you have to laugh at yourself,
because you'd cry your eyes out if you didn't [*]






18 januari 2012

het neerdwarrelen van jacq

"Héél even over mijn haar", zei ik tegen kapster T. die knipte zoals ze praatte: veel. Heel veel. Ze hoorde me niet. Een waterval van woorden kletterde uit haar mond, terwijl een waterval van blonde haren naast mij op de grond neerdwarrelde.
Ik had er een tijdlang via de spiegel naar gestaard omdat het zo'n mooi gezicht was, totdat ik had beseft dat het mijn eigen haar betrof. Waarmee ik straks weer verder moest leven, terwijl kapster T. al lang weer haar waterval zou laten kletteren bij de volgende klant. En de volgende. En alle klanten daarna. En tijdens het avondeten tegen haar nieuwe vriend want haar man had haar verlaten, of nou ja verlaten, hij had haar bedrogen met een Franse vrouw en toen had zij gezegd als je dat nog eens doet en hij had het nog eens gedaan en nog eens en toen nóg een keer en en toen was hij nooit meer teruggekomen. En ook als kapster T. en haar nieuwe vriend na het avondeten tv keken, ook dan zou de waterval van kapster T. gewoon doorgaan, en in bed zou hij haar proberen te strelen want waarom ben je dan eigenlijk als man en vrouw bij elkaar, ja precies, maar ze zou hem op armlengte van zich af houden omdat haar mond niet stil kon staan, en zelfs als de nieuwe vriend van kapster T. allang zou slapen (of zou doen alsof), zelf dan zou haar mond niet stilstaan - tot het moment dat zelfs bij kapster T. het licht zou uitgaan, zij zich op haar rechterzij zou draaien en in één klap in het soort extreem diepe slaap zou donderen dat dat slag mensen nu eenmaal nodig heeft.
Terwijl ik in diezelfde nacht met wijdopen ogen in het donker zou liggen staren en tevergeefs zou proberen het haar bij mijn schouder te vinden.

"Zeg, héél even over mijn haar", zei ik tegen kapster T.
"Maar dat kun je natuurlijk nooit of nauwelijks want gisteren nee dat lieg ik", zei kapster T. terwijl ze achter me kwam staan en het overgebleven haar opschudde alsof het een pan kruimige aardappels was die net was afgegoten. We keken samen in de spiegel. Ik deed mijn ogen dicht. Het was knalzwart van binnen. Ik deed mijn ogen open. Kapster T. bewoog haar mond nog steeds en ik had haar op zich wel een klap kunnen geven maar ik werd gehinderd door het besef dat er in het leven van kapster T. waarschijnlijk maar twee mogelijkheden waren: doorpraten of ter plekke dood neervallen. En als de zaken er bij de ander zo voor staan, wie ben jij dan om zo iemand een klap te geven. Dus ik deed van binnenuit mijn oren dicht en zo kreeg ik het met enige moeite voor elkaar de volgende gedachte te formuleren die dan vooral over mijn eigen leven ging: kop op moppie, het groeit wel weer aan.

Share |



13 december 2011

de wazigheid van jacq

Het was een wazige toestand waarin ik mij bevond, toen ik me contactlensloos slingerend op weg naar de opticien begaf. De wazige toestand bevatte een combinatie van nou ja wazigheid dus en scherp besef van living on the edge aangezien ik elk moment kon worden geschept door tegemoetkomend, achteropkomend en links- of rechtsdraaiend verkeer.
Je leven wordt een stúk intenser als de kans aanwezig is dat het elk moment voorbij kan zijn, dacht ik, terwijl ik automatisch in de handremmen kneep voor een of ander driehoekig object dat zomaar overstak. In die zin zit er toch wel iets van waarheid in motto's als ‘leef elke dag alsof het je laatste is’, hoewel ik me ook weer kon voorstellen dat dat bij uitstek een bijzonder uitputtende deadlinedag zou worden, met heel veel geregel en papierwerkjes. En wat voor kist wil je, of wil je uitgestrooid op een veldje, en mogen de mensen stukjes doen. Aan de andere kant: zelf ben je toch al dood dus waar bemoei je je eigenlijk mee?!

