. Ik kan er zelf namelijk ook wat van. Alleen schuif ik niet met dingen, maar met mijzelf. Niet altijd, maar in episodes. In de trein, en vooral ook in de bus. Stad of streek, dat maakt niet uit. Zit ik achterin, denk ik: ik had voorin gemoeten. Zit ik voorin, kijk ik alsmaar verlangend achterom. Komt er een vierzittertje vrij, loop ik er nonchalant naartoe. Zit je er net, komt er een betere vierzitter vrij! Het ergste is als je na veel dralen toch van plaats hebt gewisseld maar dat je dan later denkt: nee, ik geloof toch dat ik de eerste plaats lekkerder vond zitten. En durf je dan weer terug hè, dat is het punt. Soms, dan zou ik het liefst
uitstappen en de rest van het stuk lopen. Maar ja, dan heb je al afgestempeld.

Kijk, ik heb nog het benul dat ik me afvraag wat anderen mensen ervan zouden denken als ik de hele tijd van plaats wissel. En daarom stop ik na maximaal twee plaatswissels. Heb ik afgesproken met mezelf. Ik kan nog stoppen. Ik heb die controle. Als ik zeg ho, dan stop ik. Elk moment. Maar stel: er komt een episode en dat benul is weg? Stel, er komt een dag en je kunt niet meer stoppen met wisselen van plaats? Kom je dan in een inrichting? En moet je dan de weekends naar huis? Met de streekbus?

Ik ken mezelf en ik weet dat ik het in me heb.
Dat is dus het rotte.

23 maart 2004

willen is kunnen

Ik vind dat mijn vriendin mij verkeerd heeft voorgelicht.
Wat een afschuwelijk marteltuig is het! Wat blijkt: op
een crosstrainer kun je namelijk niet zitten. Ik vind:
sporten zonder dat je erbij kunt zitten, dat is geen
sporten. Dat is uitsloven. Bij mij in de sportschool staat
maar één crosstrainer en dan heet hij nog niet eens zo.
Volgens mij heette deze iets als Zkrotsky of zoiets. Maar
dat komt: bij mij in de sportschool heet altijd alles anders.
Je wordt er echt niet goed van. Zelfs een doodnormale
fiets heet bij mij in de sportschool Mrezzpiepedalis of zo.
Ik zit dan ook op een heel goedkope sportschool en ik
denk dat ze hun apparaten zwart betrekken van criminele
Russen die er eerst zelf in Siberië negentien jaar op
hebben gefitnesst. In de buitenlucht.

Jongens, ik zweer het: terwijl ik moe en der dagen zat
op de crosstrainer stond (!) te crossen, knapte de kabel
van een fitnessapparaat waarop ik het zicht had. Hierdoor
werd de breedgeschouderde man die erop bezig was,
min of meer gekatapulteerd. Dat was ook wel eens leuk
om te zien! Meestal worden alleen beginners gekatapulteerd
door apparaten, en hun eigen domheid. Het was daarom een
soort van 1-1 voor de beginners gisterenmiddag, hoewel
het niet aan de domheid van de breedgeschouderde man lag
dat hij werd gekatapulteerd. Toch voelde hij zich dom. En wij
deden niets om hem van dat gevoel af te brengen.

Ongemerkt maakte ik daardoor de zeven minuten vol. Toen
wendde ik een lichte crosstrainersblessure voor. Het is
opmerkelijk hoe goed men kan leren blessures voor te
wenden, als men maar wil.

22 maart 2004

jacq is even naar de sportschool

Zo, ik ga even een uurtje crosstrainen en wow, dit klinkt
zo sportief dat ik het misschien nog echt ga doen ook!
Nu nog even uitvinden wat crosstrainen is. Ik denk zelf
dat het dat apparaat is waarop je zowel met je benen
als je armen beweegt en dientengevolge 'twee keer
zoveel calorieen in één klap verbrandt', aldus mijn
vriendin. Ja, moet wel, anders had ik het woord nooit
onthouden.

21 maart 2004

jacq kreeg kippevel

Dat het eerste dat je denkt als je hoort dat Juliana dood is,
dit is: 'Shiiit, als Idols nu maar doorgaat!'.

Dat is erg, hoor. Er kwamen direct termen in mij op en die termen
waren bijvoorbeeld verloedering, normvervaging en egocentrisme.
Het was droevig met mij gesteld. Maar ik was niet lang verdrietig.
Want gelukkig ging Idols gewoon door. Er moet namelijk heel wat
gebeuren voordat Idols niet doorgaat. Moeten er minstens drie
leden van het koningshuis dood, nee of van de koninklijke familie,
nee of tóch van het koningshúis. Nou, oké, vier dan.

Tooske en Reinout deden van tevoren gelukkig wél even een
serieus-integer momentje, voor de nabestaanden van prinses
Juliana. En direct daarna *BAF*, zo die keiharde takke-leader
van Idols erin. Oooh man. Kippevel.

flitsende dingen /2

Ik denk nog steeds aan de rode auto met het ingeslagen raampje. Ik vind het onbevredigend. Je blijft met raadsels achter. Het is net alsof je een spannend boek leest en iemand scheurt de laatste bladzijde eruit. En dat blijft knagen. En zo zijn er nog wel meer dingen. Zoals pas, toen dat woest galopperende paard met dat mooie ruiteresje zich ineens doodschrok van mijn trein. Hoe liep dat af? Paard in shock? Moest er een paardenfluisteraar bijkomen? En werd die toen verliefd op het frele ruiteresje? Maar was het wel wederzijds? En die zielige sjetlandponnie die gister ineens helemaal alleen in de wei stond, op die veel te korte benen. Kreeg die wel water of
sinas?! Liefde, van een oude boer desnoods? Waarom maken ze nooit nette stapels bij die houtfabriek voorbij Amersfoort? Was dat een gevalletje van: ja euhh hij doet het óók niet dus dan heb ik zoiets van pff zal ik het zeker wel doen?!

