het kaartje en de conducteur
'Goeionochtend', zei de conducteur.
'Goeionochtend conducteur', zei ik.
'Oh, uno momento', voegde ik daaraan toe.
Ik had haast gehad bij de kaartjesautomaat. Dat feit was op zich onbegrijpelijk. Ik was ruimschoots op tijd geweest, maar ineens was het vier minuten later dan het eerst was. Ik had geen idee waarom. Had ik een black out van vier minuten gehad? Was mijn loopje naar de kaartjesautomaat langzaam en slepend geweest? Hadden mijn ogen zich gehaakt aan die van een knappe jongeman, zodat de tijd even had stilgestaan, maar dan slechts in mijn eigen hoofd? Ik kon het mij niet herinneren. En waarom voel ik toch zo de aandrang om het kaartjesautomaat te schrijven? Hoe dan ook, het was ineens vier minuten later. En vier minuten mogen dan vier minuten zijn - op treinstations zijn minuten uren.
Ik ben niet goed in haast. Haast doet met mij dingen die niet fijn zijn. Haast doet mij welhaast vergeten wie ik ben. Zeker, ik had een kaartje gekocht. Waarheen, daarvoor kon ik niet instaan, natuurlijk. Maar ik hád een kaartje gekocht. Wat ik er daarna mee had gedaan, ook daarvoor kon ik niet instaan. Natuurlijk niet. Ik wist nog maar één ding: ik had het op een rennen gezet. Struikelend over deze en gene en mijn eigen voeten was ik de trein ingehijgd. En daarna was ik ergens neergeploft en had ik mijn ogen gesloten. Ik gaf deze dag een tweede kans, had ik besloten. Ik ging opnieuw slapen en daarna wakker worden.
Ik keerde mijn portemonnee om.
Ik vond een heleboel treinkaartjes.
'Wat voor dag is het vandaag', vroeg ik aan de conducteur.
'Nou, dit duurt dus nog wel even', zei de conducteur.
Met een plof plofte hij tegenover mij neer.
Het was duidelijk een dag van ploffen.
Er zaten alleen maar kaartjes van oktober in de stapel kaartjes die ik uit mijn portemonnee had geschud. Ik wist niet veel, maar ik wist dat het november was. Ik beklopte mijn lichaam, alsof het kaartje dan ineens van tussen mijn kleren tevoorschijn zou komen. De conducteur wees naar de berg kaartjes. Ik keek mee en zag het juiste kaartje. Soms zijn dingen helemaal niet kwijt, alleen je denkt van wel.
Ik ademde uit.
Ik gaf het kaartje aan de conducteur.
Die knipte het.
Ik nam het terug.
Zou het een herfstblad zijn?
Ah! Nee.
'Bush of Kerry', zei de conducteur.
Hij deed of hij mij een microfoon voorhield.
'Kerry', zei ik.
'Tachtig procent van de mensen zegt Kerry!', riep de conducteur.
'Dus laten we het hopen', zei de conducteur.
'Het is al voorbij', zei ik.
'Bush heeft al gewonnen', zei ik.
'Dat meen je niet!', zei de conducteur.
Hij keek of hij het kaartjesknippen er direct aan wou geven.
En de rest van zijn leven ook.
'Misschien is het nog niet zeker', suste ik.
Hoop vlamde op in de ogen van de conducteur.
'Maar ik denk toch van wel', zei ik.
Zijn rug zakte in.
'Hoewel je weet maar nooit?', zei ik.
Ik ben nooit goed geweest in slecht nieuws-gesprekken.
'Sjezus', zei de conducteur.
Maar hij was al weer door gelopen.
Dus of ik nou nog wat terug zei of niet, hij zou het toch niet horen.
Ik deed mijn ogen dicht.
De dag zou dadelijk pas beginnen.
'Goeionochtend conducteur', zei ik.
'Oh, uno momento', voegde ik daaraan toe.
Ik had haast gehad bij de kaartjesautomaat. Dat feit was op zich onbegrijpelijk. Ik was ruimschoots op tijd geweest, maar ineens was het vier minuten later dan het eerst was. Ik had geen idee waarom. Had ik een black out van vier minuten gehad? Was mijn loopje naar de kaartjesautomaat langzaam en slepend geweest? Hadden mijn ogen zich gehaakt aan die van een knappe jongeman, zodat de tijd even had stilgestaan, maar dan slechts in mijn eigen hoofd? Ik kon het mij niet herinneren. En waarom voel ik toch zo de aandrang om het kaartjesautomaat te schrijven? Hoe dan ook, het was ineens vier minuten later. En vier minuten mogen dan vier minuten zijn - op treinstations zijn minuten uren.
Ik ben niet goed in haast. Haast doet met mij dingen die niet fijn zijn. Haast doet mij welhaast vergeten wie ik ben. Zeker, ik had een kaartje gekocht. Waarheen, daarvoor kon ik niet instaan, natuurlijk. Maar ik hád een kaartje gekocht. Wat ik er daarna mee had gedaan, ook daarvoor kon ik niet instaan. Natuurlijk niet. Ik wist nog maar één ding: ik had het op een rennen gezet. Struikelend over deze en gene en mijn eigen voeten was ik de trein ingehijgd. En daarna was ik ergens neergeploft en had ik mijn ogen gesloten. Ik gaf deze dag een tweede kans, had ik besloten. Ik ging opnieuw slapen en daarna wakker worden.
Ik keerde mijn portemonnee om.
Ik vond een heleboel treinkaartjes.
'Wat voor dag is het vandaag', vroeg ik aan de conducteur.
'Nou, dit duurt dus nog wel even', zei de conducteur.
Met een plof plofte hij tegenover mij neer.
Het was duidelijk een dag van ploffen.
Er zaten alleen maar kaartjes van oktober in de stapel kaartjes die ik uit mijn portemonnee had geschud. Ik wist niet veel, maar ik wist dat het november was. Ik beklopte mijn lichaam, alsof het kaartje dan ineens van tussen mijn kleren tevoorschijn zou komen. De conducteur wees naar de berg kaartjes. Ik keek mee en zag het juiste kaartje. Soms zijn dingen helemaal niet kwijt, alleen je denkt van wel.
Ik ademde uit.
Ik gaf het kaartje aan de conducteur.
Die knipte het.
Ik nam het terug.
Zou het een herfstblad zijn?
Ah! Nee.
'Bush of Kerry', zei de conducteur.
Hij deed of hij mij een microfoon voorhield.
'Kerry', zei ik.
'Tachtig procent van de mensen zegt Kerry!', riep de conducteur.
'Dus laten we het hopen', zei de conducteur.
'Het is al voorbij', zei ik.
'Bush heeft al gewonnen', zei ik.
'Dat meen je niet!', zei de conducteur.
Hij keek of hij het kaartjesknippen er direct aan wou geven.
En de rest van zijn leven ook.
'Misschien is het nog niet zeker', suste ik.
Hoop vlamde op in de ogen van de conducteur.
'Maar ik denk toch van wel', zei ik.
Zijn rug zakte in.
'Hoewel je weet maar nooit?', zei ik.
Ik ben nooit goed geweest in slecht nieuws-gesprekken.
'Sjezus', zei de conducteur.
Maar hij was al weer door gelopen.
Dus of ik nou nog wat terug zei of niet, hij zou het toch niet horen.
Ik deed mijn ogen dicht.
De dag zou dadelijk pas beginnen.