“Zo. Heb je de lenzen wel uit”, vroeg de opticien.
(Ik leefde dus nog.)
“Jazeker, sinds gisteravond”, zei ik.
“Want anders kan ik de sterkte niet meten hè”, zei de opticien.
“Nee daarom heb ik ze ook uit hè”, zei ik.
“De meting is dan namelijk waardeloos”, zei de opticien.
“Ja daarom heb ik ze dus ook ET CETERA!!!”, zei ik en ik sloeg met mijn platte hand op de tafel terwijl ik mijn ogen tot kleine gemene streepjes kneep. Direct viel mij de psychedelische print van de blouse van de opticien op. Mannen met psychedelische blouses, wat vinden we ervan, dacht ik. Moest verder op worden doorgedacht, ik heb niet altijd direct het antwoord.

"Welke bril had je uitgezocht", zei de opticien.
Ik zette de bril op.
"Smaken verschillen", zei de opticien.
"Deze wordt het", zei ik.
"Nou ja, jij moet ermee lopen", zei de opticien.
"Oh nee ik ga er niet mee over straat", zei ik.
"Waarom neem je hem dan", zei de opticien.
"Ja wil je brillen verkopen of hoe zit het", zei ik.

De opticien keek sneu, voor zover ik dat kon ontwaren.
"Had jij iets anders in je hoofd dan", vroeg ik.
De opticien sprong op, zijn psychedelische blouse sprong op psychedelische wijze met hem mee.
"Deze bijvoorbeeld", zei de opticien en hij maakte aanstalten de bril bij me op te doen. Doen alle opticiens, vinden ze lekker, ontlenen ze genot aan.
"Ik zet hem even zelf op, okido", zei ik.
De opticien overhandigde me traag de bril en in het gebaar school een diep en onbevredigd verlangen.
"Sorry, mijn oren zijn ongelijk, ik móet dit daarom zelf doen", zei ik.
"Iederéén zijn oren zijn ongelijk", zei de opticien verbolgen.
"Die van mij zijn ongelijker", zei ik.

Ik zette de bril op mijn ongelijke oren, ik boog me voorover en keek in de spiegel. De opticien ging achter me staan en keek mee. De blouse nam de hele spiegel in beslag. Er moet toch íets zinnigs te zeggen zijn over mannen met psychedelische blouses, dacht ik. Ik drukte met mijn wijs- en middelvinger tegen mijn voorhoofd totdat het zeer deed.

"Haal die hand eens van je hoofd", zei de opticien.
"Ik vind het niks", zei ik.
"Nou ja, smaken verschillen", zei de opticien.

En ik keek via de spiegel naar hem en zijn psychedelische blouse en ik dacht: misschien komt het daar wel gewoon op neer. Smaken verschillen. Niks meer en niks minder. Jammer, dacht ik, want ik had de zaken wel eens scherper ontleed. Ik vroeg me af waarom ik zo onscherp was en of ik die ochtend misschien drugs had gebruikt. Maar ook dat stuk was wazig.

Share |



24 november 2011

de nagekomen berichten van jacq

1.
Beetje druk en dan had je ook nog die fokking mist erbij, ik raakte echt totaal achterop man. Alles gaat trager in de cloud, dat valt mij wel vaker op. Alsof je in een soort slow motion zit. En tegelijkertijd in een intermezzo, een impasse en een vacuum.
Hoe dan ook, in mijn hele leven heeft het nog nooit zó lang achter elkaar gemist. Van de week dacht ik: stel dat de mist nooit meer overgaat, wat dan? Het leek me vooral: onhandig. Zeker voor mezelf want ik word visueel al genoeg op de proef gesteld door onze lieve heer. En ik heb mijn huis uitgekozen op het uitzicht.
Maar ik denk dat het net zo gaat als met andere dingen die lang duren: op een gegeven moment weet je niet beter. En dan ga je je je er zelfs op een vage, ondefinieerbare manier aan hechten. Alla, het zal dan het soort hechten zijn dat ook gebeurt als je met zijn tweëeen tig jaar in een veel te kleine gevangeniscel zit. Tegen wil en dank, met het nodige gevloek en her en der een vleeswond. Maar toch. Overleven doen we altijd, dat is de boodschap die ik jullie mee zou willen geven in deze tijd waarin verder alles wazig is.