Soms, en ik kijk nu even naar de mensen van de NS, soms dan lijkt het me wel fijn als er op het eindpunt een soort van infobulletin was. Dat je als je de roltrap opstapt, kunt zien hoe het is afgelopen met de dingen van tijdens je reis. Of dat er per NS-traject een teletekstpagina komt waarop reizigers bij aankomst op het werk of thuis even hun reisflitsen kunnen checken.

751 Eenzaam ogende shetlandponnie herenigd met tweelingzus
752 Fietsende boerin met straffe tegenwind veilig thuisgekomen
753 'Dood schaap' bleek voor lol op rug in gras te liggen
754 Paardenfluisteraar machteloos bij doof paard
755 Manager houtfabriek: bos hout met zijn allen opruimen
756 Kalf verdronken, put direct gedempt

Als dit op korte termijn allemaal niet te regelen is, oké. Maar wil de eigenaar van de rode auto met het ingeslagen raampje zich dan s.v.p. even bij mij melden. Gewoon, dat ik het kan afsluiten voor mezelf. I need closure, weet je wel.

20 maart 2004

jacq kan niet mooi huilen

'Ow trouwens Juliana is ook dood he', zei vriendin één die mij
belde om afstandelijk te informeren naar mijn ziekteproces.
'Oh ja', zei ik. 'Moest je nog huilen?', voegde ik er vals aan toe.
Vriendin één staat er namelijk om bekend dat ze altijd tranen
in haar ogen krijgt bij malaise, ziekte en dood van bekende
mensen, om dan vervolgens naar de spiegel te rennen om te
zien of ze mooi huilt. 'Nee, alleen een brok in de keel', zei
vriendin één spijtig. 'En jij dan?', voegde zij er sarcastisch aan
toe. Ik sta er namelijk om bekend dat ik eerst altijd heel hard
roep dat ziekte en dood van bekende mensen mij niets doet,
om dan bij het eerste beeld van de kist in onbedaarlijk snikken
uit te barsten. Het valt heel erg tegen hoe dat er in de spiegel
uitziet. Niet vertederend. Niet artistiek. Meer alsof ik een zieke
junk ben waar niemand naast wil zitten. 'Ik heb nog niks geen
televisie gezien', zei ik voorzichtig. 'Maar als ik Juliana vaak
genoeg op televisie zie dit weekend, dan ga ik haar vast
verschrikkelijk missen.'

Dat mensen eerst dood moeten gaan voordat ze een beetje
voor je gaan leven, dat is eigenlijk wel rot.

19 maart 2004

flitsende dingen

Veel dingen zie je in een flits als je in de trein zit.
Maar je ziet ze wel. Alleen veel te kort.
In een soort van flits, zeg maar.
Maar dat zei ik dus al.

Vorige week bijvoorbeeld flitste de intercity langs een bospad met daarop een rode auto, waarvan het rechterzijraampje was ingeslagen. Het was een eenzame rode auto. Verder niets of
niemand in de buurt. Ja, een bospad dus, maar dat was dan ook alles. En een bos natuurlijk, op de plekken waar het bospad ophield. Maar dat was dan ook alles.

Terwijl de trein voortraasde, bleef ik wat ontredderd achter met mijn gedachten. Wat was hier gebeurd? Ging het om een beroving? Was er vuil spel in ehmm het spel? Lag er een lijk naast? Eronder? Erin? Al weggesleurd door de wilde dieren? Was het een knappe man (bij leven)? Moest ik een nummer bellen? Ik zag een verdachte auto mneer en ik vroeg me af of de plisie daar even langs wou fietsen? Maar mevrouwtje als we dat zouden doen zouden we bijna niet meer toekomen aan het uitdelen van parkeerbonnen.

Maar wacht wacht wacht, misschien wás het raampje al kapot. Per ongeluk ingeslagen door een goedwillend burger die zich had vergist. O sorry, 'k dacht dat het mijn eigen auto was, neemt u mij niet kwalijk. Of een ongelukkige manoeuvre, van een goedwillende sjunkie die tegen de autodeur aanviel en zo dwars met de vuist door het raam ging. Of dat die ruit gewoon spontaan gebarsten was. Die heb je er namelijk ook bij. Zo zit hij erin, zo valt hij eruit. En dat de
eigenaar er met de wind in de haren mee naar 't bos was gereden om daar rustig de verzekeringsman te kunnen bellen. Op het bospad, natuurlijk! Ik ga ook wel eens ergens bellen waar je tenminste niet wordt gestoord. Dat niemand hoort hoe je zit te stamelen van moedegorgen jet Macq.

Pfjews, dat valt even mee zeg.
Ik zat echt met dat lijk in mijn maag.

18 maart 2004

de groeten aan jacq

Je kunt nu ook reageren op mijn dagboek. Er zit ook nog een trackgeval aan vast maar
dat volg ik niet geheel. Ik bedoel natuurlijk: dat volg ik geheel niet. Als iemand de aanvechting
ervaart mij dit uit te leggen in het soort kleutertaal waarop ik het vaak goed doe: reageer!

Voor de rest: voel joe vrij tot een keiharde comment of doe gewoon even de groeten (ja heee aan mij dan, niet via via aan je vrienden of zo). Anoniem mag ook, dan zet je er gewoon een schuilnaam onder, of de naam van je dode cavia.

you give me fever

'Doe jij even open', zei vriendin één, toen de bel ging. Ah, dat zou vriendin twee zijn. Ik drukte heel lang op een knopje. Ik luisterde. Beneden viel een deur in het slot. Vriendin twee was in aantocht. Of een beleefde inbreker, dat kon ook.