2.
Ik moet nodig het nieuwe leesclubboek gaan lezen maarrrr de vorige keer had ik het leesclubboek per ongeluk veel te vroeg uit ipv te laat en toen had ik op het moment suprême geen idéé meer waar het over was gegaan. Ja, ok het liep slecht af, maar wij lezen natuurlijk literatuur dus dat zou je ook nog kunnen gokken. Voor het overige kwam ik niet veel verder dan: "Het was heel mooi, uh uh jaja het was zeker wel een mooi boek, hoe heet het." Dat is natuurlijk niet bepaald leesclubeske taal, daarvoor kun je zelfs in theorie worden geroyeerd bij De Zwarte Bladzijde - maar godzijdank hadden de meeste andere leesclubleden ook geen idéé meer waar het boek in kwestie precies over was gegaan en daarom hield een ieder zich gedeisd, kwam er veel instemmend gehum en werd de rest van de avond besteed aan roddel en achterklep, zoals mijn schoonzusje zou zeggen.


3.
Ik stond voor het verkeerslicht te wachten en ik stond daar en ik stond daar en IK STOND DAAR en alle andere rijbanen hadden al twee keer groen licht gekregen en wij nul keer. Ik snoof kort. Een soort van onraadsnuifje. Ik begrijp natuurlijk ook wel dat het niet zo is dat er ergens in een kamertje in de stad of godbetert de provincie een verkeerslichtmannetje op verkeerslichtknopjes zit te drukken van nu jullie, en nu jullie, maar ergens dacht ik dus wel van: kom op zeg verkeerslichtmannetje, nu zijn wij een keer aan de beurt! En ik dacht ook: hoe lang laten we dit voortduren? Vijf minuten? Vijftien minuten? Een kwartier? Maar dat is net zo lang als vijftien minuten alleen het voelt langer. En het gevoel zou gaan opspelen in onze sliert van wachtende auto's, het zou nog meer gaan opspelen, en nog meer. En op een gegeven moment zou het niet langer te harden zijn. Iemand zou het voortouw nemen, en ik kon op dat moment alleen maar hopen dat ik diegene niet zou zijn. Want degene die het voortouw zou nemen zou ervoor zorgen dat de hele sliert auto's zou proberen uit de sliert te geraken door ofwel dwars door het rode licht te rijden ofwel indien mogelijk te keren, hetgeen onmogelijk zou blijken. Het zou hoe dan ook een puinhoop worden en waarschijnlijk zou ik de schuld krijgen. Terwijl: ik bedoel het allemaal goed, om een van mijn exen te parafraseren.
Toen sprong ons licht op groen, en terwijl ik wegspurtte beving me het beeld van een kamertje in de stad waar iemand ontzettend op zijn donder kreeg en dat vond ik ook weer zielig.

Share |



25 oktober 2011

jacq en de depressieve hond /2

[Even naar beneden scrollen voor deel 1, of hier klikken.]

"En toen??", zei ik.
"Nou, dat zal ik je vertellen", zei N.

Op een morgen was N. beneden gekomen.

De hond, dezelfde die haar de afgelopen maand elke ochtend had begroet door op lethargische wijze langs haar heen te kijken, had bij de deur gestaan en zijn staart had gekwispeld.

"Euhm hallo?", had N. aarzelend gezegd.
En de hond had dan wel niet direct hallo teruggezegd want dat was misschien nog een klein beetje te veel gevraagd na een depressie van een maand maar hij had de kop schuin gehouden op de manier waarop alleen honden dat kunnen zonder debiel over te komen. Daarna had hij zich uitgerekt, zodat zijn teennagels over de vloer krasten. En daarna had hij nog een keer de kop schuin gehouden en daarmee wilde hij zeggen: "Nou, ik wil niemand opjagen maar wat staat er vandaag eigenlijk allemaal precies op het programma?!"

"Ongelofelijk!", zei ik schor, want geef mij één hond en één staart en ze kunnen mij opvegen.
"Ik denk dat die nacht tot een inzicht was gekomen", zei N.
"Welk inzicht dan", zei ik.
"Ja, dat weet ik ook niet, wacht ik heb een foto van hem", zei N.