'Hee hoi', zei ik toen ik de kruin van vriendin twee zag verschijnen. 'Hee hoi', zuchte vriendin twee. 'Hoe is die', zei ik, terwijl ik me naar vriendin twee toe boog voor een vriendschappelijke kus. Maar vriendin twee boog niet mee. 'Ik zou het niet doen', zei vriendin twee. 'Ik heb iets onder de leden.'

Ik deinsde terug. 'Waddan joh, 'zei ik bezorgd maar afstandelijk. 'Opgezette keel ..... raar gevoel in mijn benen .... en meer van die dingen, zei vriendin twee onheilspellend. 'Jooh wat rot', zei ik
joviaal en met een vriendinnenstem. Maar eigenlijk wilde ik vriendin twee direct weer van de trap af gooien. Ik haat zieke mensen. Zieke mensen zijn op zich niet verwerpelijk, maar ik heb ze er
gewoon liever niet bij. Voor je het weet maken ze jou ook ziek.

Vriendin één kwam kussen. 'Niet doen!', riep ik. 'Ze heeft iets onder de leden!' Vriendin één viel ruggelings tegen de muur aan. 'Waddan joh', zei vriendin één, terwijl ze vies keek maar niet vies
probeerde te kijken. 'Gewoon ... iets', zei vriendin twee vermoeid. 'Ik heb gewoon iets onder de leden'. Vriendin één en ik keken elkaar aan. 'Zou je niet liever gewoon lekker naar bed gaan dan',
vroeg vriendin één. 'Naar je eigen bed bedoelt ze', vulde ik snel aan. 'Welnee', zei vriendin twee. 'Ik vind het juist zo gezellig om jullie weer te zien!'

'Wij ook, wij ook', mompelde ik. Maar ondertussen dacht ik: ga heen van mij, gij akelige bron van enge ziektes! De rest van de avond meed ik het lichamelijke contact met vriendin twee. Als vriendin twee in de kamer was, zorgde ik dat ik iets in de keuken moest doen. Ik vergiste me niet in welk glas ik van tafel pakte. Ik sloeg haar niet op de knie om een bepaald grapje kracht bij te zetten. En als vriendin twee in mijn richting uitademde, dan blies ik hard terug. Aan mij zou het niet liggen.

'Doehoeoeg' woof ik later op de avond vriendin twee op de parkeerplaats uit. Van een afstandje dan. 'Doehoeoeg', piepte vriendin twee. En toen kreeg ze een hoestbui. Er stond een ongunstige wind. Het was alsof de hoestbui van vriendin twee op mijn gezicht ging zitten om bij te komen. Ik stapte snel op mijn fiets. Ik moest een tunnel door. Omlaag ging goed. Maar toen ik omhoog moest, viel mijn hart er bijna uit. Ik moest op een muurtje ergens van bijkomen en ik begreep niet goed waarvan. In mijn benen zat cement. In mijn rug zaten vele, vele spieren. Die ik allemaal voelde. In bed voelde ik aan mijn keel. Was die eerder ook al zo dik?

Enfin, op de eerste voorjaarsdag van dit jaar lag ik met een kruik in bed. Ik had duidelijk iets onder de leden. Vriendin één wilde niet langskomen, zogenaamd vanwege drukdrukdruk. Maar ik hoorde de walging in haar stem. Ik voel me nu ineens heel verbonden met vriendin twee, die vast dezelfde ervaringen en emoties heeft als ik. En misschien net zoveel koorts als ik.

Drie hoeraatjes voor alle zieke mensen.
Omdat we het waard zijn.
Hoera! Hoera! Hoera!

17 maart 2004

de dronken vader van Imca Marina

Ik moet trouwens ook altijd meekijken met wat mensen lezen. Al zal ik de nek verrekken, ik moet en zal de boektitel weten.

Een tijdschrift. Dat is een makkie. Grote foto van Imca Marina, maar dat kan komen omdat foto's met Imca altijd groot zijn. Vanzelf al. Diva Imca staat erboven. Verder kan ik niks lezen. Verder hoef ik ook niks te lezen. Ik wil helemaal niet weten wat Imca allemaal zegt in het interview. Er zijn echt veel meer andere dingen veel interessanter dan Imca Marina.

Zal Imca het weer hebben over de windmolen in haar tuin? Dat was Imca toch, die tegen haar wil een windmolen in de tuin had en daar ziek, zwak en misselijk van werd? Is die windmolen onderhand weggehaald door de gemeente? Door de overheid? Door een particulier persoon van wie de windmolen was? Nee, particuliere personen met een windmolen, dat kan niet. Toch? Kun
je nergens kopen denk ik. Moet wel een landelijk iets zijn. Van wie is een windmolen eigenlijk? Als het erop aankomt dan? Of heeft Imca bakzeil gehaald? Is ze verhuisd uit haar ongetwijfeld
kleurrijke stulp? Of heeft ze op een gegeven moment van binnen besloten dat ze er niet meer over na ging denken, over die windmolen? Dat ze nog fleuriger kleren aan zou gaan doen en
de mensen gewoon weer blij zou gaan maken met haar haar haar nou gewoon met haar zelf. Imca Marina heeft een mooie naam om diva te zijn. Ik ken trouwens maar één persoon die
Imca heet en dat is Imca Marina. Zou het soms haar artiestennaam zijn? Dat ze van zichzelf Ans Kuifjes heet, of zoiets. Of zou haar vader in een dronken bui? Zo rechtstreeks uit het café naar het gemeentehuis om aangifte te doen? Wij vieren feest dus weg met de malaise. En dan gewoon lekker gek dóór doen op het gemeentehuis. Dat hoor je wel eens hè, na een geboorte.
Zeker vroeger, in de tijd dat Imca werd geboren. Werden de meeste vaders dronken, direct na of al tijdens de bevalling. Tegenwoordig hoor je het nooit meer, van dronken vaders die een verkeerde naam opgeven. Weinig café's in Vinexlokaties. Zeg, heeft Imca Marina ooit wel eens iets samen gedaan met Rita Corita? Omdat die namen zo op elkaar lijken, er zit hetzelfde idee achter lijkt het wel. Het zou een duo kunnen zijn. Of had Rita ook een dronken vader? Of ging het om dezelfde vader! Dan zijn het zusjes! Sugar Lee Hooper, van hetzelfde laken een pak. Allemaal één familie?! Als ik die moeder was, dan was ik na één dronken aangifte zelf naar de
burgerlijke stand gestrompeld, met hechtingen en al, hoor. Of was dat een beetje een luchthart-treurniet, de moeder van Imca Marina, Rita Corita en Sugar Lee Hooper? Net zo iemand als haar drie dochters - altijd vrolijk. Tot ze erbij neervielen. Lekker bakkie koffie erbij. Ben je zo weer up en running. Behalve dan Imca, in de tijd van die windmolen. Lustte ze niks meer, ook geen koffie en zelfs niet van Rita. Maar dat is nu voorbij. Dacht ik. Niet dat het mij interesseert. Er zijn echt veel meer andere dingen veel interessanter dan Imca Marina.

16 maart 2004

boven de schuifdeuren van uw compartiment /2

Otto schreef mij naar aanleiding van de vorige post:

Herkenbaar. Het is ook een serieuze zaak. Want stel nou,
stel dat jouw treinstelnummer niet wordt genoemd? Niet bij
de treinstellen die doorrijden en niet bij de treinstellen die op
het station blijven. Waar ben je dan? Rijd je de stad wel binnen
waar je wilt uitstappen? Besta je eigenlijk wel?


Dat is natuurlijk precies de angstige opwinding die rond dat hele
treinstelnummeromroepen zweeft. Als mijn treinstelnummer er nu
eens een keer niet bij zit, wat dan! Ik ken mezelf nu een beetje,
dus ik weet al precies hoe dat zal gaan, op die ene kwade dag
die hopelijk nooit gaat komen.

Ik loop volkomen rustig met de meute mee het perron af, ik vraag
met kalme stem bij het loket om een strippenkaart, ik stap uiterst
beheerst in de bus, ik zie met heldere ogen de omgeving steeds
bosrijker worden, ik zwaai de chauffeur bij aankomst afgemeten
gedag en dan, dan werp ik me jammerend tegen de poorten van
het gesticht.

boven de schuifdeuren van uw compartiment

Zit je in de trein lekker naar buiten te kijken.
Heb je je jas alweer aangetrokken, want je moet er zo uit.
De trein mindert vaart.
Eén goedenmiddag dames en heren.
Over treinstellen die hier afgekoppeld gaan worden,
En over dat de trein gesplitst gaat worden.
En dus over de treinstellen met de nummers 3418 en 2210.
Maar het kunnen ook andere nummers zijn.

Ik probeer dan altijd naar buiten te blijven kijken.
Gewoon rielekst de city binnenrijden. Want ik moet er toch zo uit.
Niks mee te maken dus waar die trein verder nog heen moet.

Lukt mij nooit.
De ene keer duurt het vijf seconden, de andere keer tien.
Ga ik met mijn voet wiebelen, om de onrust te bestrijden.
Mezelf afleiden met een boom. Tel de schoorstenen, jacq.
Soms duw ik mijn gezicht met mijn ene hand naar het raam.
Maar mijn gezicht duwt harder terug.

Want uiteindelijk is er geen redden aan.
Ik móet meekijken met de treinstelnummers.
Dat jouw treinstelnummer door de intercom schalt.
Dat is ergens toch een soort bevestiging van je bestaan.
Ja, ik zeg het maar gewoon zoals het is.

15 maart 2004

au!

'Ik zal echt nooit iemand schaden, weet je', zei het meisje.

Plompverloren was het woord.
'Huuh ... oké', zei de jongen.
'Lukt me echt niet, mensen schaden', zei het meisje.
'Sja ehm', zei de jongen.
'Ik kán het gewoon niet!', riep het meisje.
Zij trok haar schouders op.
Zij was blijkbaar machteloos.

Ze deed me een beetje denken aan de meisjes in alle Leni Saris-boeken (may she rest in peace), die ook vaak zomaar ineens tirades over rare onderwerpen begonnen, terwijl daar geen enkele aanleiding toe was en niemand er iets over gezegd had. Over seks voor het huwelijk, bij voorkeur. Kreeg je van die dialogen als:

'Eet smakelijk', zei Ferdinand. 'Ja ja, jij denkt toch zeker niet dat ik zomaar met jou ga ... ga ... hókken, of zoiets!, kefte Annabelle. Ferdinand keek verbaasd. En toen grinnikte hij geamuseerd. 'Ja, mág ik alsjeblieft!', riep Annabelle.

'Iemand schaden? Ikke niet!', riep het meisje.
Ik bekeek haar eens goed. Ik geloofde haar niet. Je hoefde maar één blik op dit meisje te werpen om te zien dat ze het in zich had: mensen schaden. De meeste meisjes hebben dat niet. Dit meisje wel. Dit meisje had iets uitgesproken genieperigs over zich. Zucht naar macht. En ook iets heel egocentrisch. Ik kon de mannen in haar verleden én toekomst al heel hard 'au!' horen roepen. Ik heb die gave.

'Ik kán het gewoon niet', herhaalde het meisje.
'Zeggeh', zei de jongen.
Hij had er genoeg van, dat zag ik aan zijn rug.
'Ja nou, mág ik alsjeblieft!', riep het meisje.
'Eet smakelijk', besloot de jongen.
Hij grinnikte geamuseerd.

Maar van waar ik zat, kon ik hem in de toekomst al au horen roepen.