En terwijl N. haar tas omkeerde, dacht ik aan de hond en de nacht en aan wat de hond ertoe had gebracht het licht te gaan zien.

Ik stel me voor dat de hond in die betreffende nacht had gehoord hoe het langzaam maar zeker stil werd in het huis. Dat hij vanaf de bank waar hij niet op mocht maar hij had begrepen dat dat alleen gold voor overdag om zich heen had gekeken naar de contouren van de spullen die in het huis stonden. Dat hij in een flard van intelligentie die honden heel soms overvalt had beseft dat diezelfde spullen er gisteren ook stonden, en de dag ervoor ook en de dag daar weer voor eigenlijk ook - dus dat de kans best groot was dat ze er ook morgenochtend weer zouden staan.
Dat de onrust die hem daardoor overviel, aanleiding was zich van de bank te laten glijden, naar het raam te lopen en de kop tussen de gordijnen te steken. Dat de maan die nacht helder had geschenen. Dat er net op dat moment een buurhond werd uitgelaten die normaal nooit zo laat werd uitgelaten maar er was een feestje geweest en de buurhond had zijn plas lang moeten ophouden. Dat de buurhond hem dankzij het schijnsel van de maan had ontwaard zoals hij daar stond, met de kop tussen de gordijnen. Dat de buurhond hem recht had aangekeken en hij de buurhond en dat zijn oren zich gespitst hadden en dat dat buiten hem om was gegaan (want het was niet alsof hij zin had gehad om zijn oren te spitsen). Dat hij de buurhond na had gekeken en dat er een huppel in de pas van de buurhond had gezeten die de hond op de een of andere manier had getroffen, terwijl (maar dat is niet belangrijk) de huppel in de pas van de buurhond puur gelegen lag in de overvolle blaas van diezelfde buurhond die pas bij precies de perfecte struik zou overgaan tot het doen van een bijzonder mooie en lange plas (maar ook dit doet er niet toe).
Ik stel me voor dat er, om het af te maken, een fruitvliegje traag aan was komen vliegen dat vanuit een onduidelijke maar typisch fruitvliegeske cirkelredenatie een daling had ingezet en op de neus van de hond was geland, zodat het ondraaglijk was gaan kriebelen en de hond zijns ondanks in de lach was geschoten.

Maar het kon natuurlijk ook zijn dat deze specifieke hond gewoon totaal niet in staat was een depressie langer dan 29 dagen vol te houden.

N. liet mij een foto zien van een glimlachende hond.
Ik wist niet dat het bestond.

"Ongelofelijk!", zei ik.
"Afijn, heel leuk dus, een hond", zei N.

Share |



22 oktober 2011

jacq en de depressieve hond

"Maar vertel, hoe is dat nou, een hond?", zei ik.

Want N. had zich een hond op leeftijd aangeschaft. Het was een goeie daad, het betrof hier een hond in nood. En dus logischerwijs een hond met een verleden - en in dat verleden zat ook een collega-hond of hoe noem je zo een situatie waarin twee honden samen in een huis wonen. Het waren geen broers. Vrienden? Nou ja whatever.

De eerste maand in zijn nieuwe huis was de hond depressief geweest, zei N. Er was hem lekker eten gegeven maar de hond at met lange tanden. Er was tegen de hond aan gepraat, maar de hond bleef zo'n beetje zuchten en naar een punt in de verte staren. Er was gewandeld en met stokken gegooid maar de hond sjokte naar de stok en spuugde hem daarna beleefd voor de voeten van N. uit.
Dus toen was er ten einde raad maar een keertje gegoogled op "depressieve hond". Op de site van de dog whisperer las N. de volgende oplossing: ze moesten de zaken gewoon een tijdje aanzien. Een prachtig advies. Alsmede het type advies dat feitelijk enorm voor de hand ligt maar je moet er maar net even op komen. Ook al omdat het een advies is waarmee je in de vijftiger jaren van de vorige eeuw dan misschien belezen voor de dag kwam, maar dat in schril contrast staat met hoe wij tegenwoordig gewend zijn de situaties die ons niet bevallen te handelen.