13 maart 2004

schielijk

Dat je overdag iemand ziet fietsen. En dat je ziet dat diegene zijn licht aanheeft. Ik bedoel dus het fietslicht, niet een licht op iemands hoofd of zo. En dat je dan eigenlijk, als je je natuur opvolgt, wilt roepen: 'Hee! Je fietslicht brandt!' En dat je dan al bij voorbaat een beetje
helemaal warm van binnen wordt, omdat de fietser met die informatie heel blij zal zijn. De fietser dacht namelijk al de hele tijd nare dingen. De fietser dacht bijvoorbeeld: sjongejonge zeg, 't is net of ik lood in de benen heb zitten. En: wat is dat met mijn conditie! En uiteindelijk natuurlijk ook dit: heb ik een ziekte, ga ik binnenkort sterven!? Wie wil ik op mijn begrafenis!

Die blijdschap als ze dan van mij horen dat het gewoon hun fietslicht was! De blik richting dynamo en dan die opluchting. Dat is nog eens een gewoon, aardig iemand, zoals je ze nog maar zelden tegenkomt, zal de dankbare fietser denken. Zo ga ik in het vervolg óók met mijn medemens om, zal de dankbare fietser besluiten. En zo zou de wereld langzaam maar zeker een stukje mooier worden.

In theorie dan. Ik begrijp niet wat het is. Elke keer als ik overdag een fietser met het licht aan zie, dan adem ik diep in, steek een hand op en mijn mond zegt 'H...!'. En dan stok ik. Waar ben je bang voor Jacq. Ja nergens voor. Kom op, je móet ergens bang voor zijn, anders is 't niet leuk, Jacq. Nou ja oké dan, misschien ben ik wel bang dat die fietser zegt: 'Flikker een eind op dombo, dat maak ik zelf wel uit!!!!!' En misschien zíjn er ook wel fietsers die so wie so altijd graag hun licht aanhebben. Vanuit een stukje fietsersgeldingsdrang. Een statement, om zich te onderscheiden. Net als toen ik een racefietsachtige fiets had - toen vond ik ineens ook alle gewone fietsen verwerpelijk. Zou kunnen dat dat met het fietslicht ook zo werkt.

Dus als jullie wel eens iemand op straat 'H...!' hebben horen roepen met opgestoken hand, en dat die iemand daarna dan die hand weer schielijk liet zakken, dan zou ik het dus kunnen zijn.

12 maart 2004

jacq gaat nú even een backupje doen

'Met Anna, ik bel even over mijn computer' [...]
'Uhuh' [...]
'Uhuh' [...]
'Uh ... hoe bedoel je dat?' [...]
'En dat gaan jullie nu maken, toch?' [...]
'Hoezo nee' [...]
'Ja maar wacht even dat kan toch ...' [...]
'Hoezo moet ik me rustig houden!!!' [...]
'Nah ik geloof het gewoon niet!!!!!!!' [...]
'Joh maak me niet gek hè!!!' [...]
'OMDAT MIJN HELE LEVEN DAARIN ZIT!!!!!'

de wil van de dingen

Een tijdje terug vond ik opeens een keukenmes in de rechterjaszak van mijn winterjas. Wel uit mijn eigen keuken, maar er zit toch iets onbehaaglijks aan zoiets.

Ik moest daaraan denken toen ik vorige week de volgende ontdekking deed. Pas in de trein terug, na de bespreking met de psycholoog, de pedagoog en de filosoof, viel het mij op dat er een grote bobbel (jaa kom maarrr op met die hits!) in mijn tas zat. Ik schrok. Toch niet Boris V.? Nee, die zou allang iets hebben laten merken. Of juist expres niet, want zo was hij ook wel weer. Ik sloeg eens op de bobbel. Au, hard. Ik zipte de rits van mijn tas open. En toen trok ik aan de lange antenne mijn vooroorlogse huistelefoon uit mijn tas. Ja, wacht, het was al wel een draadloze, want ik zie jullie denken: jeetje, zoiets mérk je toch, dat je zo'n draad achter je aansleept? Nee, het was dus al wel een draadloze, maar zo ongeveer de eerste die destijdsch in Nederland op de markt kwam. Een immens apparaat, waar iedereen zich nu een breuk om lacht. Maar ze komen vast terug in de mode en daar wacht ik op.

Maar daar gaat het nou niet om. Wat mijn huistelefoon in mijn tas deed, daar kwam ik niet uit. Ergens in een hoekje van mijn geest denk ik dan triomfantelijk: zie je wel dat dingen een eigen wil kunnen hebben? Maar het is beter om daarover niet te spreken. Voor je het weet zit je ergens waar je niet uit mag.

11 maart 2004

dan wens ik u een prettige avond verder

Telefoonstem: 'Vindt u het belangrijk dat uw huis veilig is?'
Jacq: 'Mwoah'

10 maart 2004

de vogel en de evolutie

Ik fietste zojuist langs het ziekenhuis. Op de stoep ertegenover zat een vogel die aan zijn linkerkant beduidend meer veren had dan aan de rechterkant. Terwijl ik langzaam doorfietste, stond ik even stil bij de vogel. Ik dacht: zit deze vogel gewoon even op de stoep te chillen of kan deze vogel niet meer vliegen? Of kan die het nog wel, maar alleen nog maar scheef? Moet links de zwakke rechterkant zien te compenseren en word je daar dan doodmoe van als vogel? Of geeft het niet zo heel erg, als je als vogel veren kwijtraakt? Groeien veren ook weer aan? Of is deze vogel tot aan zijn dood veroordeeld tot scheef vliegen en/of veel op de stoep zitten chillen of doen alsof je zit te chillen? En gaat deze vogel in dat geval spoedig dood wegens het ontbreken van tafeltje dekje in de vogelwereld?

Uit de draaideur van het ziekenhuis kwam een man met een gipsbeen. Hij liep niet zo makkelijk. Maar hij keek heel vrolijk. Over een week of zes zou alles weer bij het oude zijn. Vroeger, in de middeleeuwen, dan ging je dood aan gebroken benen. Tenminste, ik hoop dat dat klopt, ik heb het ooit eens ergens opgevangen. In elk geval kwam het nooit meer goed met een gebroken bot. Je was dan gewoon veroordeeld tot zitten op de stoep, want chillen deed men toen nog niet. Als je het wel deed, werd je heel raar aangekeken. En je wachtte tot je dood ging.

Ik wou hier nog iets mee zeggen, met dit stukje. Ik kom er alleen niet meer op. Volgens mij wou ik eindigen met de vogel. Het had ermee te maken dat ik al langsfietsend dacht: jee, die vogelwereld, daar is de afgelopen tigduizend jaar ook niet veel in verbeterd. Vroeger ging je dood als je vleugel kapot was. En nu nog steeds. Als je tenminste niet door de een of andere weirde dierenambulance wordt gespot, natuurlijk. Waarom hebben de vogels er in de loop der tijden nooit eens zelf iets op gevonden? Wel eens gehoord van evolutie, vogels?! Moeilijk woord, hè.

Nee, vogels mogen dan kunnen vliegen, maar voor de rest staan ze gewoon hartstikke stil.

09 maart 2004

jaldaldal, zong de irritante bakker

Hebben jullie dat ook wel eens, dat je dwars door iemand heenkijkt? Niet omdat je zelf zo begaafd bent, maar omdat de ander zo doorzichtig is?

'Jaldaldal', zong de irritante bakker (zie ook hier), terwijl het brood door de snijmachine ging. Hij ging over in een snerpend gefluit, terwijl hij het brood in een plastic zak deed. Hilversum drie bestond nog niet, maar ieder had zijn eigen stem. Maar eigenlijk floot de bakker dit: ik ben een vlotte bakker. Ik ben een vrolijke vlotte bakker. Ik ben een vrolijke, vlotte bakker en ik onderstreep dit door geheel op mijn gemak een mopje te fluiten. Wat dacht de irritante bakker: dat de klanten thuis tijdens de lunch boven hun beker melk tegen elkaar zouden zeggen: 'Oooh, wat was de bakker weer vrolijk vanochtend zeg!'? En dat ze dan vertederd zouden glimlachen om die olijke kerel die hun leven elke dag een stukje blijer maakte? Een schappelijke vent was 't ook!

Ik had veel zin om hem uit de droom te helpen. Ik had veel zin om te zeggen: 'Bakker, shut the fok up want anders zwaait er wat!'. Maar daarvoor zaten mijn lippen te stijf op elkaar. De bakker ondertussen zat ook niet stil. Hij maakte zijn gezicht klaar voor de volgende jolige vraag, die onvermijdelijk zoiets zou worden als: 'En .... gaan we der nog een ander lekkerrrrr broodje bij doen!?!?' Ik was hem voor. 'ZO, DAT WAS HET!', riep ik. De bakker moest zijn geinterrumpeerde gezicht weer terugplooien en dat viel hem niet mee. Ik keek echter ijskoud in zijn al net zo koude ogen. Vrolijk en vlot, my ass. Leer mij de irritante bakker kennen.

'Paaaarima de lima!!', zong de bakker. 'Dat is dan drie eurootjes en vijf tig centjes, als het jou belieft!' Toen gooide ik de bakker het geld naar de kop. Huilen dat de bakker moest!

[Dat is nog eens een tof einde van zo'n weblogstukje, of niet soms!]

08 maart 2004

just say no

Ik had er dus gewoon echt geen zin in en ik gooide het op mijn vriend.

'Mijn vriend heeft het dus echt gru we lijk druk', zei ik. Ik tuitte mijn lippen en schudde mijn hoofd lichtjes. Op deze manier wou ik de ernst van de situatie benadrukken. 'Maar is het niet juist enorm ontspannend voor hem om er dan even tussenuit te breken?', zeurde de persoon waarin ik geen zin had. 'Ach je weet hoe dat gaat hè, hij wordt gevraagd voor dit en voor dat en iedereen heeft hem nodig', zei ik, naar waarheid overigens. Mijn vriend is boeming bisnis deze dagen. 'En hij kan zo slecht nee zeggen, hè' voegde ik eraan toe. Dát was een aperte leugen. Alleen al omdat apert een mooi woord is.

'Dat lijkt me niet gezond', zei de persoon waar ik geen zin in had. Er was geen weg meer terug. Ik moest nu door. Tot het bittere einde. 'Nee, dat is het ook niet', zei ik met een bezorgde blik waarin ook iets moedigs school. Ik was dan toch maar de vriendin van de man die een workaholic was en dat was soms best zwaar. Het eten dat verpieterde. De avonden alleen. 's Nachts in een koud bed. 'En dan 's nachts ineens wakker worden omdat hij in zijn slaap roept: ga nu allemaal eerst eens van mijn toetsenbord af!!!', verzon ik. Het was dat Tammy Wynette er was, maar anders!

'Ik heb pas in september weer plek in mijn agenda', zei de persoon waarinik geen zin had. 'Het is echt zo rot als mensen op het laatst gaan zitten afbellen', zei de persoon waarin ik geen zin had. Dus toen kon ik niet anders. 'Vergeet wat ik heb gezegd, zei ik. 'We zullen er zijn'.

'Wát!!?', riep mijn vriend.
'Nou ja, gewoon een béétje dan', smeekte ik.
'Ja, ik ga daar dus écht niet zitten doen alsof ik half overspannen ben', schreeuwde mijn vriend. 'En dat alleen omdat jij niet normaal nee kan zeggen!'

'Ja, hou dit vast, die blik, die stem', zei ik.
Volgens mij ging dit lukken.

07 maart 2004

liefde is ...

Dat de man een peer schilt voor de vrouw.