Hoe dan ook, het advies om de zaken gewoon een tijdje aan te zien had N. behoorlijk opgelucht, ook omdat het een advies betrof waarbij je dan verder weinig hoefde te ondernemen.

"En toen??", zei ik.
"Nou, dat zal ik je vertellen", zei N.

Op een morgen was N. beneden gekomen.

[wordt vervolgd]

Share |



3 oktober 2011

de verre heenheid van jacq

Het was zondag en dus helemaal geen dag om vervelende dingen te doen maar wie lag er bij de tandarts in de stoel, het was: ikzelf. Ik was daas van de verdoving. Ik was zelfs even bang geweest dat ik out zou gaan zoals bij mijn vorige tandartseresje dat zo abominabel slecht was in verdoven dat ik een keer zo van de stoel ben gelazerd maar goed, deze kon het op zich wel beter. Tenminste, ik bleef gewoon liggen.

En ik sloot mijn ogen want van sommige dingen is het beter dat je ze niet ziet.

"En nu... nu ga ik even wat chloor erin gooien", zei de tandarts.
"Ja echt hoor, chlóór!", riep de assistente.
"Chlóór dus", zei de tandarts.
"Hihi!", zei de assistente.
De tandarts hield zijn handschoenhanden in de lucht gestoken.
De assistente snoof opgetogen.
Iets zei me dat de tandarts en de assistente een reactie verwachtten. En ik overwoog nog een beleefde BWUUH!? maar ik bedacht me dat ik het allemaal niet wilde weten ook en ik deed 1 oog open en maakte een wegwuifgebaar.

Dus hij gooide er even wat chloor in en hop, daar dobberden we met ons drieën in een zwembad, de tandarts, de assistente en ikzelf. Het is heel grappig om je tandarts ineens in zijn zwembroek te zien. En de assistente in bikini. Ze waren allebei in het wit. Ik zwem veel te weinig, dacht ik en ik liet me langzaam zakken totdat het water zich boven mijn hoofd sloot. Ik opende mijn ogen en ik zag vier watertrappelende benen. Die van de assistente waren mollig, bij elke trappelbeweging golfde het vet nog een tijdlang na. Die van de tandarts leken nogal kort, terwijl hij mij eerder, toen we nog niet aan het zwemen waren, groot en fors was voorgekomen. Maar misschien was hij zo'n man met een lang bovenlijf en korte benen, bedacht ik. En trouwens, mannen met injectienaalden in de aanslag lijken altijd groter. Of jij lijkt kleiner, dat kan ook.

"Het is bijna klaar hoor", zei een bovenlijf in de verte.

Maar ik dacht: neem je tijd, neem vooral je tijd. Want ik vermaakte me opperbest, zeker toen ik mijn anderhalve minuut durende handstand onder water deed, proestend boven kwam en werd onthaald op een oprecht en langdurig applaus van zowel de tandarts als de assistente.

Laten we dit de hele zondag blijven doen, dacht ik. Tussendoor even opdrogen, allemaal een zakje paprikachips eten, op het eind de kruimels uit de zak zo in je keel gooien en dan elkaar weer in het water gooien en bijna verzuipen maar zeker niet helemaal.

Dus dat deden we.

--
Zie voor meer chloorstukjes: de badmuts van jacq en
jacq en de afwezige badmeester.

Share |



19 september 2011

het evenbeeld van boris v.

Ik zag een kat in de web-etalage van het dierenasiel en ik zie wel eens vaker katten maar ik klik ze net zo makkelijk weer weg. Ze zijn allemaal zo ongelofelijk lelijk. Maar deze was het evenbeeld van de jonge Boris V., ook omdat de betreffende kat betrapt over zijn schouder keek, alsof hij was gesnapt tijdens het maken van een ingewikkelde (en blijkbaar geheime) wiskundige vergelijking. Min of meer de standaard gezichtsuitdrukking van wijlen de Boris V.