05 maart 2004

het schitterende gebit van de filosoof

Het overleg begon wat laat. De psycholoog was er. De pedagoog was er. De socioloog was er. Althans: ík was er en ik ging door voor socioloog. Ik had al vaker gezegd dat ik geen echte socioloog was. Maar het scheen dat niemand dat echt hoorde. Ik liet het er verder maar bij, hoewel ik soms de aanvechting kreeg om het er toch weer even over te hebben. Straks waren we in een beslissende fase van het overleg. En dan zou er iemand zeggen: wacht even Jacq, ben jij nu wel of niet een echte socioloog? En dan zou ik zeggen: ja hallo, dat roep ik nu al de hele tijd, dat ik geen echte socioloog ben. Dat ik wel een wetensch... Maar ze zouden me peinzend
aankijken en een beetje medelijden hebben. Waarom had ik hen voorgelogen? Jammer dat het zo moest lopen. Tot ziens, Jacq.

Iedereen was er. Behalve de filosoof. Dat was natuurlijk grappig. Oh, die zit zeker in gedachten verzonken ergens aan het water, zei de pedagoog jolig. Dat had ik willen zeggen, maar ik was net te laat. Dus toen zei ik maar: ja, hahaha! De werkelijkheid was overigens nog erger. 'Sorry, sorry', zei de filosoof hijgend, toen hij eindelijk aanschoof. Had zijn eerste trein gemist en was in de tweede per abuis in Hilversum uitgestapt. 'Omdat een heleboel mensen daar uitstapten'. Zo'n filosoof toch, lachten wij. De filosoof lachte ook, en niet eens zuinig. Zijn mond ging wijd open en wij zagen zijn schitterende gebit. Zowat tot aan zijn verstandskiezen. De filosoof was er duidelijk al heel lang aan gewend dat hij een echte filosoof was, en hij had er vrede mee.
Zoiets is nou ook wel eens mooi om te zien.

04 maart 2004

huishoudelijke mededeling /2

Uit de nieuwsgroep van mijn provider:

lag de klerezooi er weer uit help desk gebeld we zullen ff alls doorlopen ja ja is al ruim een hele maand een tering zooi en blijven ontkennen sorry maar zit me erg hoog dat gehele wan produkt, halveer me geld maar is

oké, alle mensen die mij gemaild hebben en nooooooit meer iets terughoorden en dachten tering zeg die jacq dat is ook een trut ze mailt niet eens terug nou die mensen die zou ik dus willen vragen of ze mij nog eens willen mailen zo van heee lang niks gehoord want waarschijnlijk heb ik hun hen hun dus wel gemaild maar is de mail dus nooit aangekomen doei

huishoudelijke mededeling
Het schijnt dat dit weblog niet voor iedereen lekker leest.
Heb ik het nog niet eens over inhoudelijk maar gewoon
qua afbrekingen, één woord op een regel en zo. Ik heb zelf
nergens last van (niet in Netscape en niet in IE) en ga fluitend
door 't leven. Maar wie denkt: ja, wat een RUK-layout, die maile
mij even via 't formulier svp. Haal ik er een man bij.
Alvast bedankt.

03 maart 2004

dialoog, interrupted

Ze leken wel gecast voor een film. Maar als ze in een film hadden gezeten, had iedereen gezegd: neh, het ligt er nét iets te dik bovenop. Zulke mensen bestaan niet in het echt. En de regisseur had dan waarschijnlijk herhaaldelijk heel hard CUT geroepen en gevraagd of ze iets meer ingehouden konden acteren. Maar ze zaten niet in een film. Ze bestonden gewoon in het echt.
Ze zaten in de trein naar Utrecht. Er er zat slechts een gangpad tussen mij en hen.

Het waren een man en een vrouw en ze waren oud. Echt oud. Stokoud, zeg maar. Stokoud, en de dagen zat. De vrouw hing onderuit tegen het raam, haar benen die in een bruinige panty waren gestoken (met geweld, gezien de ladders) wijd voor zich uit. Zwarte haren op die benen. De man zat tegenover haar. Ook zwarte haren, maar dan uit zijn neus. De man zat kaarsrecht. Zo kaarsrecht dat je zou kunnen denken: hee, die is dood. Maar hij bewoog zijn lippen en was daarom waarschijnlijk gewoon nog levend.

Er zat slechts een gangpad tussen mij en hen. Dus ik had ze gewoon kunnen volgen in hun ganse dialoog die ongetwijfeld volkomen geschift van aard was. Soms voel je dat, van een afstand. Bovendien, want laten we er niet al te interessant over doen, is bijna elke dialoog een geschifte dialoog, zodra iemand hem opschrijft. Zo uit de mond lijkt het nog wat, maar als het op papier staat lijkt het al snel of men in een absurdistisch theaterstuk is beland. Er zouden heel wat huwelijken gered worden als er een notulist bij ruzies aanwezig was geweest. Het geschater zou niet van de lucht zijn! Dit is een theorie van mij waarop we hier nu verder niet op in hoeven gaan.

Er zat slechts een gangpad tussen mij en hen. Ik had gewoon op mijn gemak mee kunnen schrijven, omdat oude mensen nu eenmaal niet zo snel praten. In mijn afluistercarrière zou dit er eentje van de categorie easy listening zijn geweest. Heel anders dan veel andere afluistermomenten waarbij ik uiteindelijk gedesillusioneerd achterbleef, met onleesbare hanepoten. Dan had je alles willen meepikken, maar hield je op 't eind alleen wat flarden over.

Maar ik had nog niet verteld wie er tegenover mij zat. Tegenover mij zat een jongen. Een onbeduidende jongen, eigenlijk. Maar typisch zo'n onbeduidende jongen waarvan je kunt zeggen: ja, hij ziet er onbeduidend uit, maar ondertussen. En inderdaad hoor. Want de onbeduidende jongen had een broodje gekocht. En dat broodje, dat zat in een plastic zakje. Niet in een gewoon, gematigd plastic zakje. Wel in zo'n superknisperig plastic zakje. En de jongen kon daar maar niet vanaf blijven.

Er was geen proberen aan. Geen wóórd heb ik kunnen verstaan van het geschifte oude echtpaar. Geen wóórd! Ik zou natuurlijk iets kunnen verzinnen maar dan zegt iedereen: neh, het ligt er nét iets te dik bovenop. En misschien ging het wel nergens over. Waar praat je nog over als je stokoud en de dagen zat bent? Misschien wel nergens over.

- wat zeggie
- hoe bedoel je
- hoe bedoel ik wat
- wat je zegt
- niks hoezo
- hoezo wat
- wat is wat
- hou es op

Maar goed, het punt is: we zullen het nooit weten. Misschien heb ik iets wonderschoons gemist. Iets wonderschoons uit het echte leven. Waar niet tegenop te verzinnen valt. Wel, dit nu vervult mij met een vaag bedroefd gevoel.

de lijnen zijn gesloten
En jacq heeft tien punten!

Bedankt lieve mensen, lieve mensen, bedankt! En nee, er
zijn geen prijzen aan verbonden. De term naastenliefde,
zegt die jullie iets?! Aan de andere kant: als júllie eens iets
hebben waar je niet uitkomt, dan ben ik er. Dan sta ik
dag en nacht voor je klaar. Zeker als het een leuk onderwerp
is, zoals liefdesverdriet of ziektes of zo.

Oh ja, voor hen die gister ook voor de fok niet wisten wat
het voor fokking liedje was: het was dus het nummertje
Hooooow long (has this been going on). En het is van Ace,
hetgeen die suffe tennisfoto ook in 1 klap verklaart.

Ga het fragment nog maar eens beluisteren: dan roep je direct:
ooooh, haha, die weet ik! Gek hè.

02 maart 2004

samen muziek luisteren
Ik kan er niet meer tegen!
Ik word gek!
Ik kom er niet op!

Eerst had ik nog principes.
Zo van: ik moet het alléén doen, weet je.
Maar nu denk ik: fuck de normen en waarden.
Ik moet het gewoon weten.
Ik moet scoren.
Ik moet punten van Timmie.
Veel punten.

Luister naar dit fragment en sein mij telepaties in welk nummer dit voor de fok is! Als je 't ook zo 123 456 niet weet, check dan ook nog even de hint. Waar ik persoonlijk dus niks mee kon.

Telepatische overdracht graag langs deze mij onsympathieke weg.

01 maart 2004

hiken en biken en al die andere dingen

'Hoe kom ik toch aan zo'n verschrikkelijk watje als vriendin?', vroeg mijn vriend gistermiddag, tijdens onze korte wandeling. Dat was een goede vraag, het was een logische vraag en het was een vragenswaardige vraag. Ik besloot echter direct te gaan pruilen. Dat doe ik wel vaker bij goede vragen. Ik bedoel: je zit er gewoon niet op te wachten.

Het was een behoorlijke pruil, al zeg ik het zelf. Met mijn volle onderlip eruit en zo. Maar mijn vriend merkte hem niet op. Hij staarde naar de wolkenloze blauwe hemel, alsof daar het antwoord dadelijk uit zou komen vallen. Ik geloof dat er bijna niets erger is dan pruilen en dat dat dan niet wordt opgemerkt door degene voor wie je aan het pruilen bent. Ik had mijn vriend het liefst een stomp gegeven, maar we waren in de openbare ruimte. En stompen doe je niet in de openbare ruimte. Tenminste: nooit overdag. Ik gooide er daarom een schepje bovenop. Niet op hem, wel qua pruilen. Ik deed iets met mijn neus waardoor ik leek op een weeskind met zonder zakdoekjes. Ik kreeg er zelf een beetje tranen van in de ogen. Die kwamen best van pas. Maar nog bleef mijn vriend vaag de hemel in staren. Hij volgde de streep van een vliegtuig. Toen ging ik een beetje de fout in. Maar dat kwam: ik had haast. Zometeen waren mijn tranen weg. Ik schreeuwde: 'HALLOHO!!!' en wees op mijn gezicht. Zoiets is natuurlijk een zwaktebod, maar bij sommige mannen kan men niet anders.

Mijn vriend keek alsof hij ergens de grap van inzag. Ik zou niet weten waarvan. Ik snoof wat harder. 'Ben je verkouden geworden', vroeg mijn vriend. Dat was mijn startsein. Eindelijk. 'Dus jij wilt dat ik ga hiken en biken en AL DIE ANDERE DINGEN!!??', riep ik met overslaande stem. Ik kon zo snel geen andere sportieve activiteiten verzinnen. Ik wist al niet eens wat hiken was, als ik eerlijk was. Iets met blote benen? Biken wist ik heus wel, dat was met fietsen. En de reden dat het niet gewoon fietsen heette, was omdat het met modder en zand en heuveltjes was. Hoewel ik met gewoon fietsen ook wel eens was weggegleden in het mulle zand. Ik had toen een tijdlang de bus gepakt. Mul zand is echt vreselijk, ik wens het mijn ergste vijand niet toe. 'En KLIMMEN?!', riep ik, want dat beeld had ik zojuist nog op mijn netvlies gekregen. Een kittig ding in korte broek, met allemaal touw om de benen. Hop, hop, hop, zou ze van de klimmuur of de Mount Everest afzeilen. Mijn vriend zou bewonderend toekijken. Hoe kom ik toch aan zo'n
sportieve vriendin, zou hij zich dankbaar afvragen. En ze had nog een warm en lief karakter ook. 'Ik mag hopen dat het touw BREEKT!', fluisterde ik.

Mijn vriend kneep met een koude hand zacht in mijn nek. 'Kom pop, we zijn er bijna, zei hij. 'Oh, ik had nog best een eind gekund hoor', zei ik dapper. Ik probeerde nog te blijven pruilen. Maar mijn onderlip wou niet. Net was ik er nog heel goed in, maar nu niet meer.