Nu is het natuurlijk nogal onzinnig om een kat van een plaatje te moeten kiezen. Maar zo gaat dat hier, het is niet zoals in de film dat je bij het asiel binnenkomt en dan langs alle hokken mag lopen, totdat er eentje de kop zo lief schuin houdt en er ergens een soort geluid klinkt waarvan zowel jij als de kat in kwestie beseffen dat dat De Klik moet zijn. Bij ons in het asiel moet je er eentje van de foto kiezen en dan mag je kennismaken om te zien of het klikt. Als de kat je ziet en hij begint te blazen, dan klikt het niet. Maar als jij denkt: sjeeezus wat een lillek mormel is het eigenlijk, ik weet niet of je het dan ook op De Klik mag gooien.

Ik denk wel eens dat het eigenlijk het beste zou zijn om naar het dierenasiel te gaan, op de grond te gaan liggen, alle katten uit het asiel los te laten en dan maar zien of ze over je heen gaan lopen en kopjes geven en zo. Kan ook zijn dat ik dat zelf gewoon heel erg prettig zou vinden. Er is bijna niets leukers dan een kat die aan je oor snuffelt, en dan moet niezen omdat er een hoofdhaar van jou in zijn neus komt. Dus stel dat veertig katten dat tegelijk zouden doen, ik denk echt dat ik dan zou denken dat ik in de hemel was. Ik ga het eens voorstellen bij het asiel. Zal wel niks worden, volgens mijn bronnen werken er daar een paar die nogal uptight zijn als het op de dierenwereld aan komt.

Enfin, hoe dan ook, ik zag die foto, ik voelde er iets bij en ik dacht: hmm. Want van een foto kun je niks zeggen hè. Het gaat meer zo: je neemt er eentje, je gaat een paar weken met elkaar om, je zegt op een gegeven moment kom eens naast me liggen, hij gaat beleefd naast je liggen, jij denkt er het jouwe van, hij denkt er het zijne van en na verloop van tijd schud je je hoofd als hij weer dat onnozele ding doet met zijn voerbakje en hij doet de handen al voor de oren als jij de douche aan zet omdat het gezang hem door merg en been gaat terwijl jij waarachtig niet vals zingt, behalve dan die ene week in de maand, en als je op Kantoor zit denk je hoe zou het met die kleine zijn dan, en dan kom je thuis en dan heeft hij op het vloerkleed zitten kotsen maar je wordt natuurlijk niet boos, en wel bezorgd, en hij gaat zo voor je zitten en doet zijn kop schuin alsof hij een hond is en hij kijkt jou aan, jij kijkt hem aan, het wordt een soort wedstrijd van wie er het eerst knippert, jij verliest en je zegt iets in de trant van nou kom maar op schoot dan en hij ligt al en als het er zo eentje is die zijn pootje op jouw hand legt dan schud je nog eens een keer je hoofd en je gaat met je hoofd op zijn rug liggen zodat je het spinnen hoort en hoewel hij bijna stikt gaat hij nog liever dood dan dat hij zou zeggen: yo bitch ik stik haal je hoofd van me af.

En voor je het weet is hij zeventieneneenhalf en moet je hem laten inslapen.

Share |



4 september 2011

de ouwe metaforen van jacq

Ik word opgeslokt door Kantoor, voornamelijk door die ene bezigheid die mij na elk zomerreces nog het meest opslokt: me herinneren wat ook alweer precies mijn functie is op Kantoor. Altijd lastig. Op het laatst heb ik maar gewoon wat gegokt, nog niemand over gehoord.

Tussendoor als een zombie op de bank gelegen en Wordfeud gespeeld. Scrabble dus. Totaal irritant kutspelletje, je hebt de mooiste woorden in je hoofd alleen je hebt maar 1 T. En dat dan de hele dag. Met andere letters die je niet hebt. Want als je ze wél hebt, kun je ze niet gebruiken natuurlijk. Ik wist als kind al niet of ik moest gaan geeuwen of janken als het Scrabblebord tevoorschijn werd gehaald. Ging nog liever mijn kamer opruimen. Of alle spulletjes uit de letterbak een sopje geven. Of desnoods boodschappen doen, maar dat kon toen nog niet op zondag he.

Enfin, Wordfeud dus, ik snap ook niet waarom. Ik haat taal.

"Zou het dan tenminste nog goed zijn als een soortement van training voor je hersenen", vroeg ik mijn collega, in de hoop dat het dan zeg maar tenminste nog goed zou zijn als een soortement van training voor je hersenen. "Ik zou niet weten waarom", zei mijn collega.

Volgens mij heeft hij gelijk, sinds ik Wordfeud speel heb ik de hele tijd het gevoel van een of ander klein kutkevertje dat door mijn hersens rent en overal stukjes afbijt. Die metafoor heb ik ooit al eens eerder gebruikt (voor de liedjes van Norah Jones) maar ik heb gewoon steeds minder hersencapaciteit om nieuwe metaforen te verzinnen.
Komt dus allemaal door Wordfeud.

Share |



15 augustus 2011

het rechteroor van jacq

Mensen, ik heb mijn eilandtrip moeten bekopen met een doof rechteroor. Nu niet ineenkrimpen trouwe lezers die zich met afgrijzen herinneren dat het mij geen énkele moeite kost om in minstens vijftien (15) essays helemaal loos te gaan over een (1) doof oor want ten eerste is er geen haar op mijn hoofd die eraan denkt om zoiets anno 2011 nog eens dunnetjes over te doen en ten tweede overweeg ik dan eerder een serie over mijn muggenbulten.

Aan de andere kant: destijds ging het over mijn dove linkeroor en het probleem zit nu in mijn rechteroor. Een totaal andere situatie die in principe ruimte schept voor een totaal nieuwe invalshoek.

Invalshoek 1 - naar de huisarts gaan, de diagnose krijgen dat er niks in het oor zit, desondanks eisen dat er een waterspuit op het oor wordt gezet, het evenwichtsorgaan aan gort laten spuiten en daarna rechtsstandig flauwvallen vanaf het krukje - die invalshoek zit er even niet in. De huisarts is tot eind augustus op vakantie. Soms denk ik dat mijn huisarts her en der in het jaar eens een dag uitkiest om wél te komen werken en de rest van het jaar op de camping zit of zo, maar dit is speculatie.

Vanochtend besloot ik daarom zelf maar even de douchekop op de stand 'massage' te zetten en vervolgens op mijn rechteroor. Nu ben ik én doof én klotst mijn hoofd van het water. Bovendien zit mijn hele badkamer van boven tot onder en van links naar rechts totaal onder het water. En mijn schoonmaakster komt pas over een paar weken, ik had haar gezegd dat ik in verband met het zomerreces ook zelf wel eens de handen uit de mouwen kon steken (?!).

Maar de badkamer dweilen met een doof rechteroor: totaal onmogelijk, wist ik ook niet van tevoren maar dat gaat dus gewoon niet. Evenmin als bijna alle andere activiteiten. Behalve dan: doen alsof je doof bent, dat gaat ineens een stuk beter.


--
Enfin, voor de mensen die hier helemaal nog niet lazen tijdens de situation met mijn linkeroor: lees je dan op zijn minst even in: stukje 1, stukje 2 en stukje 3.

Share |



31 juli 2011

jacq snapt dingen

Wat deed ik. Ik had automonteur Gerrit aan de lijn en we voerden een serieus gesprek over zaken als de distributieriem. Dat wil zeggen: hij vertelde er iets meer over en ik zei herhaaldelijk: "Snap ik." Niet dat ik er iets van snapte, maar het is een zinsnede die je ook prima kunt gebruiken als je er helemaal geen ruk van snapt. Het geeft de gesprekspartner het gevoel dat er naar hem geluisterd wordt, hij geraakt dan enigszins off guard en daarna kun je dan toeslaan. In het geval van automonteur Gerrit zat ik zo'n beetje het moment van toeslaan af te wachten, totdat ik me realiseerde dat ik helemaal geen ammunitie had om ook maar iets in die richting te kunnen ondernemen.

"Snap ik", zei ik nog een keer.
"Snap ik helemaal."
En nu kappen svp, zei ik tegen mezelf.
Dus dat deed ik.


--
On a more serious note: mijn opiniestuk 'Breivik overhaast tot gek gebombardeerd', dat vrijdag in de Volkskrant stond, is ook hier te lezen.

Share |